Foto bij H86: Naar Dar Es Salaam ~ Nick

De taxi scheurde over de autostrade en Khana had volgens mij de stress van haar leven. De chauffeur had de opdracht gekregen om ons in minder dan drie uur naar Mwanza te brengen, vanuit Musoma, want om 20h05 vertrok onze vlucht. Ik kon niet ontkennen dat ik ook stress had, maar mijn stress kwam door een andere reden: de Raad van Japan had namelijk een noodbericht gekregen van een kitsune in Zuid-Afrika, dus wouden ze mij erheen sturen om te controleren of dat ze nog in orde was. Hoewel dat al wat ongerustheid bij me opwekte, was hun extra info toch nog het meest onrustwekkend. In de databank van een ministerie in Zuid-Afrika zou vage info over Khana’s verleden staan, wat ik dus ook moest onderzoeken. Kort blikte ik naar Khana, maar ze had het niet door. Nog steeds spookte die rare herinnering van haar in het vuur door mijn hoofd. Zou die echt zijn geweest? Ik wou het weten, maar iets vertelde me dat ze er niet echt op zou antwoorden…

“Rennen! Hup, opschieten!” riep de steward wat verderop en met onze handbagage liepen we zo snel we konden naar hem toe. Hij liet ons meteen op het vliegtuig, zonder onze tickets te controleren en sloot de deur achter ons. De mensen keken ons vrij humeurig aan en we gingen snel op onze plaats zitten. Nog geen vijf minuten later begonnen de stewardessen de veiligheidsinstructies te geven en het vliegtuig begon naar de vertrekbaan te rijden. “Oef, net op tijd”, zuchtte Khana en sloot even haar ogen. Ik knikte en geeuwde even, om dan mijn ogen ook te sluiten. “Oh ja, Nick?” zei Khana opeens en ik humde, waarna ze verder zei: “In het hotel had de receptioniste een brief voor je, maar ik heb hem in mijn koffer gestoken toen we in alle haast moesten vertrekken…” Ik fronste, maar zei: “Geeft niet, geef hem maar als we in Kaapstad zijn… We slapen trouwens in een hotel in Dar Es Salaam voor 6 uur, want onze volgende vlucht vertrekt pas om half vijf ’s ochtends.” Khana knikte en toen begon het vliegtuig vaart te maken, waarna we twee uur onderweg waren naar de andere kant van Tanzania.

“Fijne nacht nog!” zei de man vriendelijk en we knikten, waarna Khana de deur sloot en geeuwde. “Laten we gaan slapen”, zei ik terwijl ik mijn rugzak opzij gooide. “Ga jij ook slapen?” vroeg Khana verrast en ik haalde mijn schouders op, waarna ik antwoordde: “Ik vermoed van wel, er is veel gebeurd vandaag en mijn energieniveau is nog niet volledig op peil, dus ik denk wel dat ik in slaap zal vallen.” Khana knikte en zei: “Oké, slaap wel dan alvast… Ik ga nog even een douche nemen.” Ik knikte en ze verdween de badkamer in, terwijl ik ondertussen mij half uit kleedde en in bed ging liggen. Ik voelde de vermoeidheid meteen opkomen en niet veel later viel ik in een onrustige slaap.

‘Gespannen rende ik door de straten van Kyoto. De avond was gevallen en verschillende lampionnen verlichtten de straten, maar er liepen nog wel enkele mensen rond. Opeens voelde ik een korte ruk aan mijn arm en met grote ogen keek ik naar de gewapende man die mij had vastgegrepen. “Waar ga jij heen?” bromde hij en ik antwoordde: “Naar mijn moeder, ze is bij het Gouden Paviljoen en papa zei dat ik haar snel moest gaan halen.” De man liet me met een knik los en ik liep weer snel verder. Met een wrang gevoel sloeg ik weer een hoek om, om dan de trappen af te gaan. Ik hield niet van liegen, maar ik moest hem tegenhouden… Hoewel ik als volwassen man sneller kon lopen, had ik toch voor een kindergedaante gekozen. Zo trok ik minder aandacht en leek het logisch dat ik snel ergens moest zijn, zoals naar huis. Beneden begon ik weer te lopen en zodra ik in de buurt van mijn doel was, sloeg ik af en rende naar een klein huisje verderop. Niet veel mensen wisten ervan en ik beukte de deur open. Tot mijn ontzetting was het leeg en in paniek keek ik naar het Gouden Paviljoen wat verderop. Was ik al te laat?

Weer begon ik te rennen, maar nu recht naar het grote gebouw en met wat moeite wist ik ongezien via de zijkant bij een deur te komen. Voorzichtig deed ik de deur een stukje open, om dan een man te zien zitten met een kom. Hij leek diep in gedachten en snel sloot ik de deur weer. Dat betekende echter dat… Gefrustreerd zuchtte ik en concentreerde me, waarna een soort dik klimop langs de muur omhoog kroop en snel klom ik erlangs naar de eerste verdieping. Zodra ik daar was aangekomen, zag ik dat ik prijs had. In de kamer lag een vrouw al bijna naakt op de grond en meteen sprong ik naar binnen, om dan de man van haar af te duwen. “David, je zei dat je ging stoppen!” riep ik toen boos tegen de man en hij keek me verward aan, maar trok toen grote ogen en zei ontzet: “Wacht, wat? Nick?” Ondertussen keek de vrouw ons met angstige ogen aan en ik duwde mijn hand ruw tegen haar slaap, waarna haar ogen zich sloten en ze bewusteloos neerzakte.

“Het spijt me Nick, ik… ik kon het niet…”, jammerde David zacht terwijl we terug naar het centrum van de stad liepen. Hij had zich in een kind veranderd en ik klopte op zijn schouder. “Je kon er niets aan doen, maar je moet echt nog wel 50 jaar volhouden”, zei ik met een zucht en we liepen een huis in. “Nick, David? Zijn jullie dat?” hoorde ik iemand vragen en een vrouw kwam naar ons toe. Meteen bogen we diep en de vrouw zuchtte. “David… Vertel me niet dat je weer bij Hino was…”, zei ze en David keek met tranen in zijn ogen naar de grond. “Er is niet gebeurd, ik heb hem tegen kunnen houden”, zei ik meteen verdedigend en de vrouw keek me even aan. Toen keek ze weer naar David en zei: “David, luister. Als je verder naar de rank ‘kiko’ wilt gaan, moet je echt jezelf leren bedwingen… Nick zal er niet altijd zijn om je te redden. Je weet wat er gebeurd als je zo doorgaat…” “… dan blijf ik altijd ‘chiko’ en word ik een volledige nogitsune”, vulde David zacht aan en de vrouw knikte. “Inderdaad. Maak nu maar dat jullie in bed liggen”, zei ze toen en zo snel mogelijk liepen we naar onze kamer.

Eenmaal daar, begon David te snikken en ik wreef troostend over zijn rug. “Het lukt je wel David, ik zal je helpen. Zeker voor de komende 50 jaar ben ik er voor je en dan ben je ‘kiko’ en gaan we samen bij de Raad solliciteren, oké?” zei ik troostend en David knikte, waarna hij zijn tranen droogde en met een zwakke glimlach antwoordde: “Oké… Bedankt Nick, je bent echt een goede vriend.” Ik glimlachte ook automatisch en kroop toen onder mijn dekens. “Je boft maar”, zei David opeens en ik keek hem vragend aan. “Dat je al zover staat… Je bent nog geen 300 jaar en toch heb je al bijna alle kenmerken van de hoogste rang, ‘tenko’. De meesten van ons moeten daar 3000 jaar over doen”, zei hij toen met een jaloerse ondertoon en er ging een steek door mijn borstkast. Ik wou niet dat hij jaloers was, want ik was er helemaal niet trots op. Sterker nog, ik wou niet zo krachtig zijn… “Ik denk niet dat ik er geluk mee heb, David. Ik wil niet zo anders dan jullie zijn”, mompelde ik toen en David keek me met medelijden aan. “Het spijt me Nick, ik… aan de ene kant snap ik je, maar er is nog steeds een deel dat er jaloers op is”, zei hij toen eerlijk en ik knikte maar. “Fijne nacht, David”, zei ik toen en sloot mijn ogen. Plots voelde ik een hand over mijn nek wrijven en ik schudde mijn hoofd. “David, stop… Ik wil slapen”, murmelde ik, maar de hand ging niet weg en opeens voelde ik een zwaar gewicht op mijn lichaam drukken. “Hou op David”, mompelde ik nu geïrriteerd, maar ik kreeg mijn ogen niet open. “Nick!” hoorde ik opeens een vrouwenstem roepen en plots besefte ik me dat er iets niet klopte…’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen