Foto bij H87: Popobawa ~ Khana

Ik krabbelde zo snel mogelijk overeind, de pijn in mijn rug negerend. Het wezen was al op Nick gekropen en net toen hij in Nicks nek wou bijten, greep ik hem bij zijn nekvel en trok hem van Nick af. Het wezen krijste, maar ik sleepte hem onverbiddelijk mee naar het raam en opende deze. Hoewel het wezen flink tegenwerkte, zorgde de adrenaline in mijn lichaam ervoor dat ik hem op de vensterbank kon zetten en hij keek me stomverbaasd aan. Ruw duwde ik hem door het raam naar buiten en riep toen boos: “Maak dat je weg bent!” Het wezen viel naar beneden, maar sloeg toen zijn vleugels uit en met een laatste kreet vloog hij weg, de heldere nacht in. Ik sloot het raam, om dan hijgend en bezweet langs de muur naar beneden te zakken. Mijn kledij zat onder de bloedvlekken, maar het was niet mijn bloed. Ik had het wezen verschillende keren gestoken met mijn dolk, maar het bleef mij en Nick maar aanvallen. Aangezien Nick maar niet wakker werd, had ik hem zo goed mogelijk verdedigd… totdat het wezen mij opeens tegen een muur aangooide en op Nick kroop. Gelukkig had ik hem nog kunnen verjagen… “Khana? Wat is er gebeurd?” vroeg Nick terwijl hij op stond en het licht aan deed. Ontzet keek hij naar de verschillende bloedvlekken die op de grond lagen en ik kwam met wat moeite overeind. “Je hebt heel diep geslapen geloof ik, als je al die actie hebt gemist”, zei ik toen en pakte propere kleren, om dan naar de badkamer te wandelen. “Ik ga me even opfrissen, ik vertel zo meteen wel wat er is gebeurd”, zei ik nog tegen de verwarde kitsune, maar liep toen de badkamer in.

Zodra ik de bloedvlekken voor een groot deel uit mijn pyjama had gekregen en mij had omgekleed, wandelde ik de slaapkamer weer in. Nick was er al in geslaagd om het grootste deel van de bloedvlekken op te kuisen, maar toch zag ik vaag nog de rode kleur op de vloer. Mijn dolk lag al op het nachtkastje en Nick zelf stond bij het raam. Hij leek diep in gedachten en ik ging in de zetel naast hem zitten. De adrenaline begon af te nemen en nu begon ik de vermoeidheid langzaamaan te voelen, maar slapen zat er niet echt meer in. Het was bijna tijd om terug naar de luchthaven te vertrekken en ik sloot even vermoeid mijn ogen. “Ik vermoed dat ik zonet werd aangevallen door een wezen en jij hebt het verjaagd, klopt dat?” vroeg Nick opeens en ik opende mijn ogen, om dan te knikken. “Ja, dat wezen was een Popobawa en komt eigenlijk enkel op het eiland van Zanzibar voor, maar ik vermoed dat hij door omstandigheden naar hier is verhuisd. Je hebt geluk gehad Nick, want dat wezen had heel wat ergere zaken kunnen doen dan gewoon op je neer ploffen…”, vertelde ik en ging weer rechtzitten. Nick bleef enkel nadenkend voor zich uitkijken en ik vertelde toen verder: “Hij kwam vannacht opeens de kamer in via het raam. Hij wou eerst mij pakken als slachtoffer, maar ik was wakker geworden en ik heb hem dan verschillende keren kunnen verwonden. Toen wou hij opeens naar jou gaan en ik heb hem maar met moeite van je af kunnen houden, totdat hij me tegen de muur aangooide en je eindelijk wakker werd…”

Het bleef weer even stil, maar toen keek Nick opeens met een vreemde blik naar mij. Na een tijdje keek hij weer door het raam en ik zag een nadenkende frons op zijn voorhoofd verschijnen. “Is er iets?” vroeg ik, maar hij leek me negeren. Opeens, net toen ik dacht dat hij niets meer ging zeggen of doen, zei hij: “Ik heb over een herinnering met David gedroomd.” Verrast keek ik hem aan, maar ik wist niet goed wat te zeggen. Hij vertelde nooit waarover hij had gedroomd of zelfs maar dat hij had gedroomd, dus dit was vrij verrassend voor me. “Is dat een goed of slecht teken?” vroeg ik toen en Nick antwoordde: “Ik weet het niet, maar mijn gevoel zegt dat er iets achter zit… Ik zal hem straks misschien eens bellen.” Hoewel ik nog steeds vrij verrast was over het feit dat hij zijn gedachten eens luidop zei, knikte ik en zei: “Dat lijkt me een goed plan, dan weten we meteen hoe het met hem gaat na die aanval… Wanneer vertrekt ons vliegtuig ook alweer?” “Over exact twee uur”, zei Nick toen en ik zuchtte diep. Vaarwel slaap…

Doodmoe leunde ik tegen Nick aan terwijl hij een spelletje op zijn gsm speelde. Onze vlucht had wat vertraging op gelopen, waardoor we zo’n 10 minuutjes later waren vertrokken. We maakten eerst een omweg via Ethiopië, om daarna naar Kaapstad te vliegen. Buiten verscheen de zon aan de hemel en ik sloot mijn ogen met een kreun. “Denk je dat je nog even wakker kunt blijven? Of in ieder geval niet al te diep in slaap valt?” vroeg Nick opeens en hij deed het luikje van het raam weer een stukje open. Ik maakte even een protesterend geluidje, maar zei toen: “Eventueel, als je mij op tijd wakker maakt… Vergeet niet dat ik afgelopen dagen bijzonder weinig slaap heb gehad en in tegenstelling tot jou, heb ik mijn slaap heel hard nodig.” Nick knikte en antwoordde: “Komt goed. Het is gewoon dat we straks een vlucht van zes en een half uur hebben, dus dat lijkt me iets handiger om te slapen.” “Ja, dat is waar…”, mompelde ik, maar toen vielen mijn ogen weer dicht en zakte ik weg in een lichte slaap.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen