Foto bij H89: Roep de troepen ~ Halatir

“Oh Halatir…”, zei een stem grijnzend en ik opende mijn ogen. De zwarte elfin die mij had opgeëist, stond in de deuropening van mijn cel en ik kwam met moeite overeind. “Sorry voor het lange wachten, er zijn een paar probleempjes opgedoken… Kom, dan kunnen we beginnen”, zei ze toen en stapte opzij, waarna ik naar haar toe hinkelde en haar maar volgde. Volgens mijn demonen zat ik al meer dan een week in de cel, maar ikzelf had geen flauw besef van tijd. Enkele dagen geleden had ze een spreuk over mij proberen uit te spreken, maar dankzij de kennis van Errdegahr Bru'yuus, wist ik hem te blokkeren. Ik gedroeg me wel alsof de spreuk werkte, waardoor ik als een soort hersenloze zombie achter haar aan slenterde. Door mijn tijd bij de zwarte elfen, was ik steeds beter geworden in acteren en hierdoor had ze dus niet door dat haar belachelijke spreuk niet werkte. “Weet je nog wat we moeten doen, Halatir?” vroeg een van mijn demonen en in mijn hoofd knikte ik, waarna de demonen grijnsden en hun mond hielden.

Na een tijdje wandelen beklommen we een trap en ik kwam uit in de gang uit mijn herinnering. “Weet je, Halatir, ik vraag me af met welke demon ik moet beginnen…”, mompelde de elfin opeens en opende tegelijkertijd een deur. Ik hinkelde naar binnen en zag in het midden van de kamer de vuile tafel met riemen staan. “Ga op tafel liggen, ik pak de spullen alvast”, beval ze me en ik ging naar de tafel toe, om er dan op te gaan zitten. Vanuit mijn ooghoeken zag ik haar een kom pakken en ze goot er een vloeistof in. Ik volgde het kraantje dat ze had gebruikt en kwam uiteindelijk uit bij een vrij groot vat dat in de hoek van de kamer stond. De kasten waren gevuld met allerlei soorten stenen en kristallen, maar ook met boeken, potten, flessen, bekers en allerlei laboratoriummateriaal. In een van de hoeken van de kamer was er iets op de vloer getekend en ik vermoedde dat dat was om demonen op te roepen. “Ik zei dat je moest gaan liggen”, zei de zwarte elfin opeens kil en ik keek haar aan. Voordat ze zelfs maar verbaasd kon kijken, sprong ik op haar af en veranderde tijdens mijn sprong in een wolf. Zoals alle zwarte elfen had ze meteen de reflex om een spreuk op mij af te vuren en haar wapen te pakken, maar ik had dat al voorspeld. Terwijl ik nog een krachtigere spreuk op haar afvuurde, beet ik in haar keel, terwijl ik haar wapen opzij hield. Woest schudde ik mijn kop heen en weer en zelfs na de tijd dat ze morsdood in mijn bek hing, sloeg ik haar hoofd nog een paar keer stevig op de grond. Het bloed was overal en hijgend liet ik haar los. Met iets meer moeite transformeerde ik terug naar mens en keek het laboratorium rond.

Ik liep naar een kast en begon de spullen te bekijken die op de schappen stonden. “Halatir, dat poeder!” riep één van de demonen in mij plots en mijn blik werd automatisch naar een fles met een bruin poeder getrokken. “Neem dat poeder, voeg er wat eiwit van een basiliskei eraan toe en dan nog drie bloemen van een duivelsklauw. Dat mengsel moet je dan innemen”, vervolgde de demon en ik trok een wenkbrauw op. “En wat doet dat dan?” vroeg ik argwanend, maar de demon zei enkel: “Neem het maar gewoon in.” Hoewel ik hun plan niet vertrouwde, begon ik de spullen wel te verzamelen en met wat moeite had ik een bruine, stroperige, walgelijke vloeistof bereid. “Drink”, zeiden mijn demonen opeens unaniem en voor ik het zelf volledig doorhad, had ik het flesje vastgepakt en leeg gedronken. Meteen schoot er een enorme pijnscheut door mijn borstkas en ik kromp ineen. Het flesje viel op de grond en hijgend greep ik de rand van de tafel vast. Plots had ik het gevoel dat mijn gebroken botten recht werden getrokken en in elkaar geduwd, waardoor ik krijste van de pijn. Mijn demonen lachten en alles draaide om me heen. Hoewel het lang leek te duren, stond ik even later weer geheeld en gezond in de kamer. Ik voelde me krachtiger dan voorheen en sloot mijn ogen. “Dae quendi”, mompelde en mijn schaduw vervormde. De silhouette van mijn leermeester Morchiant verscheen en hij hield zijn hoofd schuin. “Halatir?” vroeg hij met een tikkeltje verbazing en ik grijnsde. “Roep de troepen, we vallen aan”, zei ik en Morchiant schoot overeind, waarna hij knikte en onze verbinding verbrak.

“Hoeveel kunnen jullie aan?” vroeg ik aan de demonen in mij terwijl ik door de gangen rende. Hoewel ze mij door en door kenden, voelde ik toch een vlaag van verbazing door me heen schieten. Toen schoot hun opwinding door mij heen en antwoordden ze unaniem: “Alles wat je brengt.” “Mooi”, antwoordde ik en transformeerde naar een wolf, om dan een nietsvermoedende zwarte elf aan te vallen. Hij krijste, maar was al snel dood en ik transformeerde weer naar elf. Ik greep zijn wapens en rende verder. “Halatir!” hoorde ik opeens en vanuit een zijgang kwam Uln'hyrr aangelopen. Achter hem liepen nog een paar elfen en trollen en ze liepen met mij mee. “De goblins zijn een aanval in het noorden begonnen en de trollen volgen zo meteen in het zuiden, maar we moeten haast maken. De kobolden en gnomen hebben niets laten weten, dus daar verwachten we niet veel van. Wat moet er gebeuren?” deelde hij snel mee en we kwamen in een zaal aan. We stonden meteen oog in oog met enkele zwarte elfen die niet aan onze kant stonden en ik zei: “Ik moet naar de verzendzaal.” Uln’hyrr begreep meteen wat hem te doen stond en met een schreeuw beval hij zijn volgers om aan te vallen. Ik sloeg een andere gang in, maar achter mij klonken er voetstappen. “Dae uuvanimo”, mompelde ik en hield mijn beide handen rennend naast mij naar beneden gericht. Donkere rookwolken vormden zich achter mij en mijn schaduwmonsters vulden de gang. Ik beval er twee om me te volgen en rende verder, terwijl de andere drie mijn achtervolgers aanvielen. Mijn energieniveau zakte snel en een van mijn demonen zei: “Haast je, straks is dit lichaam te zwak en kunnen we niets meer doen.” Ik spande me in en rende nog harder door de gangen, gevolgd door mijn twee monsters.

“Eindelijk”, zei ik licht buiten adem en ik liet mijn monsters voor de zaal de wacht nemen. Ik sloot de deur achter mij en keek naar alle spullen die in de verzendzaal stonden. Uit mijn gewaad haalde ik een flesje en ik liep langs de randen van de zaal, terwijl ik het poeder uit het flesje langs de wanden goot. “Er zullen zeker enkelen ontsnappen, maar probeer er zoveel mogelijk in mij te krijgen”, zei ik en de demonen knikten instemmend. Opeens klapte ik dubbel en hoestte even. Ik was mijn contact met mijn drie andere schaduwmonsters kwijt, wat me liet vermoeden dat ze verslagen waren. Dat betekende echter ook dat ik meer energie had en ik creëerde weer een monster. Hij was niet zo indrukwekkend als de rest, maar ik grijnsde slechts en beval: “Vernietig alle spullen die hier staan.” Het wezen slaakte een ijzige kreet en begon woest rond te springen. Alle ampullen, flessen, potten en andere spullen vielen uit hun nissen en sloegen kapot op de grond. Meteen verscheen er veel rook en verschillende demonen kwamen tevoorschijn. De vreselijkste figuren uit jouw nachtmerries keken me gestoord aan, waarna er eentje krijste en op mij af vloog. Meteen volgde de rest hem al schreeuwend en ik zette me schrap. “Succes”, mompelde ik nog, waarna ze zich allemaal op mij stortten.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen