Twee weken later kon ik het niet meer ontkennen: ik werd gepest. En ik haatte het wanneer ik het zo noemde, omdat dat in mijn mening veel te dramatisch klonk voor mij. Maar het was zo, en ik kon er niet meer omheen draaien. Ik wilde zo graag mijn best doen om de hoop er in te houden, om het beste in mijn klasgenoten te zien en te hopen dat het over zou waaien. Maar elke dag werd het lastiger om die instelling vol te houden, als er continu namen geroepen werden die ik niet wilde horen, als er pootje gehaakt werd in de gangen, en als er meisjes quasi-vriendelijk giftige opmerkingen over mijn uiterlijk maakten, verschuild achter “vriendelijk advies”. Het was walgelijk, en het deed me pijn om te moeten leren hoe naar mensen konden zijn. Ik had juist zo’n hoop in de mensheid gekregen toen iedereen zo ontzettend aardig was geweest in mijn oude woonplaats.

Het was alsof ze me uit probeerden te testen, alsof ze keken hoe ver ze een elastiekje uit konden rekken voordat het knapte. Het begon allemaal als een soort eenzijdig spel van kat en muis: me af en toe eens “per ongeluk” Jonathan noemen, of eens in de zoveel keren een vuile blik te werpen.
Ze wilden met me rotzooien, maar het subtiel genoeg houden om er niet op aangesproken worden.
Na twee weken waren ze al een stuk minder subtiel geworden. Plagen ging over in treiteren, en dat verliep in pesten. Tijdens gym vonden de jongens altijd wel een manier waarop ze de leraar konden overhalen dat het oneerlijk was als ik met de meisjes meedeed, en vervolgens konden ze zo een excuus vinden om me tijdens het voetballen een extra duwtje te geven, of om tijdens boksen net iets te ruw te zijn.

Maar het was vervelend dat ze altijd wijzen vonden om uit de problemen te blijven. Ik was al drie keer naar mijn mentor gestapt, en elke keer wisten ze er onder uit te komen.

Dus, nu was mijn motief om het vol te houden totdat er eindelijk een einde aan kwam. Ik wist dat zolang ik ze negerde en ontliep, de lol er uiteindelijk wel vanaf zou gaan. Tijdens de pauzes zat ik buiten, tijdens de lessen ging ik zo ver mogelijk achterin zitten, en bij gym maakte ik me zo onzichtbaar mogelijk.
Sommigen zouden dit gedrag misschien zwak of passief vinden, maar ik vond het tactisch. Als ik niet gepest wilde worden, moest ik het ook maar niet uitlokken, ze niet geven wat ze wilden.

Op een woensdagmiddag tijdens de lunchpauze, schrok ik me een ongeluk toen er opeens iemand vlak naast me ging zitten.
‘Hé, jij bent Jennie, toch?’
Het was iemand die donkerblauwe gympen droeg met een gescheurde spijkerbroek. Zijn gezicht durfde ik niet aan te kijken.
‘Ja, dat ben ik’, antwoordde ik zachtjes.
‘Ah, eindelijk! Hé. Ik wilde sorry zeggen voor wat er twee weken geleden gebeurd was in de kantine. Ik was per ongeluk tegen je op gebotst in mijn haast, en volgens mij had ik je dienblad uit je handen geslagen. Ik weet dat het een beetje suf is om daar twee weken later sorry voor te zeggen, maar ik kon je steeds niet vinden in de kantine, omdat je dus blijkbaar buiten zit. En ik weet dat het niet zo lekker loopt tussen jou en je klasgenoten, dus wilde ik je laten weten dat dat toen niet expres ging.’
Zijn voeten wipten een beetje rusteloos heen en weer, en een los draadje van zijn gescheurde spijkerbroek fladderde mee.
‘Het is oké, dat is erg aardig van je’, zei ik.
Hij rommelde wat in zijn tas, en haalde een boterham tevoorschijn. Voor het eerst keek ik op naar hem, en zag ik zijn gezicht. Zijn blauwe ogen stonden gefixeerd op zijn sandwich, en hij had een lichtelijk slordige stoppelbaard.
‘Zijn dat kipnuggets op je boterham?’ kon ik me niet inhouden.
Met zijn mond vol, knikte de jongen,en grinnikte een beetje beschaamd. Toen hij zijn mond leeg had, zei hij verdedigend: ‘Ik zweer dat het niet zo raar is als het lijkt. Je moet het ook eens proberen. Wist je dat er mensen zijn die hun kipnuggets in hun milkshake dippen? Dat is pas goor.’
Ik giechelde. ‘Hoe heet je?’ vroeg ik hem.
Hij gebaarde naar zijn mond die net vol zat, me non-verbaal vragend of ik even kon wachten totdat hij uitgekauwd was.
‘Ian’, zei hij toen. Hij veegde zijn hand aan zijn spijkerbroek af, en stak die naar me uit.
Zijn hand was erg warm toen ik die pakte en schudde, veel warmer dan mijn koude klauwen.
Van zijn gescheurde spijkerbroek tot aan zijn oude rugzak, kon deze jongen zo uit een alternatieve band uit 2009 zijn gestapt. Hij deed me denken aan de mensen in de videoclips waar ik toen ik klein was naar keek.
‘Trouwens,’ zei Ian, met zijn mond opnieuw halfvol. Hij veegde wat broodkruimels van zijn mondhoek met zijn mouw, en wees toen naar mijn vlechten. ‘Ik vind dat je leuk haar hebt. Roze staat je goed.’
‘Het is vervaagd,’ zei ik meteen. ‘Het is lang niet zo fel als het eerst was. Ik wil het weer terug gaan verven.’
Tot mijn verbazing schoot Ian in de lach. ‘Typisch meisjes,’ grinnikte hij. Ik voelde mijn wangen gloeien met trots. ‘Kunnen nooit gewoon een compliment ontvangen.’
Al was de opmerking niet speciaal positief, had ik in tijden niet zoiets vleiend gehoord. Typish meisjes…
Ik naam aan dat hij ook wist dat ik transgender was, maar toch leek hij er totaal geen aandacht aan te besteden.
Ik gaf hem een zachte stoot tegen zijn bovenarm, en hij stootte terug.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here