Ik had het boogschieten opgegeven. Ik oefende er al twee jaar op, maar kon nog steeds geen simpele schietschijf raken. Gefrustreerd smeet ik die rotboog op de grond en smeet een mes naar de roos. Hij belande bijna in het midden.
De grote tuinen in de winnaarswijk waren bedoeld als een soort kunstwerk om in te wandelen, maar net zoals veel van deze tuinen, begon hij elk jaar meer op een trainingsveld te lijken. Er stonden reuzachtige zakken zand en schietschijven op het gras. Zo'n zandzak moest ik volgens mijn vader kunnen laten omvallen door er met mijn volle gewicht tegenaan te knallen. Hij had het me vaak uitgelegd hoe het moest. Tegenstander op de grond smijten, mezelf er bovenop laten vallen en nog voor je tegentribuut van de verassing bekomen is, met je mes zijn keel doorsnijden.

Mijn vader heeft die techniek tijdens zijn spelen maar een keer gebruikt. Het was pure improvisatie geweest. Het had niet echt goed gevoeld. Hij vond het te gemakkelijk, het ging bijna vanzelf. In de arena mag het niet makkelijk gaan. Het capitool wil spectakel. Een speer die eerst een paar telken in de lucht hangt voor hij een weerloze prooi doodsteekt, of een gevecht dat je expres langer dan nodig laat duren. Aan een snelle, lompe aanval hebben de programmamakers niets. Het gaat niet om hoe efficiënt je het afhandelt, het gaat om de hoeveelheid bloed die uit je slachtoffer spuit. Dat waren woorden die mijn vader altijd bleef herhalen, maar op een dag vertelde hij een ander verhaal. Hij toonde me het vergeten beeld van hij die in een paar tellen een stevig gebouwde jongen vermoordt.
'Dat daar,' had hij gezegd, 'zou mijn grootste tegenstander geweest zijn. Die jongen was de echte bedreiging in de arena, maar dat weet het capitool niet. Niemand heeft hem ooit zien vechten. Ik wist dat ik in een eerlijk gevecht zou verliezen, dus heb ik hem op een laffe manier vermoord. De tweede dag al. Dat, Zilver, heet overleven. Show verkopen is belangrijk, maar als je dood bent, dan kan dat niet meer. Jij gaat de eindstrijd halen, zorg dat je op dat moment, wanneer het ieder voor zich is, de sterkste tegenspelers hebt uitgeschakeld. Desnoods vermoord je de hele beroepstroep in hun slaap, zolang je maar de sterkste bent op het moment dat iedereen naar huis begint te verlangen.'

Dat soort raad is hij me maar een jaar geleden beginnen geven. Pas toen Glans vermoord werd begon hij te beseffen dat het inschatten van de andere beroeps niet zo evident was. Toen begonnen de tips te komen. Droog hout rond je slaspzak leggen, zodat je het hoort als iemand dichtbij komt, en altijd bovenaan een stijle helling liggen, zodat je weg kan rollen als iemand met een mes boven je staat. Je bent waarschijnlijk al dood voordat je je slaapzak uit bent. En over dat wegrollen gesproken, als je rugzak vanonder in je slaapzak ligt, dan moet je niet met lege handen wegvluchten.

Mijn oren tuitten altijd na zijn goede raad, elke keer dat ik met hem praat, leer ik nieuwe gruwelijke manieren waarop je vermoord kan worden. Maar de laatste maanden voel ik niet alleen maar afschuw. Zou ik het kunnen? Zou ik er misschien toch zin in beginnen te krijgen?

Met en smak werp ik me tegen een zandzak van een kop groter dan ik. Hij wankelt en valt om. 'Het gaat niet om hoe goed of sterk je bent,' zei mijn vader een keer, 'vechtkunsten zijn maar een gebruiksmiddel. Je echte kracht ligt in hoe graag je wilt winnen.' Dat soort woorden geven me een soort kracht die zorgt dat ik de arena in wil stormen. Alsof ik wil bewijzen dat ik kan wat mijn broer niet kon. Ik vind mijn vader vaak verschrikkelijk als hij over de spelen praat alsof het een vakantie is, maar hij is die woorden zo lang blijven herhalen dat ik ze ben beginnen te geloven. En nu, de laatste avond voor ik me vrijwillig zal aanmelden, weet ik bijna zeker dat ik zelf ook wil meedoen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen