Even later sta in de coulissen, toekijkend hoe zielig de anderen zijn. Iedereen houdt zoveel van zijn familie en vrienden en iedereen mist thuis, de Beroeps zijn arrogant, blablabla, niets nieuws. En ze gaan allemaal hun best doen om te winnen. Sukkels. De winnares is allang bekend, en dat ben ik.
En dan klinkt eindelijk mijn naam. Het kind uit 10 vlucht van het podium af. Mijn beurt. Showtime. Eindelijk. Dit… dit is mijn moment. Het licht is een probleem, maar ik mag het niet laten zien. Ik mag mijn echte zwakke punt niet tonen. Voor het eerst sinds jaren ben ik zenuwachtig om het podium te nemen. Nee, niet zenuwachtig. Bang. Doodsbang. Mijn knieën knikken en mijn hart maakt evenveel herrie als een orkaan. Het licht schijnt, mijn adem versnelt nog meer, ik moet hier weg. Tranen van paniek vullen mijn ogen. Het gejuich van het publiek klinkt als onweer, als een waarschuwing voor het felle licht, een waarschuwing die altijd te laat komt. Het zijn er zoveel. Zoveel mensen. En ze zijn hier… voor mij. Alleen voor mij. Met al mijn kracht hef ik mijn hoofd op, maar het publiek. De angst voor het licht doet me meer pijn dan elke wond die Marten me ooit heeft toegebracht, ik voel me slap en bang, alsof ik elk moment door mijn benen kan zakken en buiten bewustzijn op de grond eindig. Maar ze zijn hier voor mij. Ze zijn hier omdat ze mij willen zien, hun toekomstige winnares, geen zielig hoopje ellende, al is dat vandaag wel mijn rol. Dit spel is van mij, ik bepaal de regels. Ik loop naar Caesar toe en laat me in de stoel zakken. “H-hallo,” stamel ik.
“Ah, hallo Valerie, de grote heldin van District 11, nietwaar?”
Ik kijk hem aan, trillend over mijn hele lichaam, net als mijn stem. “I-ik… Astral… ze… Nee, ik ben geen held.”
“Jawel, toch?” Hij kijkt naar het publiek, waar het gedonder weer losbarst.
“I-ik deed alleen wat ik moest doen. Ik moest haar beschermen, ze is als een klein zusje voor me.”
“Aha. Is zij dan ook hetgene dat je het meeste mist van thuis? Of zijn er nog andere dingen? Een jongen, misschien?”
Ik zet grote ogen op. “Nou, natuurlijk mis ik haar heel erg! Maar ik mis mijn ouders ook, net zoals ik mijn broer nog altijd mis. Maar een andere jongen dan hem is er niet. Behalve Revan natuurlijk, maar hij is hier bij me. En hij is gewoon mijn beste vriend, geen sprake van liefde of iets dergelijks.”
Een teleurgestelde zucht klinkt door de menigte. Hun verlangen naar drama boeit me nu even niet, alleen dat felle, brandende licht telt. De angst, onverminderd, brandt nog steeds.
“Nee? En waarom dan niet?”
“W-we eh… We zijn gewoon vrienden. Niets meer dan dat, geen romantiek.”
“Aha, juist,” zegt hij, duidelijk niet overtuigd. “Nou, District 11 klinkt in ieder geval als een hele gezellige plek. Vertel eens wat meer.”
“N-nou, ik woon samen met mijn ouders in het centrum, omdat mijn vader daar een smederij heeft. Ik help hem vaak mee, behalve in de oogsttijd, want dan help ik mee in de boomgaarden.”
“Aha, dus dan ben je vast erg goed in klimmen.”
“N-nou, niet echt,” stotter ik. “Ik val best vaak, ik ben niet zo handig. Daarom heb ik ook zoveel littekens; onhandigheid.”
Caesar knikt bedenkelijk. “Het klinkt in ieder geval heel anders dan het Capitool. Zeg eens, hoe vind je het hier?”
Ik druk de paniek zo ver mogelijk weg en glimlach ongemakkelijk. “Het is hier prachtig! De lichtjes en de kleuren en iedereen is zo vriendelijk tegen me! En het eten is fantastisch!”
“Ja, daar moet ik je gelijk in geven. Heb je ook een favoriet gerecht?”
Kijk, dát is een belangrijke vraag. Als ik eenmaal gewonnen heb, zullen ze er ongetwijfeld voor zorgen dat er op elke gelegenheid zo'n gerecht voor me klaarstaat, en dan wil ik niet dat dat een bord lasagne is van onze geliefde dode kok. “Ehm… Eigenlijk vind ik alles heel erg lekker. Maar als ik moet kiezen denk ik toch de hartvormige kalfsbiefstuk met twee schijfjes citroen, gepaneerd in eetbare rode glitters, en met die speciale, zoetzure bospaddestoelenroomsaus. Dat was denk ik wel het lekkerste dat ik ooit gegeten heb.”
Hij knikt toegeeflijk. “Ja, die is inderdaad uiterst smakelijk. Echt een topgerecht.” Hij lacht, maar wordt plots weer serieus. “Goed, Valerie, je cijfer. Wat zou je daar op willen zeggen?”
“Ehm… I-ik heb een drie gehaald, ik dacht dat het wel goed ging, maar-”
“Oh, meisje toch, het is heus geen ramp. Cijfers zeggen heel weinig, je doet het vast beter in de arena.”
Ik knik en forceer een glimlach, hopend dat niemand doorheeft dat het zweet in straaltjes over mijn rug loopt. “Ik hoop het, schrijf me nog maar niet meteen af!”
“Dat zou ik nooit doen,” zegt Caesar, en opnieuw die donder. “Een heel ander iets is de jurk die je aan hebt. Zou je het ons wat beter willen laten zien?”
“Ik, eh… Natuurlijk.” Ik sta op en loop naar voren. Het licht volgt me. Ik duw elke vorm van zwakte zo ver mogelijk weg -wat niet ver is- en ga op mijn tenen staan, terwijl ik een klein stukje naar voren leun en mijn armen spreid. En dan ontvouwen mijn vleugels zich. Groot, zwart, perfect. De engel van de duisternis is eindelijk echt gearriveerd. Terwijl het gejuich van het publiek mijn innerlijke duisternis weer aanwakkert en de angst voor het licht deels verdrijft, vind ik mezelf weer een beetje terug.
Dood. Ik wil doden. Ik wil bloed zien, dood en verderf. Angst en pijn in de ogen van mijn slachtoffers terwijl ze hun hele leven aan zich voorbij zien flitsen, terwijl hun bloed mijn armen rood kleurt, terwijl hun zielen afsterven, hun geest breekt en de dood hen meeneemt en bedekt met een deken van kou en leegte. Ik wil ze pijn doen. Zo verschrikkelijk veel pijn. Ik wil ze helemaal gek maken, ze door laten draaien zodat ze bezwijken aan hun eigen schizofrenie. Ik wil ze angst laten voelen zoals ze dat nog nooit gevoeld hebben. Ik wil zien hoe hun zielen breken. Ik wil ze martelen tot ze alles doen wat ik zeg. Ik wil dat ze voor me buigen en nederig hun dood ondergaan.
De zoemer doorbreekt het moment, breekt mijn ambities en laat de angst herrijzen. Ik laat langzaam mijn armen zakken en luister naar het roffelende applaus.
“Helaas, dat was het alweer. Een daverend applaus voor Valerie Angel Crosse, die haar naam zeker eer aan doet!”
Ik forceer nog een zwakke glimlach en vlucht dan zo snel mogelijk van het podium af, naar de duisternis van coulissen en de veiligheid van de schaduw.
Revan is aan de beurt, en na een hoop gezeik ontvouwen ook zijn witte vleugels. Ik grijns, vanuit mijn veilige positie in het donker, en kijk hoe hij zijn afgunst en haat jegens mij probeert te verbergen.
Zodra de zoemer gaat en hij van het podium af loopt, verandert die uitdrukking echter. Onweer weerkaatst in zijn ogen.
Ik stap vanuit mijn verdekte positie tevoorschijn. "Wat staat dat je schattig."
Hij kijkt me dodelijk aan. Hij wil me nu echt heel graag afmaken. Mooi. Laat de woede maar komen. Oncontroleerbare woede maakt zwak. Bij Marten. Bij Revan. Bij iedereen. “Was dit echt nodig?” snauwt hij zeurderig.
"Ja schat, het staat je beeldig,” zeg ik, naar waarheid. Hij is een echt engeltje nu. Wat ontzettend schattig.
“Wat wil je er mee bereiken, Engeltje van me? Een stel overdreven vleugels verandert niets, behalve dat jouw ego nog meer groeit.”
Moet ik die idioot dan werkelijk alles uitleggen? "Sponsors, zegt dat je iets?"
“Heb jij die nodig dan?” vraagt hij uitdagend, nog steeds met die extreme, duidelijk hoorbare irritatie.
"Ik zou een werpsterrenbezorgdienst erg op prijs stellen,” zeg ik, en ook dat is waar. Of Luna het geregeld en voor elkaar gekregen heeft, kan ik niet met zekerheid zeggen. Het zou knap zijn, maar het lijkt me een bijna te grote prestatie voor dat kind.
“En daarom moet je mij met dit soort troep opzadelen?” Hij wijst geïrriteerd naar de helderwitte, gevederde vleugels, die op zijn rug opgevouwen zitten.
"Het staat je zo leuk!"
Zijn blik gaat van dodelijk naar extreem dodelijke blik en het onweer in zijn ogen begint harder te roffelen. “Nee.”
"Jawel. En nu kop dicht, ik probeer te luisteren." Ik stap terug naar mijn schuilplaats en richt me weer op het interview van onze lieve kleine Esmea, die met de seconde zwakker lijkt.
“Doe je ding, Engeltje.” Met een geïrriteerde blik in zijn donderogen loopt hij weg. Ik wacht tot Esmea en Ruby beide klaar zijn, en vlieg dan zo ongezien mogelijk via de schaduwen naar mijn kamer, waar ik mijn aantekeningen voor de laatste keer uit mijn hoofd probeer te leren. Morgen is de grote dag. En alles zal perfect gaan.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen