Verbeten berg ik de drie messen op en kijk ik om me heen. Revan, van wie ik daarnet nog een glimp op had gevangen, voordat ik met Dawn in gevecht raakte, ben ik in de chaos kwijtgeraakt. Ik vind hem wel weer. Of niet. Of hij is dood. Dat zou jammer zijn, als hij een zwakkeling blijkt te zijn.
Het gevecht is in volle gang, ook al liggen er al een hoop lijken op de grond. Ik zucht en sprint terug de Hoorn in. Iets te eten zou handig zijn, net als water of een extra wapen, maar de Beroeps zijn hier en ik wil niet riskeren dat ik een mes of een pijl in mijn rug krijg, dus ik kan niet te lang blijven.
Mijn oog valt op een zwarte rugzak, die naast de ijzeren tafel op op de grond ligt. Die wil ik. Wie weet wat er in zit. Het is vast nuttig. Twee jaar geleden zaten er stenen in, maar voor een slim -nee, geniaal- iemand zoals ik kan zelfs zoiets nuttig zijn. Dat ding is van mij.
Ik trek een sprintje en grijp de schouderband van de tas beet, waaraan ik hem op mijn rug trek. Hebbes. Goed, en dan nu snel weer weg hier. Met mijn ene hand stevig om mijn mes en mijn andere hand om het zwarte geval ren ik de Hoorn weer uit. En dan nu Revan zien te vinden. Misschien heeft hij besloten dat hij toch liever alleen is. Dat zou niet alleen heel dom, maar ook nog eens heel gevaarlijk zijn. Voor hem. Ik zal hem opsporen, vinden en wraak nemen, en hij zal een pijnlijkere dood sterven dan iedereen die voor hem stierf op het toneel van de arena.
Revan heeft een klein zusje. Een zielig, ziek en zwak meisje dat al jaren op ieder moment dood zou kunnen gaan. Een schattig en lief kind, van wie Revan zo veel houdt, maakte zijn interview wel duidelijk. Als Revan mij verraad, gaat hij eraan. Eerst mentaal, met een paar woorden over die kleine Thalia als gif dat zijn gedachten beïnvloed en hem van binnenuit kapot maakt, en daarna fysiek, als hij een nutteloos, huilend hoopje ellende is met niet eens genoeg kracht om om genade te smeken. Ik zal langzaam engelenvleugeltjes in zijn rug kerven, hem martelen, maar hem in leven houden, zodat hij alle pijn voelt, wetende dat hij niets kan doen. Ik hou hem telkens net in leven, zodat ik hem nogmaals pijn kan doen, zodat hij me smeekt om het af te maken. Dan zal ik glimlachen, zijn smeekbedes negeren en doorgaan, tot hij zodanig gebroken is dat ik niets meer met hem kan en hij het zelf beëindigd.
Plotseling spot ik hem, zo'n vijftig meter verderop. Meteen ren ik naar hem toe, en ondertussen haal ik mijn mes tevoorschijn. Achter Revan staat nog een gedaante, die ik zo snel niet kan herkennen, omdat hij of zij zo te zien een vloedgolf aan bloed over zich heen heeft gekregen. Eindelijk, dit is mijn kans om die messen eens goed te gebruiken. "Ah, Revy. Net de sukkel die ik zocht. Goed, bukken."
Revan trekt zijn wenkbrauwen op en kijkt me even vreemd aan, maar laat zich dan gedwee op de grond zakken. “Ook leuk om jou weer te zien, Val,” mompel hij op zijn gebruikelijke, geïrriteerde toon.
Ik zeg niets terug, maar gooi een werpmes rakelings over zijn hoofd, recht tussen de ribben van de gestalte achter hem. Terwijl die bloed begint te braken, krijg ik door wie het is. Meteen draait mijn maag om, en ik stap snel achteruit zodat ik noch de uitwerpselen van dat walgelijke wezen niet over me geen heen krijg, noch het risico loop dat hij op me valt. Ik kan het nu wel met zekerheid zeggen: dit ‘ding’ is -correctie: was- met geen enkele mogelijkheid menselijk. Het is een soort kruising van een mutilantenaap uit de Spelen van dertien jaar geleden en een blobvis, wat volgens mijn schoolboek het lelijkste wezen ter wereld is. Nou, ik weet vrij zeker dat dit ‘ding’ nog vijf keer zo lelijker is. Hij zakt door zijn knie-achtige dingen en valt achterover. “Gatver, is dat-" stoot ik vol walging uit, als ik eindelijk mijn stem weer kan gebruiken zonder het gevoel dat ik mijn ingewanden uit ga kotsen, wat overigens niet wil zeggen dat de aanblik van het lijk me niet misselijk maakt, maar ondertussen zit het zodanig onder het bloed dat de afstotelijkheid een beetje verborgen wordt.
Revan, die wel onder het bloed zit, komt overeind en kijkt met een vies gezicht naar het wezen. “Ja, dat is dat ding uit 5. Raak het niet aan, straks is het besmettelijk.” Hij stapt snel opzij.
Ik slaak een gil en stap ook opzij. Revan zou best wel eens gelijk kunnen hebben wat die besmetting betreft. "Iew, gatver, bah," krijs ik, steeds harder. "Revan, pak mijn mes. Ik ga hem niet aanraken."
“Ja, dag. Ik ook niet.” Hij kijkt me aan alsof ik compleet gek ben geworden, terwijl hij duidelijk degene is die doorslaat, gezien hij zijn bondgenoot en allerbeste vriendin niet eens wil helpen. Grote egoïst. Als ik mijn map nog had, had hij hier zeker twee sterren voor gekregen. Maar ik heb mijn map niet, dus er zit niets anders in dan mijn zin doordrijven. Ik wil mijn mes terug, ik ga dat ‘ding’ niet aanraken en Revan gaat me helpen of hij nou wil of niet, want dat is wat ik wil, en daar gaat het hier om.
"Revan!" jammer ik op klaaglijke toon, vol afgrijzen. Drama schoppen. Dit is mijn voorstelling, ik ben de hoofdrolspeelster, ik ben de regisseuse. Hij heeft slechts een bijrolletje en het kan me niet schelen dat hij het niet eens is met mijn casting. Hij doet wat ik wil, of hij moet mijn podium per direct verlaten. Bijrollen zijn vervangbaar.
“Je pakt maar een nieuw mes.” Hij kijkt walgend naar Diederick.
"Revan, alsjeblieft," snik ik. Als je tegenspeler het verpest en het script negeert, zit er niets anders op dan improviseren tot je weer op de oorspronkelijke verhaallijn zit.
“Jemig, Valerie. Gedraag je niet zo als een kleuter.” Hij kijkt me chagrijnig aan, pakt dan het heft vast en trekt het mes uit het lijk, zonder dat ‘ding’ aan te raken.
Kijk, dat is al al een verbetering, maar nog niet goed genoeg. "Kun je hem alsjeblieft even schoonmaken?" vraag ik met een blik op het mes.
“Dat mag je zelf doen.” Hij gooit het mes voor mijn voeten en maakt aanstalten om weg te lopen.
"Maar... Maar... Revan!" Ik kijkt vol walging naar mijn ooit zo prachtige wapen. Hij moest het zonodig wéér verpesten, nadat ik het net weer rechtgebreid had. Ik ben nog niet klaar met hem.
“Geen dank,” zegt hij alleen maar.
Ik heb het wel gehad. Iemand verdient zijn ontslag. Tijd voor plan B. Ik leg mijn hand op een ander mes. "Revan..." zeg ik op dreigende toon.
“Echt niet, Valerie.”
Ik slaak een oorverdovende gil. "Maar... Revan..."
“Aansteller,” bromt hij.
Er zit niet anders op. De show moet door, we kunnen niet niet in deze scène blijven hangen. Als we te lang blijven hangen komen de Beroeps ons van mijn eigen podium gooien, en dat zal ik nooit laten gebeuren. Ik kijk vol walging naar het wapen, buk en raap het mes op met mijn mouw, zodat ik het niet aan hoef te raken. "Iéuw!"
“Goed zo, grote meid,” mompelt hij terwijl hij wegloopt. Even voel ik de drang om het mes van achter in zijn longen te duwen, maar dat betekent dat ik het aan zou moeten raken. Later. Ik krijg mijn kans nog wel. In zijn laatste momenten zal hij ervaren hoe het voelt om een mes in je rug te krijgen. Letterlijk.
Ik steek het mes naast de rest, zorgvuldig, zodat het niet met mijn huid in contact komt, en ren dan achter mijn bondgenoot aan.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen