Een lichtflits. Onmiddellijk is het alsof de tijd bevriest. Ik voel mijn spieren verstarren, ik voel hoe mijn handen zich krampachtig om de messen klemmen. Ik voel angst, dat door mijn aderen vloeit en mijn ademhaling doet versnellen. Langzaam voel ik hoe die angst plaatsnaam voor een emotie die nog harder op mijn borstkas drukt. Haat. Woede. Mijn spieren staan zo strak gespannen dat ik mezelf voel schokken en trillen, terwijl de adrenaline door mijn bloed pompt. Langzaam til ik mijn hoofd op. Voor mijn ogen zie ik mijn bondgenoot veranderen. Hij wordt langer en slungeliger, zijn haar kleurt zwart en wordt stijl. De kleur verdwijnt uit zijn huid en zijn groene irissen worden langzaam lichtblauw. En opeens is Revan verdwenen, opeens is zijn plaats ingenomen door Marten. Marten Akuma Crosse, mijn broer. Wraak… Wraak… Wraak… Het galmt eindeloos door mijn hoofd en ik voel de controle als zand door mijn vingers glippen. Wraak… Eindelijk krijg ik mijn kans. Hij gaat eraan, we krijgen allebei waar we recht op hebben. Ik krijg mijn wraak. Hij krijgt zijn ondergang.
Met opgetrokken wenkbrauwen kijkt hij me aan, alsof hij de spot met me drijft. Alsof hij me uitdaagt. Hij gaat er spijt van krijgen. Van alles wat hij ooit gedaan heeft, hij zal er spijt van hebben dat hij niet gewoon is gestopt met ademhalen. Wraak…
Het laatste beetje controle over mijn spieren verschijnt en ik schiet als een raket naar voren. Het voelt of ik alles kan doen. Ik ben onoverwinnelijk, onsterfelijk, onovertroffen, onschendbaar en onverschrokken. Ik kan alles doen. Ik kan mijn mes recht door zijn schedel rammen, ik kan al zijn botten verbrijzelen, ik kan zijn vingers en tenen er één voor één afhalen, kootje voor kootje, in kan hem in reepjes snijden. Ik kan alles doen wat ik wil. Ik ben niet klein, niet zwak en niet zielig en dat ben ik nooit, nooit geweest. Ik ben sterker dan ooit. Wraak… Ik wil alleen nog maar wraak, zoete wraak, mijn moment, eindelijk. Wraak, wraak…
Op het moment dat ik uithaal heft Marten zijn handen op en vormt hij een kruis met zijn vingers. De tijd bevriest, de wereld houdt op te bestaan en het is alleen hij en ik, zwevend in de zwarte leegte. En dan begint alles te draaien. Mijn messen zijn verdwenen, het bloed is verdwenen, alles. Het draaien gaat steeds sneller en langzaam krijgt de zwarte leegte kleur.

Ik ben niet meer in de arena, maar Marten is er nog steeds. Ik ben er nog steeds, al is er van de woede en kracht niets meer over. De angst is terug. Doodsangst. En plots krijgt de vage structuur van de wereld om me heen weer vorm, en plots herken ik de plaats waar ik ben. Of beter gezegd, wanneer ik ben. Want ik ben thuis, op mijn verduisterde kamer, oog in oog met de gedaante van mijn tienjarige broer. In zijn ene hand heeft hij wat dingen uit de gereedschapskist van mijn vader die ik zo even niet thuis kan brengen, in zijn andere hand heeft hij zijn zilveren zaklamp en op zijn gezicht ligt nog steeds die grijns.
Ik hoor zijn stem, galmend door de kamer en door mijn hoofd. “Mama en papa zijn weg. Wil je dan nu voor me zingen, Engeltje?”
Ik voel hoe ik achteruit deins, naar de donkerste hoek van mijn kamer, en me zo klein mogelijk maak. Mijn ademhaling is snel en ongecontroleerd en ik beef als een rietje. Ik heb geen beheersing, ik kan niets beginnen.
“Ik kan je wel horen, Engeltje, maar ik wil je ook kunnen zien. Niet zo verlegen.”
Ik duik nog iets verder in elkaar en begin te snikken. “G-ga weg, laat me met rust.”
“Maar Engeltje, ik moet van mama op je letten, dat kan niet als ik je niet kan zien.” Ik hoor zijn voetstappen, dan ook zijn ademhaling, tot ik zijn hand langs mijn gezicht en door mijn haar voel strijken. “Ik heb je gevonden, Engeltje.”
De zaklamp knipt aan en ik gooi mijn handen voor mijn ogen. Een gil ontsnapt aan mijn mond.
Marten grinnikt. “Goedzo, Engeltje, zing maar. Nog iets harder.”
In gedachten schreeuw ik dat hij weg moet gaan, maar er komt geen woord uit mijn keel, enkel een schel gepiep.
“Dat was een beetje vals, Engeltje. Ik help je wel om het weer zuiver te krijgen. Kijk eens wat ik daarvoor heb.” Hij trekt mijn handen voor mijn ogen weg en houdt zijn andere hand in het licht. Een kleine hamer en een aantal afgedankte spijkers. Een vlaag verlammende angst schiet door me heen, omdat ik weet wat hij gaat doen. “Ga maar even op je rug liggen, Engeltje, en ontspan.”
“N-nee,” piept ik rauw. “Ga weg!”
“Nú graag, ik hou niet van wachten.”
Ik sla mijn handen weer voor mijn ogen en duik verder in elkaar. Ik bid dat hij weg gaat, maar dat gebeurt niet. Natuurlijk niet.
Ik hoor het geluid van metaal dat tegen de grond komt, de zaklamp klinkt uit en ik voel hoe twee koude handen zich om mijn hals sluiten. “Vandaag nog, Engeltje.” Hij dwingt me naar de grond, waar ik trillend van angst blijf liggen, doodsbang voor wat komen gaat. De koude handen vegen mijn haren van mijn schouders, waardoor het grootste gedeelte van mijn rug bloot komt te liggen. Dan pakt hij de zaklamp op en legt hem neer vlak voor mijn hoofd, recht in mijn gezichtsveld, en zet hem dan weer aan. Ik knijp mijn ogen dicht, maar het helpt niet tegen het felle, brandende licht. Marten gaat breed glimlachend voor me zitten, in het licht, en hij duwt de spijkers onder mijn neus. “Welke zal ik eerst testen? De scherpste of juist niet?” Hij trekt een bedenkelijk gezicht en kiest er dan een uit. “Ja, deze is perfect, de rest komt later. Goed, Engeltje, nu moet je heel stil liggen en dan kun je zo weer mooi zingen.” Hij laat zijn nagels over mijn schouders en rug glijden, en drukt dan opeens de spijker in mijn huid. Een felle pijnscheut gaat door met heen en een gil ontsnapt aan mijn mond. Mijn ogen vliegen wijd open, waardoor ik recht in het licht kijk. Marten grinnikt. “Dat klinkt al veel beter, Engeltje van me, maar ik denk dat het nog wel mooier kan.” Hij begint met de spijker over mijn rug te krassen, waardoor ik nogmaals gil, iets harder en dierlijker ditmaal. “Zie je wel dat je het kan? Kom op, nog een keer, ik wil het nog een keer horen.” Hij zet de spijker op mijn schouder en geeft er een zachte tik op met de hamer, waardoor de spijker zich een stuk in mijn vlees boort. De pijn en de angst zijn ondraaglijk, maar het is nog niet over. Ik begin harder te snikken, telkens onderbroken door gegil wanneer Marten de spijker in mijn huid duwt. Langzaam voel ik me misselijk worden. De wereld begint te draaien, steeds sneller bij elke pijnscheut. Dan wordt alles plotseling zwart en voel ik niets meer. Als dit dood is, dan voelt het verrassend veilig en aangenaam. Rustig en stil, vredig, perfect.

Plotseling wordt de stilte onderbroken door een schok die door mijn hele lichaam gaat, die alle pijn en alle herinneringen vanaf het moment dat ik Revan zoende in één klap wegvaagt. En dan kom ik bij.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen