Een minuut of twintig -schatten is moeilijk- lopen we zwijgend door, met mij en Revan voorop, Clara ergens ver achteraan en Chrysanthe ongemakkelijk een stukje achter mij en haar veel te duidelijke grote liefde. En dan gaat het opeens -bijna- mis: Revan merkt een van de vele spleten met lava -ze zitten echt overal, je kunt geen tien stappen zetten voor er weer een scheur in de grond zit- te laat op. Alle kleuren trekt weg uit zijn gezicht en hij verliest zijn balans. Even overweeg ik om hem dat laatste duwtje te geven, maar ik hou me in. Niet nu, niet op deze plek, niet op deze manier. Alles op zijn tijd.
Ik grinnik. “Even voor de duidelijkheid, die spleten zitten hier overal en we lopen hier al een paar uur. Hoe krijg je het in helsnaam voor elkaar om dan nú bijna in de lava te donderen? Het is niet dat het niet opvalt.”
Revan zet een stap naar achteren, weg van de spleet. “Ik eh… Ik keek even hoe diep die spleten waren, zo goed?”
Dat is één van de meest trieste smoesjes die ik ooit gehoord heb. Ik glimlach lieflijk naar hem. “Oh, aha. En, zijn ze diep genoeg om iemand levend in te laten verbranden?”
“Kijk zelf maar even, dan weet je het zeker.” Hij glimlacht zuur.
“Nee, niet nodig. Ik ben van mezelf al hot genoeg,” zeg ik naar waarheid. Clara is niet echt moeders mooiste en die trut uit 8 komt niet eens in de buurt van mijn level van schoonheid.
“Zolang je er zelf maar in gelooft, Engeltje,” grijnst de jongen, waarop ik hem een woedende blik toewerp. Die arrogante, achterlijke kwal. Had ik hem nou toch maar in de lava gedu- nee, Valerie, dat mag je niet denken. Denk aan het oorspronkelijke plan, dat wordt veel leuker dan hem in de lava duwen en hem levend zien verbranden, hoewel dat eigenlijk ook niet slecht klinkt.
Waar het om gaat, is dat hij niet door lijkt te hebben dat hij net als Clara en Chrysanthe niet met schoonheid gezegend is, zoals ik. “Ik denk dat jij het wel kunt gebruiken, je gedraagt je veel te cool.” Ik zwaai mijn haar over mijn schouders en kijk hem uitdagend aan.
“Zou dat niet handig zijn aan de andere kant van de arena?” vraagt Chrysante, niet echt aan iemand in het bijzonder. “Volgens mij zijn ze elkaars tegenpolen. Hemel en hel. Licht en donker. Warm en koud. Hot en cool. Net als jullie.”
Met een glimlach op mijn gezicht loop naar de jongen toe. “Tegenpolen trekken elkaar aan, hè schat?” Voor hij kan beseffen wat er gebeurd druk ik een zoen op zijn mond.
“Wat?” stamelt hij verbaasd als ik hem weer loslaat. “Val!” Hij stapt bij me weg en werpt me een geërgerde blik toe.
Ik lach even naar hem, dan naar Chrysante -die als versteend voor zich uit staart, lijkbleek- en loop dan door. Lang duurt het niet deze keer, want na enkele minuten zien we eindelijk de grote gestalte van een boom, eentje die niet zwartgeblakerd is, ook al staat hij helemaal in brand. Natuurlijk is het zeker niet.
“Volgens mij hebben we de boom gevonden…” Revan kijkt omhoog, met lichte fascinatie in zijn ogen.
Ik slaak een verveelde zucht. Dat had zoveel sneller gekund. Het is nu, schat ik, ergens aan het begin van de avond, en als we goed hadden doorgelopen waren we er een paar uur geleden al geweest. “Eindelijk.”
Chrysante rent veel te enthousiast op de boom af, gevolgd door Revan. Ik zucht en loop hen dan achterna. De boom is groter dan de rest van de bomen, is zowaar groen en er slaan vlammen uit de bladeren. Een boom die groen blijft, ondanks een bosbrand. Dat zie je ook niet vaak.
Revan fronst en kijkt naar het brandende geval. “Wat is dat?”
“Dat is een boom, lieverd, en dat leren de meeste mensen in 11 nog voor ze kunnen lopen,” antwoord ik, waarop hij een geërgerde zucht slaakt.
“Ja, maar de meeste bomen die ik in 11 heb gezien branden niet zonder dood te gaan.”
“Wat doet zo’n groene boom tussen allemaal verdorde Helbomen?” vraagt Chrysante.
Dat is de domste opmerking die ik ooit gehoord heb, sinds die van Revan. Ik zucht diep. Als ze hersenen heeft, waarom gebruikt ze die dan niet gewoon? “Branden, dat zie je toch?”
“Als je zo slim bent, kan je me dan ook uitleggen waarom hij daar staat?” zegt ze kattig.
“Natuurlijk,” zeg ik alsof ze een zesjarig kind is. Ik ben bang dat haar ongebruikte hersenen anders overprikkeld raken, en dat moeten we natuurlijk niet hebben.“Kijk, meid, we zitten in een spel genaamd de Hongerspelen. Het spel speelt zich af in een arena. In die arena zetten de spelmaker altijd geweldige dingen neer, zoals een prachtig kasteel of een waterval van bloed. Wij zijn nu in zo'n arena. En deze boom is een van die geweldige dingen, snap je?” Ik werp haar een zoete glimlach toe, om haar nog net wat meer te irriteren.
Ze trekt haar wenkbrauwen op. “Ik snap het, mevrouw Crosse.”
“Het is niet warm,” zegt Revan opeens, voor ik op Chrysante kan reageren. Hij is naar de boom gelopen en bestudeert de vlammen.
“Wat?” Ik loop naar hem toe en haal mijn hand door een van de vlammen. Geen hitte, niets. Zachtjes vloek ik. Nu kan ik niet eens proberen Revans dolk om te smelten tot een werpster. Teleurstellend. Als ík de spelmaker zou zijn, dan zou ik het in de hel ook echt heel maken. Dit is meer een wannabe-hel en een wannabe-boom. Het kasteel maakt veel goed, natuurlijk. Tenminste, dat zou het doen, als ik daar nu zou zijn. Ik zucht. Vandaag had zo mooi kunnen zijn.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen