Het volkslied dat door de arena galmt scheurt me weg uit de bodemloze put van mijn gedachten. Ik kom overeind en kijk naar de lucht. Eens kijken of ze -de nog levende tributen- nog wat voor me overgelaten hebben. Zo niet, tja, dan vermoord ik hen maar. Ik ga hier niet uit komen als een eerdere winnaar uit 11, de egocentrische, spuuglelijke Jacob die door puur geluk won en de eer van District 11 en geboren winnaars zoals ik ten schande bracht.
Felix uit 3 -het kleine bange jochie van tijdens de trainingssessies- is de eerste aan de hemel. Dat betekent dat de eentjes en tweetjes nog leven, maar dat is niets om ze mee te feliciteren, het zou schandelijk zijn om zo snel te sterven. Het betekent echter ook dat Felix’ districtsgenote, Down Pond, het irritante kreng dat me aanviel en mijn mes probeerde te jatten tijdens het bloedbad, haar verwondingen op magische wijze heeft weten te overleven. Typisch. Dat de kleine jongen dood is, is echter niet heel schokkend en zelfs vanzelfsprekend. "Ja, was te verwachten,” mompel ik in mezelf. “Als niemand anders het gedaan had, had ik het wel gedaan."
“Dus waarschijnlijk heeft hij geluk gehad,” hoor ik de stem van mijn bondgenoot vanuit het duister zeggen, als teken dat ook hij nog wakker is.
Ik knik -hij heeft wel gelijk, hoe jammer ik het ook vind- en kijk weer naar boven. In stilte hoop ik dat de regenboogpruim het loodje heeft gelegd, net als Rosalie, het kind dat in twee jaar tijd een onmogelijke gedaanteverwisseling heeft ondergaan van een overemotionele trut naar een ogenschijnlijk ‘getrainde Beroeps’. Yeah, right. Tuurlijk. We zullen het dan maar magie noemen, als we dan toch concluderen dat dat bestaat.
Het ding uit 5, dat onder mijn mes gestorven is, is de volgende die verschijnt, wat betekent dat zowel regenboogpruim, Rosalie als dat miezerige kleine kreng uit vijf nog op me wachten. Mijn hart gaat even sneller slaan bij de gedachte aan haar bloed dat van mijn wapen druipt, maar keert weer terug naar een normale hartslag als Revan zijn mond weer open doet.
“Niet kijken,” zegt hij. Het klinkt bijna alsof hij iets om me geeft.
Ik reageer door mijn ogen te bedekken en te kreunen, ook al doet zijn dood, zijn dood door mij, me niets. Het is zoals een dier vermoorden, een vreemd wezen. Het kan niemand iets schelen. Het beëindigde leven krijgt nu tenminste nog wat waarde. "Is dit nou echt nodig?"
“Je bent er nu vanaf.” Even zwijgt hij, misschien om zijn gedachten op een rijtje te zetten, misschien omdat hij zich afvraagt hoe ik zo kalm blijf, misschien allebei, misschien geen van beide. Misschien wel omdat hij is afgeleid door mijn schoonheid. Dat is tenminste een goede reden om te zwijgen. Maar hij doet zijn mond alweer open. “Dus alle Beroeps leven nog, net als Down en dat kind uit 5.”
"Mooi,” is het kalme antwoord dat ik hem geef. “Is er meer voor mij."
De twee uit 6, Sophie en Ivan, zetten de traditie van het zwakke District 6 voort door als volgende aan de hemel te verschijnen. Hopeloos, maar voorspelbaar.
“Oh, dat was heel District 6 dan,” zegt Revan, waarop ik knik.
"Het is 6, wat verwacht je? Die kunnen écht helemaal niets, nog hopelozer dan 8 of 9."
De jongen werpt een blik om het zwakke, hulpeloze meisje dat tegen hem aan ligt en knikt instemmend. “Goed punt.”
De volgende tribuut is, tot mijn grote spijt, Fester uit 7, met wie ik nog wel een leuk gesprek had willen voeren. Zijn districtsgenote echter, Alyssandre, met wie ik gisteren blijkbaar heb gevochten, moet nog in leven zijn. Ze is niet doodgegaan aan haar verwondingen en ze is niet opgevreten door een of ander beest of door iemand anders vermoord. Perfect. Dan kan ik afmaken waar ik aan begonnen ben. Ik slaak een semi-teleurgestelde zucht over de dood van de jongen, met de gedachte aan de snel naderende dood van het meisje in mijn achterhoofd. "Balen..."
“Je bent te laat,” zegt hij uitdagend, terwijl Chrysante’s districsgenoot, Simon, aan de hemel verschijnt. “Oh, daar is het andere achtje.”
Ik werp nog een blik op het slapende meisje. Dat gaat ze vast niet leuk vinden, of ze nou bevriend waren of niet. Een lach kruipt over mijn gezicht. "Moeten we dat haar vertellen?"
“Hm, misschien wel. Dat zou wel zo netjes zijn.” De quasi-onschuldige toon in zijn stem neemt me mee naar huis, naar District 11, naar mijn school, naar de plek waar Revan en ik samen waren. De plek waar de mensen tegen wie hij deze toon gebruikte niet beter wisten, en hetzelfde gold voor mij. Tegen degenen die wel beter wisten spraken we nooit. In plaats daarvan voedden we hen met zuivere angst. Opnieuw lach ik, en ik kijk weer omhoog als Lucy, het zoveelste hopeloze graankorreltje verschijnt.
Revan valt stil. Heel stil. Zijn ademhaling vertraagt, wordt iets zwaarder, alsof er een last op zijn borst drukt. Zijn gezicht kan ik niet zien, maar dat hoeft ook niet. Ik weet hoe hij nu kijkt. Ik weet wat hij gedaan heeft. Hij heeft haar vermoord.
"Wat kijk je schuldig. Wat heb je gedaan?" vraag ik hem, ook al weet ik het antwoord al.
Razendsnel herstelt hij zich. “Niets, ik... dacht gewoon even…”
"Je hebt haar vermoord," spreek ik mijn conclusie uit.
“Ja.”
"Hoe?"
“Ik…” Opnieuw vaart het even stil, “heb haar keel doorgesneden.”
"Is dat alles?" Iets in me zegt dat het dat niet is, en zijn gezucht bevestigt dat.
“Hoeveel details wil je?” Het sarcasme druipt er weer eens vanaf en hij focust op de lucht, waarschijnlijk in een poging duidelijk te maken dat hij er niet over wil praten, maar zo makkelijk maakt hij zich er niet vanaf.
"Alle. Vertel zo maar," zeg ik met een grijns. Holly is de volgende aan de hemel. "Oh, ze is inderdaad dood. Goh. Wat jammer nou." Echt gemeend klinkt het niet en dat is het ook niet. Het boeit me niet, helemaal niet.
Hij mompelt wat onverstaanbaars en blijft omhoog kijken.
"Ze had misschien een interessante bondgenoot kunnen zijn,” ga ik verder. “Maar goed, dood, levend, wat maakt het uit."
“Ik heb ze liever dood dan levend.” Volgens mij verpesten de Spelen zijn humeur een beetje.
Ik werp hem een half gekwetste, half uitdagende blik toe. "Mij ook?"
“Misschien.” De uitdagende toon is niet te missen, maar ik reageer er niet op doordat ik word afgeleid door de plots lege lucht.
"Oh..." zeg ik, oprecht verbaasd, terwijl ik aan de twee kleine kinderen uit het laatste district denk. Dat Gido uit 10 nog leeft had ik wel verwacht, maar die twee kinderen hadden al lang en breed dood moeten zijn, dat ze nog leven slaat nergens op. Vast een foutje. Dan moet ik maar zorgen dat ze er morgen wel staan. "De 12'jes leven nog."
“Dat is onverwachts.” Revan is al net zo verbaasd over de gedachte dat ze nog leven.
Ik glimlach even. "Nou, beter. Ik wilde dat meisje nog was bosbessen aanbieden."
“Alweer?” Hij grinnikt en ik knik.
"Ja, de vorige keer gaf iemand hier haar niet eens de kans om ze te proeven." Ik werp hem een beschuldigende blik toe. Haar dood had al op mijn naam kunnen staan, als die idioot zich er niet mee bemoeid had.
“Hé, het had sowieso voor problemen gezorgd anders!” zegt hij verdedigend.
"Ugh,” zucht ik geërgerd. “Dus, wat heb je met die 9 gedaan?"

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen