Het is maandag. Ik weet dat het maandag is, omdat ik me alles van deze dag herinner, van de ongebruikelijke kou tot de kleren die ik aan heb. Het is zo'n dag waarop iets gebeurd. Een dag waarvan je weet: vandaag verandert er iets. Vandaag wordt alles anders. En dat is precies hoe het gegaan is. Ik weet wat er gebeuren gaat maar heb geen controle over mezelf. Er is geen mogelijkheid om dit te veranderen. En op het moment dat de schaduw over me heen valt en mij en mijn hart in duister hult weet ik dat zeker. Deze grijze maandag verandert alles.
“Je was heel snel weg vanochtend, Engeltje.”
Mijn blik blijft op de grond gericht. Angst giert door mijn hele lichaam en het verlamt me. Er is niets, helemaal niets dat ik kan doen, en er is niemand die me gaat helpen. Daar zorgt hij wel voor.
“L-laat me met rust, Marten,” piep ik terwijl ik me zo klein mogelijk maak. Ik sta met mijn rug tegen de muur, letterlijk en figuurlijk. Schaakmat. Dit is zijn show.
“Maar Engeltje, ik ben er net. Ik ga helemaal nergens heen.”
Ik geef geen antwoord, maar voel de tranen over mijn wangen glijden. Alles wat ik gedaan heb om dit te voorkomen, alle trainingen. Hier en nu, op het moment dat het telt, maakt het geen enkel verschil. Ik ben even machteloos als altijd. Ik ben nog altijd te zwak. Er is niets dat ik kan beginnen tegen de grote jongen, tegen de angst die me overal volgt. Ik knijp mijn ogen dicht en wacht op het verblindende licht.
Voetstappen. Een dof geluid, een zachte duw en nog een schaduw die over me heen valt. De schaduw van een jongen, ongeveer even oud als ik, die met zijn rug naar me toe tussen mij en mijn broer in staat. Ik duik in elkaar, nog verder in het nauw gedreven. “Laat haar met rust!” doorbreekt een hoge stem de muur van angst om me heen. “Je ziet toch dat ze het niet leuk vindt?”
Een harde duw, afkomstig van mijn broer, werkt de kleine, donkerblonde jongen tegen de grond. "Hou je er buiten, jochie,” bromt hij, en dan kijkt hij mij recht aan, terwijl hij zijn hand opheft. De hand met de zaklamp. Mijn hart slaat een slag over en ik mijn ogen worden groot. Ik kan niet zeggen dat ik nog nooit zo bang was geweest. Want zo bang was ik elke keer. Mijn hele lichaam trilt en vechten en vluchten loopt door elkaar in mijn hoofd, nu ik tot beiden niet in staat ben. Het licht flitst aan en ik slaak een gil, terwijl ik mezelf probeer te beschermen tegen de felle gloed. Mijn ademhaling versnelt, mijn zintuigen schakelen zich uit, een rode waas verschijnt voor mijn ogen. Ik wil hem aanvallen, hem aan stukken scheuren, hem naar de hel sturen maar ik kan het niet. Ik kon het toen niet en misschien zou ik het nu nog steeds niet kunnen. Maar het is alles wat ik wil.
“Nee, laat haar met rust!” De jongen, die verrassend snel is opgestaan, springt opeens tussen mij en de lichtstraal in. “Dit is niet eerlijk! Zoek maar iemand van je eigen grootte!”
Mijn broer hurkt neer, tot hij met de kleine jongen op ooghoogte zit. Zijn ogen fonkelen woest en geïrriteerd en de gedachte dat hij hem misschien wel vermoordt schiet door mijn hoofd, maar de angst voor het licht, dat elk moment terug kan komen, is nog altijd sterker. "Iemand zoals jij, rotjoch?"
“L-laat haar met rust,” zegt de jongen koppig. Het volgende moment zakt hij door zijn knieën en valt hij op de grond. Aan de opgeheven vuist van mijn broer kleeft bloed.
En dan knipt hij de zaklamp uit en loopt dan weg. "Leer hiervan, rotjoch," gromt hij zonder zich om te draaien. Dan is hij opeens verdwenen, in een gordijn van grijze mist dat ik me niet kan herinneren.
De adrenaline ebt weg en laat me achter, onbeschermd tegen de vloedgolf van emoties, angst en machteloosheid die over me heen raast. De kracht en druk in mijn spieren verdwijnt, waardoor mijn knieën het begeven en ik op de grond in elkaar zak, als het zielige hoopje ellende dat ik ben. Was. Het loopt door elkaar, allemaal. Verleden, heden, vandaag, gisteren, morgen, pijn en verdriet. Morgen zal hetzelfde zijn als vandaag, is wat ik altijd dacht. Ik zat fout. Want deze dag, of het nou verleden of heden is, is een dag die alles verandert. Zo'n dag waarop je weet dat alles anders wordt. Het maakt me bang voor wat gaat komen, ook al weet ik wat dat is. Misschien jaagt het me daardoor juist wel meer angst aan. Het onbekende is eng. Maar het bekende is misschien nog wel veel enger. Ik weet niet meer waar ik ben. Ik weet niet meer wanneer ik ben. Ik weet niet meer wie ik ben. Ergens in het doolhof van tijd en herinneringen ben ik mezelf verloren.
“Gaat het wel?” De stem lijkt van ver te komen, maar dringt wel tot me door en haalt meteen terug naar dat moment. De stem van een jongen die ik niet ken, die mij niet kent. Die me ondanks dat hij niets van me weet geholpen heeft toen er niemand anders voor me was. Het maakt me bang, omdat het iets is dat ik niet kan gebruiken. Ik ben Valerie Angel Crosse. Al jaren doe ik alles alleen. Vertrouw niemand, behalve jezelf. Maar ik weet niet of ik mezelf kan vertrouwen. Twijfels geven me angst en de angst geeft me meer twijfels. En ze zijn er altijd. Jezelf helpen, voor jezelf zorgen, want als je anderen helpt, of als je anderen nodig hebt om jou te helpen, ga je ten onder in de storm van de maatschappij. Het is een egoïstische wereld en dat is het altijd geweest. Mensen zetten in de kern allemaal zichzelf op de eerste plaats. Anderen helpen slaat nergens op.
Maar deze jongen, wiens naam ik me niet kan herinneren binnen de grenzen van deze herinnering, heeft net wel de klappen die voor mij bedoeld waren opgevangen. "W-waarom...?" Mijn stem, nee, mijn hele lichaam trilt en mijn hoofd voelt wazig, verlamd in de stroom van verwarring en angst.
Twee armen om me heen, die als het ware een schild vormen dat me beschermt van de kou en de grijze mist. Een zesletterig woord schiet door me heen, maar het is weer weg voor het tot me door kan dringen. Maar het voelt fijn. Veilig. En zoveel minder eenzaam.
“Als hij weer zo tegen je doet, moet je maar naar mij komen, goed? Ik help je wel!”
Ik knik en kruip tegen hem aan, met mijn hoofd op zijn schouder en mijn ogen nog steeds gesloten, terwijl tranen van angst op de grond druppelen.
Een zachte kreun van hem verlaat zijn lippen, die me eraan herinnert wat Marten gedaan heeft.
Onmiddellijk laat ik hem los. "S-sorry," weet ik geschrokken uit te brengen.
De jongen glimlacht. “Geeft niet, niets aan de hand.” Even is het stil en blijven we zo zitten, ik tegen hem aan, hij met zijn armen om me heen. “Oh!” zegt hij dan. “Helemaal vergeten! Ik ben Revan, Revan Collins. Hoe heet jij?”
Herinneringen, alles wat er tussen dit moment en de werkelijke tijd is gebeurd schiet aan me voorbij. Het duurt even voordat ik de juiste woorden weer weet, voor ik weer weet hoe ik moet zeggen wat ik eerder deed. "V-Valerie,” zeg ik zacht. “Valerie Crosse." Heel even richt ik mijn blik op en kijk ik hem in de ogen. Dan kijk ik snel weer naar de grond.
Revan glimlacht. “Dat is een mooie naam. In welke klas zit je?”
"6b," antwoord ik kort, zodat de trillingen niet te veel doorschemert.
De jongen rommelt even in zijn tas en haalt er een verkreukeld papier uit. “Ja, dat dacht ik al! Ik ook!”
"Oh. Aha," is het enige antwoord dat me te binnen schiet.
“Kan ik je helpen?” Zijn bezorgde blik brandt op mijn huid, maar ik kijk hem niet meer aan.
"Dat heb je al gedaan," zeg ik, zo zacht dat ik niet zeker weet of hij het hoort.
Hij pakt mijn hand vast en knikt zelfverzekerd. “Als het weer gebeurt dan moet je het zeggen, dan ga ik je beschermen, goed?”
Ik knik. Ik lieg, dat weet ik nu. Ik zou hem nooit om hulp vragen. Ik zou hem nooit meer mijn klappen op laten vangen. Ik ben Valerie Angel Crosse. Ik ben de enige die de pijn van mijn strijd moet voelen. Hij niet. Hij, die me geholpen heeft, absoluut niet.
Hij staat op en steekt zijn hand naar me uit. Even aarzel ik, en dan steek ik mijn hand een klein stukje uit richting de zijne. Hij pakt hem vast en trekt me overeind, en opeens sta ik heel dicht tegen hem aan. Verschrikt stap ik een stukje achteruit, overweldigd door alle warmte die hij uitstraalt, en door de waas van mijn tranen kijk ik hem aan.
Hij pakt mijn andere hand, glimlacht. “Geen zorgen. Laten we nu eerst maar naar de klas gaan.”
Het enige was ik kan doen is knikken, zonder het oogcontact te verbreken, tot hij me meetrekt door de school.
Dan staat hij opeens stil en kijkt me ongemakkelijk aan. “Ik eh, weet de weg verder niet, dit is de eerste keer dat ik hier ben.”
Opnieuw knik ik, en deze keer leid ik de weg. Recht de grijze mist in. Zijn greep glipt tussen mijn vingers door en ik ben alleen. Alleen, maar niet helemaal. Een stem galmt door de leegte. Spreekt de woorden die ik zo goed ken dat ik ze mee zou kunnen praten als ze me niet zoveel angst zouden bezorgen. “Neem je kleine vriendje maar een keer mee naar huis, Engeltje. Dat wordt vast gezellig.”
Dreiging. Spot. Ik weet wat hij wilde doen. Ik weet wat hij van plan was. Maar ik wilde mijn enige vriend niet kwijt. En nu weet ik niet eens meer of we eigenlijk wel vrienden waren.
Marten stem blijft door mijn hoofd galmen, terwijl ik probeer weg te rennen door de mist. Ik hoor Revans stem, ver weg, maar veel zwaarder dan de stem van de kleine jongen. De mist kleurt langzaam zwart. En dan is alles donker. Dan is alles stil.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen