Een hoop stof in mijn gezicht en Revans geschreeuw zijn de dingen die me weer wegtrekken uit het kalmerende duister. Onmiddellijk schiet mijn hand om mijn mes. Een aanval. 's Ochtends. Terwijl ik wilde slapen. Wie het ook is, die persoon gaat zo levend gevild worden. Niemand verstoort zomaar mijn nachtrust en mijn mooie droom over zwarte leegte.
“Snel, Valerie, bedek je ogen! Het licht!” roept Revan.
"Wát?" Licht. Licht. Ze zijn erachter, oh God. Wie? Hoe? Was het duidelijk? Hoe lang weten ze het al? Hebben ze dit allemaal gepland, alles om mij uit te schakelen?
Kalmeer. Kalmeer nou, Valerie, kom op. Je kunt niemand villen als je in paniek bent. Misschien is het niet echt. Revan kletst maar wat. Revan is een sukkel. Hij weet niet waar hij het over heeft. Geen paniek. Niets aan de hand.
Zodra ik de hoop stof -een slaapzak- van mijn gezicht sla besef ik dat er wél iets aan de hand is, dat er wél een reden is voor paniek, dat er wél licht is. Ik sla mijn handen voor mijn ogen, de enige bescherming tegen het felle zonlicht die ik bedenken kan. Revan. Die achterlijke- Razend smijt ik hem alle scheldwoorden en verwensingen toe die 11 te bieden heeft, terwijl ik mijn ogen nog altijd bedek.
“Ik zei het toch! Ochtendhumeur,” hoor ik hem zeggen. Aan zijn stem te horen heeft hij hier behoorlijk wat lol in. Ochtendhumeur, zegt hij dan. Vind je het gek? Hij mag van geluk spreken dat ik hem nog niet aan mijn mes geregen heb.
“Goedemorgen, Engeltje,” zegt hij met een honingzoete stem tegen mij. “Goed geslapen?”
Ik grom en rommel in mijn rugzak op zoek naar iets om mijn ogen te beschermen. Die nachtkijker. Wie weet helpt het. Ik zet de rare bril over mijn gezicht heen en durf dan eindelijk mijn ogen weer te openen, wat een vergissing blijft te zijn: de nachtkijkers zijn helaas geen zonnebrillen. Integendeel, het zonlicht wordt juist versterkt. Had ik kunnen weten. Met een soort dierlijke kreet die ergens stand houdt tussen gegil en gegrom ruk ik de nachtkijker weer van mijn hoofd af.
“Die dingen zijn bedoeld om duisternis om te zetten in licht, niet andersom,” zegt Chrysante droog.
Ik negeer haar en trek mijn slaapzak over mijn hoofd. "Laat me gewoon slapen, achterlijke aardappel," snauw ik Revan zeer nijdig toe.
“Aardappels. Meervoud,” bemoeit Chrysante, die duidelijk niet op de hoogte is van de scheldwoorden die we in 11 gebruiken, zich ermee.
"Ik had het niet tegen jou. Voor jou heb ik wel ergere scheldwoorden in mijn vocabulaire,” sneer ik vanuit mijn slaapzak, waarop ze iets mompelt dat ik door de slaapzak niet echt kan verstaan.
“Engeltje van me, we hebben niet alle tijd. We zitten in de Arena, weet je nog?” zegt Revan, waarschijnlijk op mijn vriendelijke verzoek me gewoon te laten slapen.
"Voor jouw informatie, ík red me prima,” snauw ik hem nijdig toe. “Waar zie je me voor aan? Een zielige 8?” Ik haal diep adem en glimlach, ook al weet ik dat niemand het zal zien. “Niets persoonlijks hoor, Riverway,” voeg ik er op een heel wat vriendelijkere toon aan toe. Dat het wel degelijk persoonlijk is mag ze zelf wel bedenken.
“Nee hoor, nee hoor, Chrysa vat het nog wel een keer niet persoonlijk op,” hoor ik dat kind op een gedempte, maar sarcastische toon zeggen. Ik grijns tevreden. Ze vat het duidelijk heel erg persoonlijk op, mooi. Dat heeft ze wel verdiend.
Ik hoor voetstappen gevolgd door geritsel en een hand die aan mijn slaapzak schudt. “Kom er nou maar uit, voordat we je zo achterlaten,” zeurt mijn districtsgenoot.
Met het gesprek van afgelopen nacht in mijn achterhoofd laat ik mijn ogen vollopen met krokodillentranen, waarna ik langzaam uit mijn slaapzak tevoorschijn kom. "Achterlaten?" breng ik met trillende stem uit.
“Had iemand het hier over zielig?” mompelt Chrysante en ik moet de neiging een mes tussen haar ogen te gooien uit alle macht onderdrukken. Dat ze jaloers is op alles wat ik heb en zij niet -Talent, schoonheid en Revan, om maar wat te noemen- is nog geen reden om mijn geweldige, hoogstaande, schitterende performance te verpesten en dat laat ik haar nog wel weten. Voor nu is ze lucht, niets meer dan een lelijk stuk lucht, een verspilling van zuurstof. Ze bestaat niet nu.
De jongen zucht diep. “Geen zorgen, Engeltje, maar je moet nu wel opstaan.”
Ik kijk hem aan, slaak een zucht en kom overeind. "Oké dan..." mompel ik terwijl ik mijn troep bij elkaar begin te rapen.
“Dat viel nog best mee,” daagt hij me uit. “Je bent opgestaan en hebt nog niemand vermoord, ik ben trots op je.”
In plaats van de dodelijke reactie te geven waar hij waarschijnlijk op hoopte, tover ik een brede glimlach op mijn gezicht. "Weet je... Na ons gesprek gisteravond voel ik me anders. Beter. Alsof ik een nieuwe start kan maken." Vanuit mijn ooghoeken werp ik Chrysante een snelle blik toe. Ze kijkt me half verbaasd, half ongelovig aan en de jaloezie druipt van haar gezicht af, wat nog erger wordt als Revan terug lacht.
“Goed om te horen, Val,” zegt hij terwijl ook hij met opruimen begint. “Het is oké.”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen