Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik wil niets liever dan ervoor zorgen dat ze nooit meer zo sterk hoeft te zijn, en in ieder geval niet in haar eentje. Ik word echter genadeloos geconfronteerd met het feit dat ik dat niet kan. En er niets in de wereld wat me banger maakt dan dat.

Het was november vorig jaar, bijna december. Nog voor de ontvoering van Jack Lockley, nog voor dit alles begon. We waren gewoon thuis en vonden het geweldig dat we samen een thuis hadden om in thuis te zijn. We hielden van elkaar, zonder te weten hoe beangstigend die liefde ooit zou kunnen zijn, als de ander in gevaar is.
Ik struikelde over mijn eigen voeten en probeerde me zonder succes vast te grijpen aan de lucht. Met een verontwaardigd geluid viel ik languit op mijn rug op de vloer van de woonkamer, bij de keuken. Geschrokken viel Paige op haar knieën bij me neer.
‘Nathan?! Gaat het?!’
Ik moest lachen om haar onnodige bezorgdheid en trok haar bovenop me, waarna ik haar kuste. Half lachend bleven we zoenen. Na een tijdje verging het glimlachen ons en werd de kus iets serieuzer, iets meer. Ik draaide ons om, waardoor zij op de grond lag en ik bovenop haar.
Na een tijdje trok ik me iets terug en liet mijn vingertoppen over haar wang glijden.
‘Je bent zo mooi,’ prevelde ik verwonderd en ze wendde haar blik af. Het bloed trok naar haar wangen in 's werelds schattigste blos. Ik kon niet voorkomen dat ik grijnsde. ‘Heb ik het bij het verkeerde eind, of is het me gelukt om Paige Bourgeoiselle - haast de meest serieuze persoon op aarde - aan het blozen te krijgen?’
Haar wangen werden nog roder.
‘Denk je dat jíj me aan het blozen kan maken?’ Ze probeerde duidelijk iets van arrogantie in haar stem door te laten klinken, maar eigenlijk stotterde ze het een beetje.
Ik trek plagend een wenkbrauw op en zei: ‘Dus als ik bijvoorbeeld zeg dat je mooier bent dan alle sterren in de hemel bij elkaar, dan ga je niet blozen?’
Ze perste haar lippen op elkaar en keek me geïrriteerd aan, ondanks dat ze toch nog heviger begon te blozen. Ze keek me waarschuwend aan en zei: ‘Pas maar op dat je niet te ver gaat, Darling.’
Door de por die ze in mijn ribben gaf, ging er een schok door mijn lichaam. Alles was zo veel makkelijker toen ze nog niet wist dat ik heel slecht tegen kietelen kan.
Ze maakte gebruik van mijn instabiliteit door ons weer om te draaien, waar ik helemaal geen bezwaar tegen had. Ze kuste me weer, alsof dat het enige was wat ze ooit nog wilde doen, alsof er geen anderen in de wereld waren die ons ooit wat aan zouden kunnen doen.
Ik zou zonder twijfel een arm of been geven om terug te kunnen gaan naar dat moment, toen alles nog veilig was en het vanzelfsprekend was dat ik haar in mijn armen kon houden en kon vertellen dat ik van haar houd.
Het is een dag of vijf geleden sinds ik haar voor het laatst gezien heb, toen haar moeder was overleden, en ik heb helemaal niets meer van haar gehoord. Ze zou dood kunnen zijn en het zou weken kunnen duren voordat we het zouden weten. Misschien zou ik het helemaal nooit zeker weten. Misschien verdwijnt ze wel gewoon.
Ik kan er niet aan denken. Ik kan het niet verdagen om eraan te denken.
Ik denk aan niets anders.
In de late ochtend van de vijfde dag sinds haar laatste bezoek, is George Corrans er wel even. Al snel word ik geroepen om naar wat camerabeelden te kijken, waar hij met een groepje agenten peinzend naar aan het kijken is. Het is een serie beelden van willekeurige bewakingscamera's in een stad die ik niet ken. De straten zijn in beeld.
Er lijkt een soort achtervolging gaande te zijn, met een heel stel gepantserde voertuigen die achter een eenzame motorrijder aan zitten. Aangezien hij of zij een motorhelm draagt, zie ik niet wie het voor moet stellen.
'Wat kan ik voor jullie betekenen. Is er nieuws?' vraag ik.
George wijst naar de motorrijder.
'Is dat Paige?' vraagt hij.
Er wordt me een stoel toegeschoven, waar ik snel op ga zitten. Ik buig me richting het beeldscherm en kijk goed.
'Ik weet het niet zo goed. Ik heb haar nooit motor zien rijden,' geef ik toe, nog altijd aandachtig de beelden bestuderend. 'Is dit live?'
Hij knikt en wrijft over zijn kin.
Dan zie ik de motorrijder - of rijdster - een bocht maken en even om haar schouder kijken. Iets in die beweging is zo herkenbaar dat ik meteen zeg: 'Dat is Paige. Ik weet het zeker.'
'Heel zeker?'
'Honderd procent.'
Er borrelen wel duizend vragen in me op, maar ik durf ze niet te stellen, bang voor de antwoorden. Ik zit verstijfd van angst op mijn stoel, starend naar het beeldscherm.
Het duurt niet lang voordat Paige klem wordt gereden. Ze probeert weg te komen, maar de weg loopt dood en de auto's komen van alle mogelijke richtingen. Ze sluiten haar in. Ze probeert nog met een scherpe bocht weg te komen, maar de motor slipt en ze valt. Ik herinner me haar gewonde been, en alle blauwe plekken. Ze zei heel nonchalant dat er een motor op was gevallen. Blijkbaar is dit hoe zulke dingen gebeuren.
Er stappen een aantal mannen uit de auto's en ik maak een verstikt geluid, te bang om echt iets te kunnen zeggen. Hoewel ze gewapend zijn, maken ze geen aanstalten om haar dood te schieten. Een aantal komen echt wel dreigend op haar af. Ze schuift een beetje angstig weg, nog altijd half liggend half zittend op de grond, maar ze komt onoverkomelijk uiteindelijk terecht bij de muur van de doodlopende weg.
Één van de mannen - ik herken hem niet - stapt naar voren en grijpt haar bij haar keel. De motorhelm wordt van haar hoofd getrokken, en nu wordt bevestigd dat het inderdaad Paige is. Ze heeft een bloedneus. Haar haren zitten door de war. Ze ziet er verdwaasd uit, bijna bewusteloos. Zelfs op deze nogal slechte camerabeelden kan ik zien hoe doodsbang en opgejaagd ze is.
Ze gaat dood. Ik weet zeker dat ze doodgaat. Dit is het moment. Ik ga de liefde van mijn leven live zien sterven op televisie. Mijn hele leven gaat instorten in drie... twee...
Ze geeft de man echter vrij vloeiend een kopstoot. Hij laat haar verschrikt los en grijpt naar zijn pijnlijke neus. Ik heb geen woorden om mijn verbazing te beschrijven wanneer ze zijn nek breekt alsof het geen kracht kost, maar waarschijnlijk weet ze vanaf jongs af aan al heel, heel goed hoe dat moet.
Het vuur wordt nu op haar geopend, maar heel slim zijn ze niet, want ze slaagt er zonder al te veel moeite mee om de dode man als schild te gebruiken. Bij de eerste de beste kans die ze krijgt maakt ze een duikvlucht naar de dichtstbijzijnde lege auto en scheurt weg. Tijdens het wegrijden weet ze van alle andere auto's minstens één of twee wielen lek te schieten. Ik sta met mijn mond vol tanden, ook al zou het me niet moeten verbazen.
Niemand zegt iets. We blijven haar gewoon volgen tot ze de stad uit rijdt en niet meer op de camera's te zien is.
'Wat de fuck was dat?' weet ik uiteindelijk uit te brengen.
'Heel indrukwekkend. Dat was het,' brengt George Corrans uit. 'Nou, ze is niet dood. Dat is het goede nieuws. We hebben geen idee wat er nu gaat gebeuren. Dat is iets minder goed nieuws.'
Ik knipper een paar keer met mijn ogen.
'En nu?'
Hij haalt zijn schouders op.
'Nu moeten we gewoon... wachten tot we weer wat informatie krijgen. Dit gebeurt al twee weken zo. Ze duikt ergens op, en verdwijnt weer. We proberen haar gewoon zo goed mogelijk te volgen,' legt hij uit.
Ik voel een naar gevoel over me heen komen waaien. Ik zou zo ontzettend graag meer voor haar willen doen.
Aangezien er nu niet echt meer iets is wat we kunnen doen, zegt hij, ga ik maar weer verder met mijn dag. Ik probeer elke dag wat te sporten, maar het gebrek aan ruimtelijke vrijheid zorgt dat ik vooral beperkt wordt tot pushups, squats en sit-ups terwijl Charlie in mijn oor probeert te likken. Het helpt om een beetje actief te blijven, en om alle zorgen ook maar voor een paar minuten op afstand te houden. Vandaag, echter, zijn er niet genoeg pushups die mijn armen aankunnen om de angsten te verdrijven. Ik blijf maar aan Paige denken, doodsbang en verstikt.
Het is een uur of half vier 's middags wanneer ik het maar gewoon opgeef en op bed ga liggen, hopend eventjes te kunnen gaan slapen. Ik lig echter nog maar een paar seconden wanneer Charlie in paniek raakt en jankend tegen de deur naar de gang begint te krabben. Ik kom meteen overeind en doe de deur open.
Hij rent meteen blaffend de slaapkamer uit en ik ga hem geschrokken achterna. Ik hoor een soort algehele opschudding, ongeveer tussen de ingang van het gebouw en de eetzaal. Eerst vermoed ik het alleen maar, maar dan weet ik zeker dat ik Paige hoor.
Wanneer ik de hoek om loop en haar wankel in mijn richting zie lopen, ren ik naar haar toe. Hoewel ik nergens bloed zie, lijkt het alsof ze elk moment van haar stokje kan gaan en kan ik haar nog maar net opvangen. Ze klampt zich angstvallig aan me vast.
'Er gaat iets gebeuren,' weet ze trillerig uit te brengen. Ze snikt 'Er gaat iets gebeuren. Ik weet niet wat er gaat gebeuren. Ik weet niet wat ze gaan doen. Ik weet niet hoe ik je kan beschermen.'
Ik trek haar dicht tegen me aan, alsof ik haar zo af kan schermen voor alles wat haar zoveel angst in heeft geboezemd.
'Hé, het is oké. Gewoon rustig ademen,' sus ik haar terwijl ze beeft in mijn armen, haar vingers klauwend in mijn mouwen.
'Er gaat iets groots gebeuren.' Ik heb haar zelden zo paniekerig en bang gehoord. Haar hele lichaam is klam en beverig. 'Ik... I-Ik... Ik weet niet...'
Haar lichaam verslapt. Al snel besef ik dat ze flauw moet zijn gevallen. Een aantal agenten, die haar blijkbaar achterna waren gekomen, kijken me minstens even geschrokken aan als ik hem.
Na een kort moment van verwarring til ik haar op. Ik moet naar Everett, de arts. Ik draag haar er naartoe en val zonder te kloppen zijn behandelkamer binnen.
Hij kijkt in eerste instantie geïrriteerd, maar dan ziet hij Paige en komt bij meteen overeind.
‘Leg haar maar meer,’ zegt hij snel. ‘Wat is er gebeurd.’
Stamelend probeer ik uit te leggen wat me net overkomen is. Het is ‘s werelds meest warrige verhaal, maar hij lijkt het te begrijpen.
Hij onderzoekt haar en ik kijk gewoon hulpeloos toe. Ik kan mijn rechterknie niet helemaal stilhouden. Hij blijft maar trillen.
Na een tijdje wendt hij zich tot me en gebaart naar een stoel: ‘Nathan, knul, ga anders even zitten.’
En ik ga zitten. Ik kijk nog altijd verbleekt naar Paige, die zelf ook minstens net zo witjes lijkt.
‘Ik denk dat het een combinatie van omstandigheden is. Ze staat al meer dan twee weken constant op scherp. Ze is een beetje uitgedroogd, merk ik. Ze eet weinig. Ze slaapt weinig. Ze staat constant onder druk. Ze lijkt niet echt gewond. Het lijkt meer alsof ze gewoon van uitputting en stress ingezakt is, wat meer dan begrijpelijk is,’ legt hij uit. ‘Ik ga haar zo aan een vochtinfuus leggen en dan kunnen we beter wachten tot ze gewoon wakker wordt. Dan kan ze ook wat eten. Waarschijnlijk zal het dan een stuk beter gaan.’
Ik knik stilletjes en hij gebaart naar een deur.
'Kun je haar dragen? Ik heb daar een bed liggen,' zegt hij.
Ik knik meteen en til Paige op, met één arm onder haar knieën en een andere arm om haar rug. Hij doet de deur voor me open en we komen inderdaad aan bij een kamertje met een wit ziekenhuisbed. Ik leg haar zo teder mogelijk neer op het zachte matras en dek haar toe, strijkend over haar haar en murmelend dat het wel goedkomt.
Everett legt haar aan een vochtinfuus en neemt dan wat bloed af. Hij zegt bijna zeker te weten dat ze niet vergiftig is, maar toch even bloedonderzoek te willen doen. Ik knik. Ik wil gewoon alleen maar bij Paiges bed zitten en haar hand vasthouden.
Het verbaast me eigenlijk hoe snel ze weer wakker wordt. Eigenlijk zou me dat niet zo moeten verbazen, want ze is gewoon flauwgevallen en niet in een coma. Het duurt maar een minuut of tien, misschien een kwartiertje, voor haar ogen weer opengaan.
Meteen ga ik op de rand van het bed zitten. Ik forceer een waterige glimlach op mijn gezicht. Voorzichtig strijk ik met mijn hand over haar wang en ze kijkt me gedesoriënteerd aan.
'Hé, liefje. Ben je er weer?' vraag ik.
Het duurt even voordat ze het kan verwerken, maar dan knikt ze weer. Haar ogen vallen bijna weer dicht, maar ze slaagt erin om wakker te blijven.
'Hoe voel je je?' vervolg ik mijn verhoor. 'Weet je nog wat er gebeurd is?'
Dat laatste lijkt haar weer bang te maken. Ze schiet overeind en probeert meteen uit bed te komen. Ik houd haar angstvallig tegen.
'Wacht. Liefje, wacht. Één seconde,' zeg ik snel, waarna ik zo voorzichtig mogelijk het infuus uit haar arm haal. Ik weet dat ik haar niet tegen kan houden, maar ik kan er tenminste voor zorgen dat ze zichzelf niet verwondt.
Ik laat haar weer los en ze komt overeind. Ik vang haar op. Everett komt nu ook weer binnen. Ik zie de frustratie op zijn gezicht. Paige is zo'n beetje de moeilijkste patiënt die je als arts kunt hebben. Ze werkt niet bepaald mee, over het algemeen.
'Oké,' zegt hij. 'Het goede nieuws is dat je bloedwaardes vrij normaal zijn. Je hebt bloedarmoede, maar Nathan vertelde me al dat dat niets nieuws is. Het slechte nieuws is dat je mijn baan echt heel moeilijk maakt als je opeens uit bed begint te springen en zo. Niet meer doen.'
Hij gaat er op zich best goed mee om.
'Oké, Paige, als je denkt dat je nu niet onmiddellijk flauw gaat vallen, kun je beter met Nathan naar de eetzaal gaan om iets te eten. Ik denk dat dat geen overbodige luxe is,' legt hij uit.
Paiges angstvallige verkramptheid trekt niet weg.
'Er gaat iets gebeuren,' brengt ze weer uit. 'Ik weet niet wat ik moet doen.'
Ik sla een arm om haar middel.
'Je moet eten. Dat is wat je moet doen. Daarna zien we wel verder. Kom mee,' gebied ik haar, waarna ik haar voorzichtig richting de eetzaal begint te leiden. Tot mijn grote genoegen komt ze gewoon mee, deze keer.
Aangekomen in de eetkamer zet ik haar neer in een stoel en zoek ik net zo lang rond tot ik een bord met eten verzamel heb. Ik pak er een glas water bij en zet het voor haar neer.
'Nathan, ik-' begint ze weer angstig.
'Ik weet het, lieverd. Wat er ook aan de hand is, daar maken we ons zometeen wel weer zorgen om,' probeer ik haar gerust te stellen.
Ze knikt vermoeid, geeft er eindelijk aan toe. Ze begint langzaam te eten. Ze blijft een beetje trillen. Ik weet dat ze sterker is dan wie dan ook, maar ik kan alleen maar zien hoe klein en kwetsbaar haar lijfje eruitziet. Het lijkt alsof er ontzettend veel geweld over haar wordt uitgestort, en ik kan zo ontzettend weinig voor haar doen.
Beetje bij beetje weet ze het eten weg te werken, maar het lijkt moeilijk te gaan. Haar lichaam lijkt niet meer te werken.
Wanneer ze klaar is met eten, geef ik haar een kus op haar hoofd en vraag ik: 'Gaat het weer een beetje?'
Ze knikt stilletjes.
'Ik... Nathan, i-ik weet niet of ik dit nog twee weken volhoud.' Er staan tranen in haar ogen. 'Mijn... Mijn vader heeft gewoon een heel leger aan mensen tot zijn beschikking en i-ik weet niet hoe lang ik het nog kan... kan redden. Nathan, ik weet niet of ik dit... of ik dit kan... of ik dit ga...'
Er is niets in de wereld wat me banger maakt dan wat ze nu suggereert.
'Jawel. Lieverd, dat kun je wel. En anders blijf je gewoon hier. Bij mij. Laat me jou nou ook eens beschermen,' zeg ik angstvallig. 'Maar geef niet op. Gewoon... doe wat je wilt, maar zeg zoiets nooit meer.'
Ze bijt op haar lip, bijna in tranen. Ze doet haar mond op en om iets te zeggen, maar wordt onderbroken door de deur, die met een luide klap geopend wordt.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen