hi y'all dit is soort van een warming up voor mijn vermogen om dingen te schrijven ehh geen zorgen het wordt beter haha

HOOFDSTUK 1. Succulenten en thee

                       

Toen ik mijn dag begon, had ik niet nagedacht over de mogelijkheid dat het waarschijnlijk mijn laatste in District 3 zou zien - ik bedoel, in dat geval had ik mijn tijd beter besteed, meer tijd doorbrengen met familie en vrienden en zo.
      In plaats daarvan begon ik de dag met het kopen van een succulent.
      Het was een kleine plant - korte, dikke groene bladeren die zich langzaam naar binnen vouwden, staand in een al net zo klein, geel bloempotje. Ik was enkel van plan geweest om de boodschappen te doen voor mijn oma, maar ik heb nooit veel zelfcontrole gehad, en zo duur was hij niet.
      In ieder geval, nadat ik het plantje op mijn vensterbank had neergezet en het water had gegeven, besloot ik het Kore te noemen, omdat het schattig klonk. Daarna kwam ik beneden voor het ontbijt.

Mijn opa en oma sliepen iedere dag uit, en, omdat ik een ochtendmens was, maakte ik ze iedere ochtend wakker. Ik schudde dan zachtjes hun schouders, daarna iets harder, en daarna trok ik de dekens van hen af - niets nieuws.
      En zoals iedere dag zei mijn oma: “Oh! Sorry, lieverd. Morgen kom ik er zelf uit!”, terwijl mijn opa zachtjes mopperde. Hij lachte enkel nadat hij zijn thee had gedronken. Dus, ook zoals gewoonlijk, haalde ik een kopje achter mijn rug vandaan en bood het hem aan waarop opa een zacht bedankt mompelde.
      Alles volgens routine, voor jaren en jaren. Routine was belangrijk, veilig. Ik hield niet van verandering.

Ik vond koken best leuk. Het gaf rust en orde voordat de dag begon, alle ingrediënten kwamen van hun plek en werden weer teruggelegd en de potten en pannen belandden in de gootsteen, om na het ontbijt afgewassen te worden door mijn grootouders, tenzij het weekend was - dan hielp ik ze. Vandaag was echter een schooldag, dus ik probeerde ze werk te besparen door enkel eieren te bakken.
      Nadat ik mijn grootouders hun ontbijt had voorgezet en zelf aanschoof, schraapte mijn opa zijn keel.
      “Persephone.”
      Ik keek op van oma’s krant, die ik ondersteboven probeerde te lezen. “Ja?”
      “Persephone, lief… de Boete,” zei oma, en haar stem klonk een beetje benepen.
      Mijn keel werd droog, waarop ik slikte. “De- de Boete,” herhaalde ik zacht. De Boete, loterij met als prijs- wel, de Hongerspelen.
      Ik was het vergeten.
      Ik legde mijn handen op mijn benen en balde ze tot vuisten. “Het is vandaag, hm?” mompelde ik.
      “Hoe kun je dat vergeten, Perce?” bromde mijn opa. Er lag een ongemakkelijk lachje onder. “Hebben ze het er niet over op school? Het lijkt me belangrijk dat-”
      “Ze hebben het er vast over op school!” onderbrak ik hem met de onmiddellijke neiging om een vraag te beantwoorden. “Eh, denk ik,” kwam er ongemakkelijk achteraan. Ik had niet heel veel vrienden - wel, eigenlijk maar één (op school, ten minste). Het is niet ik niemand mocht, maar ik kende de mensen in mijn klas niet goed genoeg om er één een vriend te noemen behalve misschien Arate (en Nate, mijn buurjongen). Maar Arate was vrienden met iedereen, dus dat telde niet echt en-
      “Percy?”
      “Huh?”
      Mijn oma maakte een draaiende beweging met haar vinger - spiralen, wat betekende dat ik mezelf in gedachten had verloren. Dat gebeurde soms… een paar keer per dag, zeg maar.
      “Oh. Ik bedoel, zeg maar, dat niemand het er over heeft, snapt u? Het is een deprimerend onderwerp dus iedereen negeert het en ik wist dat het eraan zat te komen, maar niet dat het vandaag was?” Ik stopte even om adem te halen, en toen ik verder wilde uitleggen, bedacht ik me. Ze snapte het wel. “Ik dacht dat ik vandaag school had,” lachte ik nerveus.
      Oma keek me fronsend aan, maar zei niets.
      “Ik heb nog wel ergens een jurk, denk ik, en ik neem gewoon Kore mee als aandenken, maar ik word toch niet getrokken, dus het maakt niet zoveel uit…”
      Ik had door dat mijn grootouders bezorgd waren, maar ik merkte er verder niets over op. Niet getrokken worden was niet iets waar ik honderd procent zeker was - zelfs met mijn vier kaartjes tegenover de duizenden - honderdduizenden? - anderen in de Boetebol was er altijd de mogelijkheid dat ik de ongelukkige tribuut van het jaar zou zijn. Het was gewoon fijner om niet over die optie na te denken.
      Mijn opa onderbrak de stilte met: “Wie is Kore?”
      Ik nam even de tijd om mijn brood te kauwen en door te slikken. “Nieuwe plant. Wil je haar zien?”
      Opa rolde met zijn ogen, waarop ik breed glimlachte. Ik wist niet of hij Kore wilde zien, maar ik besloot dat dat me toch niet uitmaakte en liep naar mijn kamer om het plantje op te halen.
      “Percy?” hield mijn oma me nog snel tegen.
      Snel draaide ik me om. “Ja?”
      “Ga je je ook omkleden?”
      Verbaasd trok ik mijn wenkbrauwen op, en keek toen naar beneden. Tuinbroek en T-shirt - niet bepaald een outfit gepast voor de Boete.
      Ik mompelde knikkend een “Komt goed.” en draaide me om naar de gang, die vanuit de keuken naar de slaapkamers ging.

Het huis van mijn grootouders was - wel, niet erg groot, maar het kon erger. Het was een klein gebouw gemaakt van wat cement en hout, dat ik eeuwen geleden geel had geschilderd. Binnen hadden we gelukkig behang met bloemetjes, wat er een stuk beter uitzag dan het grijze steen en oude hout.
      Zolang ik er gewoond had, sinds ik één jaar oud was, had ik ervan gehouden. Het was allemaal wat somber begonnen aangezien mijn grootouders aan het rouwen waren - voor mijn ouders, die ik nooit heb gekend - maar hoe ouder ik werd, hoe sterker ik erop stond dat we het wat gezelliger maakten. Op mijn zesde hadden we de muren behangen, en op mijn tiende had ik toestemming gekregen om de buitenkant te beschilderen.
      Mijn favoriete deel van het huis was echter de tuin, een stuk grond van een paar vierkante meter dat er treurig uit zou zien, had ik er niets geplant. Voor heel lang was dat het geval geweest en had ik vanuit mijn raam enkel wild gras en de schutting gezien, tot het zo deprimerend werd dat ik er niet meer tegen kon, en besloot er iets aan te doen.
      De oplossing? Planten. Tientallen planten en bloemen, tot het niet meer in de tuin paste en ik binnenshuis verder ging met planten op mijn kamer, die van mijn grootouders, in de keuken en dan nog wat. Ik hield van planten, van bloemen, van tuinieren in het algemeen - niet dat er veel opties waren in District 3. De lucht, zelfs verder van het industriegebied af, was vervuild. Dit was niet optimaal voor tere bloemetjes, of planten in het algemeen als je niet goed voor ze kon zorgen. En, wel - tuinieren was een van de weinige dingen waar ik goed in was. Mijn planten hadden jaren en jarenlang gegroeid.
      Ook op mijn vensterbank stonden planten, op de plek waar ik normaal een wekker zou neerzetten als mijn biologische klok zijn werk niet deed, en één van die planten was nieuw: een succulent genaamd Kore.
      Snel klom ik over de dekens, kussens en knuffels heen om er bij te komen en bleef even op handen en knieen zitten om er even na te kijken. Toen cupte ik mijn handen om de bloempot en klauterde van mijn bed af om terug naar de keuken te gaan - en draaide me meteen om omdat ik was vergeten me om te kleden.
      Terwijl ik Kore op mijn bureau zette, trok ik mijn eerste outfit uit.
Ik keek in de spiegel met een frons en trok wat aan mijn vlechten. Het probleem met vlechten was dat je kon zien dat ze gemakkelijk en snel waren gedaan en wel, normaal maakte me dat niet veel uit, maar het was de Boete. Had het Capitool een straf voor er niet mooi genoeg uitzien? Dat zou me niets verbazen.
      In ieder geval, ik trok de vlechten eruit en verving ze voor… hoe werden ze genoemd, space buns, dacht ik? In ieder geval, die dingen.
      Met mijn haar gedaan - zo goed als ik kon, tenminste, ik deed mijn best - bleef er enkel het probleem van kleding over. Zie, ik had niet zoveel met mode. Mijn enige ervaring ermee was wanneer Arate ooit had besloten dat ik hulp nodig had.
      “Persephone,” had ze gezegd, “dit kan toch zo niet?”
      Nadat ik had gevraagd waarom, gebaarde ze naar wat ik op het moment droeg. “Je ziet er haast uit als een jongen in die kleding,” vertelde ze me. Voordat ik haar kon antwoorden dat ik dat geen probleem vond, ging ze verder. “Je moet eens een jurk dragen. Het zou je zeker leuk staan.”
      Die dag was ik met Arate gaan winkelen - op haar geld, iets dat ze zich als dochter van de burgemeester kon veroorloven - en na lang zoeken en veel afgewezen jurken (“te laag, te kort, te doorschijnend”) had ze uiteindelijk een lichtblauwe jurk met een bloemenpatroon voor me gekocht. Ik heb het kledingstuk één keer gedragen om haar blij te maken en daarna heeft het de kast niet meer verlaten.
      Ik besloot dat het vandaag wel een geschikte keuze zou zijn. Snel trok ik de jurk over mijn hoofd, pakte Kore en liep terug naar de keuken.

“Wat vind je van haar?”
      “Mooi,” zei opa, terwijl hij met zijn rug naar me toe bij de kapstok stond.
      “Opa-”
      Hij draaide zich om met mijn wollen vest in zijn hand en liet zijn ogen over me heen glijden, tot zijn blik landde op de plant. Opa’s ogen verzachtten een beetje. “Heel mooi.”
      Ik wist niet of hij het over mij of Kore had. “Bedankt.”
      Mijn oma keek op van haar krant en haar lippen krulden omhoog. “Je ziet er prachtig uit, lieverd. Waar heb je die jurk van?”
      Bloed stroomde naar mijn wangen. “Dankuwel,” mompelde ik. “Ik heb hem met Arate gekocht.” Mijn handen vonden de rand van mijn jurk en friemelden er wat mee.
      Het was even stil voordat mijn opa de stilte doorbrak. “Je moet zo gaan, toch, Percy?”
      “Ik… ja, we moeten een half uur van tevoren bij de Boete zijn,” antwoordde ik hem. Met een iets te harde klap zette ik Kore neer en pakte mijn schoenen van onder de kapstok vandaan, terwijl mijn opa mijn vest over mijn schouders legde.
      Vlugge vingers werkten de veters los, ver genoeg dat ik de laarzen aan mijn voeten kon krijgen.
      “Maak je je zorgen?” De stem van mijn oma zette mijn vingers stil voor een paar seconden, voordat ik ze weer in beweging zette om mijn sok op te trekken.
      “Ja,” antwoordde ik enkel. Het was niet zo diep - natuurlijk maakte ik me zorgen. Ik wilde niet dat ik getrokken werd - eigenlijk hoopte ik erop dat niemand getrokken zou worden.
      “Hoe vaak zit je er ook alweer in?”
      Ik maakte de dubbele knoop in mijn veters af voordat ik mijn mond weer opende. “Vier keer maar. Iemand in mijn klas heeft de kans dat iemand met vier kaartjes getrokken zou worden berekend - geen zorgen, hij is nauwelijks aanwezig,” giechelde ik, ook al was er niet veel om over te lachen.
      Langzaam liet mijn oma een zucht over haar lippen glijden. “Okay, dat is niet zo erg,” zei ze, en ik wist dat ze zowel zichzelf als mij ervan wilde overtuigen.
      “Nope!” Ik lachte een beetje nep, hopend dat mijn grootouders het niet doorhadden, en stond op. “Ik denk dat het tijd is om te gaan,” kondigde ik aan met een blik op de klok. Ik opende de deur, maar voor ik er een voet buiten kon stappen hield mijn opa me tegen.
      “Jas aan, Percy- en… wel-”
      Ik trok mijn cardigan aan. “Wat?”
      Hij leek iets te willen zeggen, maar in plaats daarvan drukte hij enkel een kus op mijn voorhoofd. “Ik hou van je.”
      “Ik ook van u!” zei ik meteen, en wierp een blik op oma. “En van u.”
      Toen stapte ik de deur uit, en deed hem achter me dicht.


                       

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen