Foto bij H101: Even tijd voor mezelf ~ Halatir

In gedachten verzonken keek ik voor me uit. Ik zat op een uitstekende steen van een rots die boven de zee uitstak, waardoor de frisse zeelucht mijn haren in de war blies. De archipel was verlaten, wat goed was: ik had even tijd voor mezelf nodig. Hoewel de demonen in mij onrustig waren en om bloed en dood smeekten, lieten ze me over het algemeen met rust. “Je blijft maar aan dat meisje denken… Wie is ze?” vroeg één van hen opeens en ik zuchtte. Konden ze me nooit met rust laten? “Een oude vriendin van me”, antwoordde ik luidop, want er was toch niemand. Het bleef stil in mijn hoofd en mijn gedachten vlogen weer naar Khana. Het was nu al even geleden sinds de laatste keer dat ik haar gezien had, terwijl het daarvoor al enkele jaren geleden was. Ze was veranderd, op een positieve manier. Nu was ze volwassen en leefde ze haar eigen leven, maar haar karakter was nog steeds hetzelfde. Nog steeds even aangenaam. Meteen snoof een oudere demon in mijn hoofd en zei: “Het lijkt alsof je verliefd bent op haar.” Ik lachte humorloos en schudde mijn hoofd. “Nee, niet verliefd. Zij was de enige die in mij geloofde, de enige die met mij om wou gaan en daarna de enige die ik kon vertrouwen in dat kamp…” zei ik mijmerend en nog een andere demon vroeg: “Heb je haar daarom uit die brand gered? Zodat ze bij jou in dat kamp moest zitten?”

Meteen voelde ik woede opkomen en ik riep: “Dat is niet waar!” De demonen hadden deze reactie duidelijk niet verwacht en bleven verrast stil. “Dat is niet waar…”, zei ik toen zachter en ik greep mijn bovenarmen beet. Ik had haar niet daarom gered… Ik had haar gered omdat ze mijn vriendin was, ook al was dat verboden en werd ik ervoor gestraft. En verdomme, ze leek zo bang in dat vuur; ik had gewoon geen andere keuze dan haar te redden. Gefrustreerd sloeg ik op de rotsbodem naast mij en ik ademde hevig in en uit. Waarom kwam deze herinnering trouwens nu net naar boven? “Omdat je om haar geeft, ook al werkt ze nu samen met jouw vijand”, zei een demon walgend en ik zuchtte diep. “Dat kan helaas nog kloppen ook…”, antwoordde ik na een korte stilte en ik stond op, om dan een schaduwportaal te maken. Hoewel dit soort portalen voor normale magiërs levensgevaarlijk waren, was dit voor mij een koud kunstje geworden dankzij mijn demonen. In een mum van tijd was ik terug in mijn ondergronds rijk en ik strekte me uit.

“Heruamin?” hoorde ik opeens iemand onderdanig zeggen en ik keek om. Een jonge zwarte elfin stond met gebogen hoofd bij de muur van mijn kamer te wachten en ik knikte als teken dat ze verder kon praten. “We hebben hem. Rin en Rikku zijn meteen met enkele helpers naar daar gegaan zodra mevrouw Manovi zijn locatie had doorgegeven en nu hebben we hem”, zei ze en er klonk een soort van opwinding in haar stem, maar die verdween toen ik haar donker aankeek en ze wendde haar blik nederig naar de grond. “Ik kom”, zei ik enkel en ze knikte, waarna ze maakte dat ze weg kwam. Ik wreef even met een zucht over mijn slapen, maar liep toen met grote passen mijn kamer uit. Terwijl ik door de gangen wandelde, hoorde ik iemand licht hinkelen en meteen vertraagde ik mijn pas. Ik wachtte tot de persoon mij had ingehaald en op rustig tempo liep ik met hem mee. “Morchiant”, zei ik en knikte even waarderend. Hij knikte terug en zei: “Heru Halatir. Ik heb geruchten gehoord dat je…” “Ze kloppen”, onderbrak ik hem en hij fronste, maar knikte toen. “Je weet dat ik hier niet mee kan helpen? Deze soort magie is voor de hoge priesteressen”, zei hij toen en ik knikte weer. “Daarom kwam ik naar hier”, zei ik en keek naar de grote poort waar ik voor was gestopt.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen