Ondanks dat ik nu in de pauze een groepje had om bij te zitten, werd het pesten erger. De woede over Lucas leek alles nog erger aan te sporen, al gingen de meeste pesterijen niet eens meer om hem. Toen er een jongen me voor de les probeerde te laten schrikken door in mijn oor te gillen, duwde ik hem van schrik van me af en was hij gevallen. Na de les had hij zijn wraak geuit door me van de trap te duwen.
Ik vond het moeilijk om me nog goed op school te focussen als ik me continu bewust moest zijn van wat ik deed, waar ik naartoe ging en wie er om me heen waren. Blijkbaar merkten de leraren dat ook, en ik was een paar keer aangesproken op de plotselinge daling in mijn cijfers. Ik was bang dat ik het aan mijn moeder moest gaan vertellen, iets waar ik op dit moment nog al tegenop zag.
Het ging namelijk niet erg goed met haar zwangerschap. Ze was vaak misselijk en had vaak pijn, en af te toe waren er plotselinge bloedingen die haar zorgen deden doen maken. Ik wilde daar niet nog meer zorgen en pijn bovenop doen.

Toch kon ik het even later niet meer voor me houden. Ma had eindelijk weer een goede dag waarin ze het huis uit kon, en we gingen samen naar het winkelcentrum.
Ik liep voorbij een rek met spijkerbroeken in een klerenwinkel terwijl ma naar T-shirts stond te kijken, toen er een bekende stem ‘hee wat krijgen we nou, Jonathan!?’ riep. Het was één van mijn klasgenoten. Ik deed alsof ik hem niet hoorde, maar wat er alleen maar voor zorgde dat hij opnieuw riep: ‘Hee, manwijf!’
Mijn moeder keek geschrokken op, en staarde naar mij en toen naar de jongen die geroepen had. Ik probeerde mijn blik nog steeds af te wenden alsof hij het niet tegen mij had, maar toen hij naar me toe kwam en tegen me probeerde te praten beende ik gauw weg en sleurde ik mijn moeder mee de winkel uit.
‘Hoe weet hij-‘
‘Doet er niet toe’, zei ik nors. Mijn hart bonkte in mijn oren. ‘Zullen we alsjeblieft naar huis gaan?’
‘Jennie…’ mompelde mijn ma. Ze zag er ontzettend bezorgd uit, alsof ik haar zojuist had verteld dat ik ongeneselijk ziek was. ‘waarom noemde hij je zo?’
‘Kunnen we alsjeblieft naar huis?’ drong ik door. Ik wilde er niet over praten, en al helemaal niet in een overvol winkelcentrum.
‘Oké,’ gaf mijn moeder toe ‘maar, als we thuis zijn wil ik met je praten.’

De busrit naar huis was pijnlijk en ongemakkelijk. Ik probeerde een paar keer een gesprek over iets luchtigs te beginnen, maar mijn moeder leek nog steeds veel te erg in beslag genomen door wat er in het winkelcentrum gebeurd was. We spendeerden grotendeels van de busreis naar buiten kijkend, starend naar hoe de regendruppels langs de ruit gleden.

Toen we thuis waren wenkte ma me om bij haar aan de keukentafel te gaan zitten. Ik keek haar niet aan terwijl ik de stoel naar achteren trok en aan de tafel plaats nam.
‘Jennie…’ Er klonk zo veel pijn en zorgen door in haar stem. Het voelde onmenselijk om haar hart te moeten breken nu ze er al zo gepijnigd en verdrietig uit zag. Ik wenste dat ik iets te zeggen had wat een glimlach rond haar lippen kon toveren, niet iets waardoor ze zich alleen nog maar meer zorgen moest gaan maken.
‘Mam’, zei ik terug.
‘Jennie, waarom wist die jongen… hoe je vroeger heette? Ik dacht dat je me verteld had dat je niet wilde dat de mensen hier er vanaf wisten. Is hij een vriend van je? Waarom spreken je vrienden je zo aan?’ ze sprak erg zacht, alsof ze aan het bed van een zieke zat.
‘Hij is mijn vriend niet’, zei ik kortaf. ‘Mam, maak je alsjeblieft niet zo veel zorgen om me. De enige over wie jij je op dit moment moet ontfermen is jezelf.’
‘Jennie!’ Dat was de eerste keer in het gesprek dat iemand hun stem had verheven. ‘Je bent mijn dochter! En ik ben niet kreupel of debiel, alleen zwanger. Liefje, ik wil weten wat er aan de hand is, en het maakt niet uit als het geen goed nieuws is. Ik val heus niet uit elkaar ervan.’
Ik haalde diep adem en bleef naar mijn vingers staren. De nagellak die ik de dag ervoor op mijn nagels had gedaan begon al weer in een hoekje er af te vallen. ‘Ik… er… er was een foutje gemaakt op mijn eerste schooldag, en ze hebben per ongeluk mijn oude naam laten vallen. Dat is alles.’
‘Waarom deed die jongen zo gemeen?’ Blijkbaar zag mijn moeder iets van kwelling in mijn gezicht wat ik zelf nog niet had opgemerkt, want ze reikte over de tafel naar mijn hand en legde die van haar er troostend bovenop.
‘Ze mogen me niet zo, in de klas. Ze vinden me raar, en laatst is er een jongen uit onze klas van school gegaan vlak nadat ik een… botsing met hem had, en nu denken ze dat ik er voor gezorgd heb dat hij weg is.’ Ik probeerde alles zo onverschillig te vertellen, maar mijn stem was breekbaar en trilde een beetje.
‘Lieverd…’ mijn moeder boog zich over de tafel en pakte mijn hand ook met haar andere hand vast. ‘Word je gepest?’
Ik haalde mijn schouders op en bromde iets onverstaanbaars. Ik bleef het geen leuk woord vinden; “pesten”. Het was iets waar ik niet toe aan wilde geven.
‘Het waait wel weer over’, zei ik gauw. ‘Beloofd.’
‘Jennie, dat kun jij niet beloven, dat moet toch echt vanuit hun komen. Moet ik op gesprek gaan op school?’
‘Alsjeblieft niet’, smeekte ik.
‘Wil je… naar een andere school?’
‘Het waait wel weer over,’ herhaalde ik ‘we moeten het gewoon… geen aandacht geven.’
‘Hoe erg is het?’
Ik durfde daar geen antwoord op te geven, bang dat ik het te dramatisch zou laten klinken, al wilde ik ook niet zeggen dat het alleen maar wat plagerijtjes waren. ‘Het zijn vooral nare opmerkingen,’ besloot ik toen te zeggen ‘ik ben nog nooit in elkaar geslagen of zo.’
‘Hebben ze je ooit geslagen?’
‘…ja.’
Tot mijn verschrikking werden mijn moeders ogen vochtig, en bij dat aanzicht begonnen mijn ogen plotseling ook te prikken.
‘Je kunt dit niet zomaar laten gebeuren,’ zei ma gedecideerd ‘we moeten er echt iets aan doen.’
‘Ik ben al naar de leraar geweest, hoor,’ zei ik ‘maar die kan er ook niet veel aan doen. Ga alsjeblieft niks raars doen, mam. Ik zit de laatste tijd in de pauze bij een paar aardige mensen aan de tafel. Als ik hun beter leer kennen zal het heus wel goed komen.’
‘Dus je hebt wel vrienden?’
‘Jawel. De meeste van hun ken ik niet zo goed, maar wat jongens die ik beter ken zijn heel aardig.’
‘Zij... noemen je toch geen Jonathan?’
Mijn hart sprong even op van schrik toen ik mijn moeder die naam opeens weer uit hoorde spreken.
‘Nee, natuurlijk niet.’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here