De vorige nacht

Za’afiel wandelde in zijn droom door een groen bos, hij wist niet precies wat hij hier deed. Zijn gedachte ging over naar dat hij ergens op ging jagen. Want zijn honger leek nooit stil te kunnen worden.
Dit bos was speciaal, Za'afiel merkte dat meteen. En in eerste instantie viel het niet op, maar het bos begon heel langzaam dood te gaan. De lucht om hem heen begon langzaam vochtiger te worden en in eerste instantie dacht hij dat het bijna begon te regenen. Langzaam veranderde dit groene bos tot rot zwart. Bijna zo zwart als hijzelf.
De geur veranderde naar muf en de dood. Tot het zelfs voor hem misselijkmakend werd.
“Maak jij mij nog trots?” Za’afiel keek om zich heen, maar kon niet zien wie tegen hem sprak.
“Laat jezelf zien,” Riep hij, terwijl hij opnieuw om zich heen keek om te kijken of de stem zich liet zien. Maar het leek alsof er niets gebeurde.
Het bleef ook wel vrij lang akelig stil en Za’afiel wandelde verder door dit verrotte bos, de wereld leek er niet beter van uit te zien, zelfs het gras onder zijn voeten voelde nat en rot. Alsof hij compleet werd onthuld in rot. De bladeren van de bomen droop als het waren van de bomen waarbij een hoopje zwart pus tegen de zwarte stammen aan lag.
“Het is al zolang geleden dat ik je had gezien, waarom kom je nooit eens even langs?” Za’afiel wist echt niet waar die stem het over had en keek opnieuw om zich heen, maar hij zag opnieuw nergens iemand staan.
“Ik ken je helemaal niet, waarom zou ik langs komen?” zei Za’afiel grommend.
De situatie beviel hem al helemaal niet. Hij wist niet wat hij verwachten moest van deze stem. Of deze gebeurtenis bij elkaar.
“Ben je mij nu al vergeten? We waren zo close met elkaar.” Die zin alleen al voedde Za’afiel’s woede.
Za’afiel wandelde verder in de hoop de stem achter zich te laten, en voor heel even leek dat ook het geval te zijn. De omgeving was nu compleet rot, het gras was rot, en beschimmeld. Het was echt niet comfortabel om over te lopen, en de geur was ook ondragelijk geworden.
De stammen van de bomen stonden krom alsof het rot en pus de boom liet bezwijken onder hun eigen gewicht.
“Wat vind je van je ziel? Ik vind het echt prachtig, ik ben blij dat je niets bent veranderd, zelfs na zo’n lange tijd.” Door de misselijkheid kreeg Za’afiel amper kans om te spreken en keek toch opnieuw om zich heen om te kijken of hij die stem kon vinden.
“Je kan mij echt niet meer herinneren, dat doet mij nou echt zeer.” Een zwart gewaad zweefde voor Za’afiel waar hij nu naar keek, en keek hem lichtelijk grommend aan.
“En dan doe je ook nog eens zo onaardig tegen mij, och, arme Za’afiel, ben je dan toch zo ver van je pad afgedwaald?” Za’afiel leek er vrij weinig van te begrijpen en keek hem alleen aan in de hoop dat hij meer zou spreken, maar dat was echter niet het geval.
Na een korte staarwedstrijd wandelde Za’afiel maar weer terug, in de hoop minder misselijk te worden van de geur om zich heen. Maar het gebied leek er helemaal niet beter op te worden. Alles was zwart, de grond was zwart, het voelde aan als pus, hij voelde zich vies. Zelf het bloed van zijn vijanden voelde tien keer beter dan waar hij nu op liep.
“Je kan niet opnieuw van mij ontsnappen. Ik heb jou nooit uit het oog verloren, Za’afiel. We hadden zoveel plannen samen.” Waarom klonk het alsof zij de liefde hadden verklaard aan elkaar. Za’afiel kende deze man niet eens, en gaat al helemaal niet een relatie beginnen met een man.
“Je was mijn schattige huisdier draakje~.” Za’afiel keek abrupt om en keek hem toen met woedende ogen aan, alsof hij nu wel ineens wist waar hij over praatte. In werkelijkheid, dat woord maakte hem gewoon woedend.
“Ik hield er altijd van als jij mij zo aankeek, nu ben ik daar niet zo zeker van.” Het wezen keek Za’afiel met een neutrale blik.
“Wat wil je van me,” zei Za’afiel grommend, terwijl hij probeert zijn maag onder controle te houden niet te kotsen.
“Het liefst wil ik dat je terug naar huis komt, Za’afiel. Maar ik weet dat je vanzelf terug naar mij komt. En daar wacht ik dan maar op.” Za’afiel keek woedend maar deed het gewaad niets, hij wist mogelijk al dat hij hem niets aan kon doen. Zeker niet hier.
“Ik ga helemaal niet naar jou toe, ik leef waar ik wil leven. Laat. mij. met. rust!” En met dat liep Za’afiel verder door dit verrotte bos, tot hij zich realiseerde dat dit wezen mogelijk de oorzaak was van dit, en stopte opnieuw.
“Laat je mij nog hier uit, of hoe zit dat?” hij keek opnieuw om, maar er was daar niemand.
“Kom je mij dan eens bezoeken? We hebben veel te bespreken.” Za’afiel zuchtte grommend en moest daar even over nadenken.
“Misschien ooit,”
“Dat is fijn om te horen, Za’afiel, tot snel. En weet wel, jij kan niet wegrennen van jouw lot.” Za’afiel zuchtte opnieuw wanneer hij ineens naar zichzelf bleek te kijken, bij een meer dat bijna net zo zwart eruit zag als het gehele bos. Het feit dat zijn reflectie zichtbaar was, is een wonder. Hij bleef ernaar staren tot het beeld zich vervaagde, hij merkte dat hij wakker begon te worden.
Eenmaal wakker keek hij op vanwaar hij lag. Hij was even niet zeker of het een droom was of niet. Hij wist wel dat fijn iets heel anders betekende. Hij voelde zich nog steeds misselijk van die verrotte bos. Hij kon nog prima herinneren hoe het gras onder zijn poten aanvoelde, hoe de geur door zijn neus heen boordde. Hij wilde overgeven als dat kon, maar het gebeurde niet.
En wanneer hij lichtelijk opkeek zag hij Kevalth naar hem toe wandelen, en ging toen recht voor hem zitten.
Za'afiel keek hem toen aan.
“Jij gaat verhuizen?”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen