Dit hoofdstuk bevat heftige spoilers voor het verloop en het einde van Like a Ray of Sunshine van Virtues en mijn eigen I Promise You, I'll Come Back (lees die maar gewoon niet, alsjeblieft) omdat dit hele hoofdstuk min of meer over dat einde gaat.
Bij dit hoofdstuk ook even een trigger warning:
in dit hoofdstuk wordt Josiahs zelfmoord besproken. Niet in detail, maar genoeg om mogelijk heftige emoties op te roepen.
Als je naar aanleiding van dit hoofdstuk iets wil delen of ergens met me over wil praten, staat mijn inbox natuurlijk open.

Dat bonnetje blijkt uiteraard onvindbaar, en dus sjok ik die avond zonder een manier om van Ada af te komen richting Luna's kamer. Ik vind mijn zusje in kleermakerszit op een stapel kussens op de eikenhouten vloer van haar kamer, starend naar een grote, glazen wand, die uitkijkt op een uitgestrekt bos. Ik herken de plek, omdat ik er vorig jaar uren achter elkaar naar gekeken heb. Het is de arena.

Luna kijkt niet op als ze me binnen hoort komen, maar schuift een stukje op en gebaart dat ik naast haar moet komen zitten. De glitters heeft ze alweer uit haar haren gewassen, en ook de make-up, en galajurk zijn verdwenen. In plaats daarvan draagt ze een simpele, blauwe pyjama aanheeft en haar haren gewoon in losse plukken langs haar gezicht hangen, waardoor ze heel even weer gewoon mijn vijftienjarige zusje is, in plaats van mijn volwassen mentor. Maar zodra ik de starende, haast verlangende blik zie waarmee ze naar de bomen achter het glas kijkt, weet ik dat ze allebei is, altijd.

"Dat is de arena, nietwaar?" vraag ik zacht. Ik laat me langzaam naast haar op de kussens zakken, en kijk naar de bomen op de wand. De bladeren ritselen, en ik kan de wind die er doorheen blaast haast voelen. Ook al weet ik dat het maar een projectie is, een of andere vreemde Capitooltechniek, het voelt echt alsof buiten deze kamer Luna's arena begint.

Ze knikt en trekt haar knieën op. "Het helpt me nadenken," zegt ze dan. "Ik heb er speciaal om gevraagd. Dingen zijn anders in de arena. Ik wil zeker weten dat mijn keuzes daar de juiste waren."

Ik sla mijn arm om haar heen en ze legt haar hoofd op mijn schouder, en even staren we samen naar de plek die ons allebei zoveel verdriet gebracht heeff. "Dit gaat om hen," concludeer ik dan voorzichtig. Het gaat om haar bondgenoten, om de mensen die haar nauwelijks kenden en toch haar leven redden, terwijl zij dat niet terug kon doen.

"Natuurlijk." Luna's stem is nauwelijks meer dan een breekbare fluistering. "Het gaat altijd om hen." Ze trekt haar knieën nog wat verder op, en richt dan een afstandsbediening, die ze stevig in haar handen geklemd houdt, op de glazen wand. Het beeld verandert, en even is het alsof we door de bomen heen rennen, als spelende kinderen in de bossen achter ons huis. Het voelt als vroeger, het voelt als thuis, maar zodra het bos overgaat op een kale vlakte, dringt de harde realiteit weer tot me door. Dit zijn niet de bomen waar we vroeger tussendoor renden, waar we hutten in gebouwd hebben, waar we uren konden spelen en waar we ontsnapten aan de andere bewoners van ons district. Tussen deze bomen heeft vuur gewoed, bloed gevloeid, zijn levens verloren gegaan en is mijn zusje een moordenaar geworden.

Luna geeft de afstandsbediening aan mij, en gaat voor de glazen wand staan, waar de Hoorn des Overvloeds en de afgrond inmiddels opdoemen. "Iets naar rechts," zegt ze dan zacht, en ze strekt haar hand uit naar de wand. "Chris, andere rechts." Ze werpt een teleurgestelde blik over haar schouder. "Naar de afgrond."

"Ja, ik doe mijn best." Ik druk een ander knopje in, en laat me door Luna's instructies lijden, tot ik op de rand van de afgrond het beeld tot stilstand laat komen.

Ze houdt haar blik op het scherm gericht, op de kloof die voor haar opdoemt, en hoewel ze in haar pyjama staat en helemaal gezond is, lijkt het weer precies op dat moment, een jaar geleden. "Ik heb je nooit alles over Josiah verteld, of wel?" vraagt ze dan. Ze spreekt de naam uit alsof het de belangrijkste klanken zijn die ooit bestaan hebben, alsof het om haar meest dierbare bezit is, ook al is het slechts een herinnering.

"Je hebt me verteld dat hij je leven meerdere keren gered heeft," begin ik aarzelend, terwijl ik in mijn hoofd af ga wat ik eigenlijk over de jongen weet. Een tribuut uit District 4, de Beroeps die nooit had willen gaan, die onder bescherming van zijn zus de arena binnenging, maar uiteindelijk mijn zusje weer naar huis liet komen. Door het Capitool gepresenteerd als een door liefdesverdriet gekwelde jongen, die na het verlies van zijn zus en zijn nieuwe geliefde niets anders meer te verliezen had. Ze heeft zijn naam talloze keren genoemd, verteld hoe dapper hij was, maar nooit een woord gerept over wat er precies gebeurd is, die middag aan de rand van de afgrond. En de officiële beelden toonden alleen Luna, die in zijn hand kneep, maar hem toen losliet. Dan een sprong, een val, een kanonschot. Het einde van een verhaal. "Hij was een held."

"Hij was zoveel meer." Luna balt haar hand tot een vuist, maar laat hem dan weer slap langs haar lichaam hangen. "Het was nooit de bedoeling dat we bondgenoten zouden worden, en het zou nooit gebeurd zijn als hij mijn leven niet gered had, toen ik was aangevallen door die mutilanten. Ik was Abby kwijt, hij Claire, en behalve ons was alleen Robbert nog over. We vormden een team, omdat we wisten dat we alleen samen een kans tegen hem maakten. Dus zodra Robbert dood was, had ieder ander zich tegen me gekeerd. Hij had het makkelijk gekund. Maar toen plaats daarvan stelde hij voor dat we ons de volgende dag hier zouden ontmoeten." Ze haalt even diep adem, en als ze haar hand voorzichtig uitsteekt naar de wand, zie ik dat die alweer trilt. Al het stabiele is aan het wegvallen, en ineens lijkt het beeld van de afgrond nog echter dan voorheen, terwijl ze haar trillende handen uitsteekt naar de diepte. "Toen ik de volgende dag hier aankwam, stond hij op de rand. Hij vroeg me om zijn familie te vertellen dat hij van ze hield, en zei dat hij weer bij Claire zou zijn. Ik liet hem los, en hij sprong." Ze laat zich door haar knieën zakken, nog steeds met haar handen richting de afgrond. Maar Josiah is er niet. De afgrond is er niet. Het is gewoon een wand, in gewoon kamer in het Capitool. De tijd draait niet terug voor een dode jongen en een gebroken meisje. "Toen hij viel, wilde ik hem vangen. En als we nu weer aan de afgrond zouden staan, zou ik dat weer willen. Ik kan niet nog eens kijken hoe iemand valt. Maar hem opvangen zou niet de juiste keuze geweest zijn. Dit was Josiahs beslissing, en het doet heel veel pijn. Maar het was zijn beslissing, en die respecteer ik nu." Haar stem slaat over, en verandert in een hees gesnik, terwijl ze haar wangen probeert droog te vegen. "Josiah Judas Rhodès." Haar stem hapert bij iedere klank, maar ze gaat door tot zijn volledige naam met zijn klanken de kamer vult. "Ik zal de jongen die sprong om mij te laten leven nooit vergeten." Met haar hoofd in haar handen blijft ze voor de afgrond zitten, terwijl ze haar schokkerige ademhaling weer onder controle probeert te krijgen.

Ik laat me naast haar op de grond zakken en trek haar dicht tegen me aan, sla mijn armen om haar heen, en beloof haar in stilte dat ik haar niets laat gebeuren. Haar woorden over Josiah galmen door mijn hoofd, en ineens zie ik die grijsgroene ogen weer voor me. Wat er met Luna's bondgenoten gebeurd is, was niet haar schuld. Hun dood heeft haar pijn gedaan, maar hun dood heeft haar ook thuisgebracht, terug naar mij. Als ik thuis wil komen, heb ik iemand nodig. "Luna," besluit ik dan zacht, nog niet zeker genoeg om het echt hardop uit te spreken, "ik heb me bedacht. Ik wil wel een bondgenoot. Ik wil Daniel aan mijn zijde hebben, als ik deze hel in ga. Ik kan dit niet alleen." Mijn stem is heser dan ik zo willen, trilt en slaat dan over, als de emoties ook mij teveel worden.

Luna geeft geen antwoord, maar houdt zich stevig aan me vast en begraaft haar hoofd in mijn schouder. Even blijven we zo zitten, in onze pyjama's, op de grond, voor een projectie van de afgrond die alles veranderde, huilend om alles waar we niets aan kunnen doen, en om de dingen die we moeten doen, maar eigenlijk niet durven.

Uiteindelijk pakt mijn zusje de afstandsbediening en drukt op een paar knopjes. De afgrond verdwijnt, en maakt plaats voor een sterrenhemel. In het donker nestelt ze zich weer tegen me aan, en samen kijken we naar de sterren. Ook al is het maar een projectie, het zijn er zoveel, dat ik niet anders kan dan me afvragen of iedereen die weg is daarboven is. Mama, alle overleden tributen, en in het bijzonder Josiah. In mijn hoofd bedank ik de jongen, zoals ik al zo vaak gedaan heb, maar deze keer voelt dat eindelijk als genoeg. Ik kan nu loslaten, achteruit stappen en verdergaan.

"Chris?" Als Luna weer praat, is haar stem nog breekbaarder dan voorheen. "Wil je bij me blijven vannacht?"

Ik sluit mijn ogen, terwijl ik luister naar haar hartslag en ademhaling, die versmelten met de mijne. "Natuurlijk," zeg ik. "Net als vroeger."

“Net als vroeger,” herhaalt ze zachtjes. Ze drukt zich tegen mij aan en ik sla mijn armen steviger om haar heen, niet van plan om haar ooit nog los te laten. En heel even is alles goed.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen