Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik voel dat ze iets probeert te zeggen, maar ze weet niet meer waar ze moet beginnen of eindigen. Ze weet niet meer hoe woorden werken. Ze is helemaal de weg kwijt. Maar ik begrijp het. Ik begrijp wat ze wil zeggen, en ik voel wat zij voelt.
‘Ik weet het, liefje,’ beloof ik haar zachtjes, waardoor ze enigszins ontspant. ‘Ik weet het.’

Die avond, nadat ik gedoucht heb, vind ik Paige in ons bed. Ze ligt op haar zij, met haar rug naar me toe, zodat ik niet kan zien dat ze huilt. Maar ik hoef het niet te zien. Ik weet het al. Want dit is Paige. En ik ken haar. Zodra ze zich verdrietig voelt over iets waarvan ze het gevoel heeft dat ze er niet verdrietig over mag zijn, sluit ze zich af. En momenteel is ze heel erg verdrietig. En momenteel is ze er ook heel erg van overtuigd dat ze niet verdrietig mag zijn. Ik weet dat ze niet wil dat ik haar nu ga troosten, of ga zeggen dat het allemaal wel goedkomt en het niet erg is om te huilen, want dat werkt niet in zulke situaties. Het liefst heeft ze dat ik helemaal niets zeg. Dus ik zeg ook niets. Ik ga naast haar in bed liggen, mijn borstkas tegen haar rug. Mijn ene arm strek ik onder haar hals en de ander krul ik om haar middel, zodat ik haar tegen me aan kan houden. Ik let er goed op dat ik haar beenwond nergens mee raak.
Ik geef een kus tegen haar schouderblad, op de plek waar onder haar shirt haar tatoeage verscholen zit, en haar stille tranen gaan over in gesnik. Ze grijpt de dekens vast. Haar vingers klauwen in de stof, alsof ze daarmee een poging doet om op te houden met beven, maar ze blijft rillen over haar hele lichaam.
‘Mijn hele familie gaat dood,’ snikt ze. Haar lichaam schokt in mijn armen. ‘Ik ga als enige overblijven.’
In haar verkrampte nood voor houvast krijgt ze vat op de arm die ik om haar middel heb geslagen en ze klemt hem met haar armen tegen zich aan, alsof het een teddybeer is. Ik laat haar begaan en geef me zonder slag of stoot over aan mijn lot als tijdelijke knuffelbeer.
‘I-Ik weet dat ze het verdienen. Ze verdienen het meer dan wie dan ook, maar…’ Haar zin vergaat in haar tranen, want eigenlijk weet ze zelf ook niet wat de maar is.
Ik geef een kus tegen haar achterhoofd, en daarna een stukje achter haar oor - en ik weet echt niet hoe ik het beter kan maken. Ik wil het automatisch vergelijken met hoe het voor mij was toen Blueberry stierf, maar dit is een volledig andere situatie. Mijn familie is - en was - verre van functioneel, maar we waren in ieder geval een familie. Wat je Paige en haar bloedverwanten moet noemen, weet ik niet, maar ik ben haar blauwe plekken niet vergeten na die ellenlange week dat ik haar kwijt dacht te zijn. En ik ben haar schreeuwen niet vergeten wanneer ze midden in de nacht weer droomt over het kleine meisje dat ze was toen ze nog dagelijks in slaap gezongen werd door het gekrijs van haar vaders slachtoffers. Maar aan de andere kant heeft het feit dat ze haar familie verraden heeft al vanaf haar dertiende als een mist over haar heen gehangen, altijd klaar om haar op te slokken en te verstikken. En nu zij degene is die het bewijs heeft geleverd om haar familie überhaupt te kunnen veroordelen, weet ik zeker dat ze dit nog zwaarder op haar schouders zal laten rusten. Ze houdt niet van haar familie, maar ze had gewoon heel graag een leven geleefd waarin ze dat wel had kunnen doen.
‘Zometeen ben ik de enige,’ stoot ze uit. Ze draait haar hoofd, zodat ze haar gezicht in haar kussen kan duwen in een poging de snikken te dempen.
Heel lang houd ik haar vast. Haar pijn doet me pijn, maar het is niet dusdanig intens dat ik zelf het gevoel heb dat ik ook moet huilen. Eigenlijk zou dat wel beter zijn geweest. Daarna had ik me vast beter gevoeld.
Ze klampt zich nog altijd vast aan de arm die ik om haar heen gelegd heb.
Wanneer ze dan uiteindelijk toch begint te praten, is haar stem niets meer dan een hese fluistering.
‘Ik kan me nog een moment herinneren… Ik… Ik weet niet hoe oud ik precies was. Jong. Jong genoeg dat de herinneringen een beetje wazig zijn aan de randjes, weet je wel?’ vertelt ze en ze wacht tot ik knik. ‘Ik was buiten, in de tuin. Ik denk dat het lente was, of misschien zelfs al zomer. Ik gok dat ik een jaar of vier was, en Vadìm dus veertien. Hij zei dat hij een nieuwe knuffel voor me gekocht had toen hij met mijn vader naar Jaroslavl was geweest en dat hij die in de tuin verstopt had en dat ik moest gaan zoeken. Ik begon te zoeken en op een gegeven moment kwam hij achter me aan rennen om me op te jagen, want toen was ik nog jong genoeg om dat leuk en spannend te vinden in plaats van doodeng. Ik had geen schoenen aan en ik rende zo hard over het klinkerpad dat mijn voeten er pijn van begonnen te doen, maar dat kon me niet schelen. Hij had me gemakkelijk in kunnen halen, maar dat deed hij niet. Ik weet nog dat ik zo’n draaierig gevoel in mijn buik had, en dat alles nog een beetje ontfloerst was en dat ik wilde rennen en rennen en rennen. Steeds harder. Uiteindelijk kreeg hij me te pakken en hij tilde me in de lucht. Het leek zo makkelijk te gaan en ik kon voelen dat hij sterk was, maar ik was nog te jong om te snappen dat het kwam door mijn vaders brute trainingen en de ontelbare aantallen push ups hij hem dagelijks liet doen. Het enige wat ik wist was dat ik niet bang voor hem hoefde te zijn en ik wist zo zeker dat hij me nooit pijn zou doen, dat hij me altijd zou beschermen.’ Ze zwijgt even. Ze is opgehouden met huilen, alsof ze te ver meegetrokken is in de herinnering om te huilen. ‘Ik heb altijd gedacht dat ik op dat moment nog niet helemaal ik was. En hij nog niet helemaal hij. We waren nog een beetje rond aan de randjes, nog zacht en vervormbaar. Maar misschien was dat niet zo. Misschien zijn wie we nu zijn ook niet echt wie we zijn. Misschien was dat de Vadìm die hij had kunnen zijn als onze vader niet zo wreed was. En misschien was ik ook een anders persoon geweest als ik gedurende mijn gehele jeugd zo onschuldig en geliefd had mogen blijven.’
Ik wrijf mijn neus even in haar nek en geef mezelf de tijd om erover na te denken.
'Misschien,' beaam ik dan, ook al vind ik het heel moeilijk om me zo'n realiteit in te beelden.
'Maar zo is het niet gegaan,' herpakt ze zichzelf, alsof ze zichzelf streng toe wil spreken. 'En nu zijn ze klaar met de wereld.' Even is ze stil, maar dan voegt ze eraan toe: 'Of misschien is de wereld klaar met hen.'
Ik druk afwezig wat vederlichte kusjes in haar hals en wacht of ze misschien nog meer te zeggen heeft. Dat blijkt niet het geval te zijn.
Morgen om elf uur heeft ze een afspraak in het ziekenhuis voor haar been. Dat is niet heel vroeg, maar haar tijdelijke handicap zal ervoor zorgen dat we wat langer bezig zullen zijn met onszelf klaarmaken voor vertrekt. Bovendien zijn we allebei uitgeput, ook al is het niet heel laat.
'Paige?' vraag ik zachtjes.
Ze draait zich enigszins om zodat ze mijn blik kan ontmoeten, ook al kan ze niet helemaal op haar linkerzij gaan liggen vanwege die wond. Het oogcontact doet me goed. Zo kan ik ook de dingen zien die ze in woorden niet uit kan leggen.
'Wil je gaan slapen?' vraag ik.
Ze knikt. Er schemert spontaan meer vermoeidheid door in haar blik dan eerst.
Ik strek me om een zachte kus op haar lippen te geven, waarna ik haar help om weer goed te gaan liggen. Ik houd haar niet meer zo stevig vast als eerst, maar mijn omhelzing is nou ook niet bepaald losjes te noemen. Vannacht heb ik het contact nog even nodig. En morgennacht misschien ook nog wel.
Morgen gaan we naar de dokter, en daarna gaan we ergens lunchen, of halen we wat eten op. Daarna kunnen we Charlie ophalen bij Hailey en Marco. Ergens zal ik ook nog boodschappen moeten doen. Maar dat komt allemaal wel goed.
Ik weet dat er om het appartementencomplex heen nog steeds een paar agenten staan om ons te bewaken, maar Paige denkt dat we veilig zijn. Haar vaders organisatie was sterk en invloedrijk, maar hij had niet echt trouwe handlangers. Hij stond helemaal bovenaan, met misschien zijn zoons. Hij wantrouwde alle anderen teveel. Hij maakte geen bondgenootschappen gebaseerd op loyaliteit, maar alleen angst. Nu hij weg is, zal zijn organisatie uiteenvallen. Wie nog over is, zal geen behoefte hebben om wraak te nemen op ons - op Paige. Dat is in ieder geval wat ze zegt. Ik heb genoeg vertrouwen in haar kennis over haar familie om het te geloven.
Het is ineens afgelopen. Na al die weken van angst en gevaar, is het ineens afgelopen. En nu is het ineens zo stil. Het is niet een stilte die ook maar iets met geluid te maken heeft, maar stil is het zeker. Het is zo plotseling dat het bijna als een klap aankomt.
Maar niet alle problemen zijn weg. Paige is de afgelopen maanden iets verder kapotgemaakt dan ze al was. Ik hou van haar, en ik zou haar nooit op een verkeerde manier als gebroken zien of haar minder serieus nemen door alles wat de trauma’s met haar gedaan hebben, maar kapot is wel het juiste woord. Hetzelfde geldt voor mij, ook al heb ik niet aan de frontlinie gestaan en heeft Paige ongetwijfeld veel meer dood en verderf gezien dan ik. Ze moet - wij moeten - daar langzaam van gaan herstellen, beetje bij beetje. Ik weet niet wat we hierna gaan doen met ons leven, maar het leven zal toch echt verder gaan.
En dan is er de situatie tussen Hailey, Marco en mij. We hebben niet echt meer gepraat, sinds Paige uur haar coma is ontwaakt. En toen Paige nog wel in coma was, ben ik niet bepaald aardig tegen ze geweest. Totaal niet, zelfs. Ik was buiten zinnen van angst en verdriet, maar dat is niet echt een excuus. Ik heb tegen Hailey, die jarenlang mishandeld is door een verschrikkelijke man, geschreeuwd. En Marco heb ik verteld dat ik wenste dat Paige hen gewoon dood had laten gaan. Dat had ik niet moeten doen, onder welke omstandigheden dan ook. Ik heb fouten gemaakt; fouten waarvan ik niet weet hoe ik ze recht moet zetten en waarmee ik Paige niet wil belasten.
Paige ligt inmiddels al te slapen - vrij kalm en onverstoord, gelukkig. Ik lig echter nog wakker, ondanks alle vermoeidheid. Toch vind ik het niet zo heel erg, want ik kan in ieder geval bij Paige liggen, met haar in mijn armen. Ik kan haar ademhaling voelen, en horen. Ik kan haar warme lichaam tegen het mijne voelen, waar ze zo perfect past. Ik kan haar veiligheid garanderen - enigszins. Ik kan haar beschermen - enigszins.
Een paar weken geleden kon ik alleen maar van deze situatie dromen, maar nu pas begrijp ik dat mijn problemen nog lang niet allemaal weg zijn.

Reacties (1)

  • Sunnyrainbow

    Ik hoop dat Nathan het goed kan maken met Hailey en Marco

    1 maand geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen