Za’afiel keek zijn zoon aan terwijl hij daar maar stond. Kevalth was boos omdat hij niet deed wat hij wilde.
“D’agon is een hij! Geen ding!” riep hij grommend uit. Deels was Za’afiel gefascineerd over Kevalth’ woede. Hij keek even naar Kevalth poten en zag hoe ze lichtelijk begonnen te fonkelen. Deels wilde Za’afiel glimlachen, maar hij hield het goed verborgen.
“Dat ding is een machine, machines zijn geen levende wezens. En dat is hoever mijn menselijke kennis gaat. Ben blij dat de mensheid is uitgemoord. Anders liepen er nog meer van die dingen rond. En nu, laat jij mij met rust. Rot op.” Kevalth schudde zijn kop en keek toen even van Za’afiel weg.
Door deze ontdekking wilde Za’afiel alleen maar meer op zijn teentjes trappen. Het leek hem ieder geval een goed idee dat hij eindelijk zijn krachten liet tonen, maar het ging niet helemaal naar zijn smaak. Kevalth hield zijn woede best goed onder control, maar dat was niet erg, er was nog tijd.
“Als je maar weet dat jouw eenzaamheid jouw eigen schuld is.” Met die woorden wandelde Kevalth terug naar het bos.
Hij keek even na waar Kevalth naartoe was gelopen, en gromde nogmaals tegen zichzelf. Hij zou misschien spijt krijgen van dit besluit, maar hij besloot achter Kevalth aan te komen.
Eenmaal aangekomen keek hij naar het vreemd gebouw, en wanneer hij er naar keek gromde hij deels alleen maar meer. Het beviel hem hier niet.
“Laten we dit snel oplossen,” zei Za’afiel eens die zonder spreken het huis binnen liep.
Kevalth keek lichtelijk verward om naar Qyma en Noë en wist ook niet waar dat ineens vandaan kwam.
“Ieder geval wilt hij ons nu helpen,” zei Qyma met een licht kwispelende staart.
“Ik moet jullie nogmaals vragen hier buiten te wachten, ik wil niet dat jullie wat overkomt.” Noë rekte zich even uit en schudde daarna zijn kop.
“Geen spraken van, wij zijn net zo nuttig, wij zijn misschien wel lui, maar de hele dag blijven wachten is niet onze sport. Wij komen mee.”
Kevalth keek ze aan en knikte toen zwijgend, daarna draaide hij zich om, om vervolgens achter Za’afiel aan te gaan.
De fakkels gingen opnieuw aan waarbij Kevalth opnieuw om zich heen keek, de sfeer vond hij maar niets. Dit hele gedoe met D’agon moest maar snel opgelost worden.
“Wat weet je van deze wezens, Kevalth.” Za’afiel klonk geïrriteerd en staarde naar de einde van de gang waar eigenlijk niet veel was te zien.
“Degene waar mee ik sprak leek vrouwelijk, ze had rare kledij aan zoals sommige stammen dat doen, en ze haar huid was glad, roze bruin achtig.” Hij knikte omdat hij daar vrij zeker in was en Za’afiel gromde opnieuw.
“Dat klinkt als een mens.” Za’afiel keek nog steeds naar het zwarte gang waar de gang ook naartoe leidt en wandelde opeens verder.
Kevalth keek hem na en volgde hem toen met Qyma en Noë. Ze wisten niet precies waar Za’afiel heen ging, maar ze geloofde ook niet dat Za’afiel wist waar ze heen moesten gaan.
Eenmaal wanneer ze op een splitsing naar drie andere gangen kwamen leek Za’afiel zonder twijfel een kant op te gaan. Het verbaasde Kevalth dat hij zomaar zonder denken ergens heen kon gaan, maar misschien was dat omdat hij dacht dat Za’afiel iets geroken had waar hij nu achterna aan het gaan zijn.
“Weet je zeker dat het mensen zijn…” vroeg Kevalth terwijl hij achter zijn vader aan liep.
“Zeker weten, ik herken deze geur uit duizenden.” Kevalth keek naar hem op, maar dat was niet iets wat Za’afiel leek te zien, hij was heel gefocust naar waar hij ook heen liep.
“Ik wist niet dat je zoveel geschiedenis had met de mensen.” Kevalth probeerde een gesprek met zijn vader aan te gaan om meer van hem te leren dan alleen van zijn daden. Het was misschien niet een perfect moment, maar als dit iets is waar Za’afiel open voor wilde zijn, dan nam hij deze kans zijn vader beter te leren kennen.
“Ik ben de reden waarom de mensen niet meer de wereld in touwtjes hebben, en dat houd ik liever zo. Dank je voor het speuren naar een van hun kampen. Er zullen er vast niet meer zoveel zijn.” Kevalth was niet meer zo zeker of dit een juiste onderwerp was om Za’afiel te tekenen. Opnieuw ging het over hem en het uitmoorden van een soort, misschien was zijn vader daadwerkelijk iemand zoals zijn daden hem beschreven. Deels vond Kevalth het jammer, maar het was geen verbazing.
“Ze zitten ondergronds,” zei Za’afiel ineens.

Eenmaal beneden was het nog steeds vrij stil, er leek niets te zien.
“Zouden ze weg zijn…?” Kevalth sprak zacht om geen aandacht te trekken.
“Nee, ze zijn hier. Ze gluipen graag weg tussen het steen.” Za’afiel stapte verder en hielt een klauw voor zich uit.
Kevalth wist niet zo goed wat hij ging doen, maar het werd al snel duidelijk dat Za’afiel iets met magie ging doen. Zijn klauw begon te vonkelen en kort nadat een verticaal magie cirkel verscheen kwam er een horizontale streep van licht bij hem vandaan. Het gaf Za’afiel en de rest kort zicht op wat er in hun omgeving begaf.
Za’afiel moest lichtelijk grijnzen en rende toen meteen op iets af in het donker.
“Jullie hadden thuis moeten blijven!” een stem dat van alle kanten leek af te komen was hoorbaar voor iedereen. Het leek op de stem die Kevalth eerder had gehoord.
Knetterende geluiden leek van het plafond af te komen, en kort erna was er licht. Het was vrij vel kunstmatig licht dat de ruimte vulde. Iedereen kon tenminste zien waar iedereen was. Deze ondergrondse plek zag er niet heel fraai uit.
“Waarom laten jullie ons niet met rust, wij doen niemand iets kwaad.” Klonk die stem weer.
“Jullie hebben mijn vriend!” riep Kevalth vrij hard door de ruimte. Er was niemand om naar toe te kijken, en hun vader leek al bezig te zijn bewoonbare plekken te verwoesten.
“Als jullie niet terug trekken van deze plek, zorg ik ervoor dat jullie hadden gewild weg te gaan.”
Za’afiel begon ineens te grinniken, hij liet zich niet zomaar wegjagen. Zeker niet als het te maken heeft met mensen.
“Ik heb zoveel wezens vermoord, waarom zouden jullie anders zijn?” Hij leek even om te kijken naar waar de stem vandaan kwam, maar deze communicatie magie leek heel goed.
“Wij hebben jullie vriend.”
Een mechanisch geluid was hoorbaar bij een van de muren. Schuifdeuren gingen opzij en lieten daar D’agon zien die vast zat aan het een en ander.
“D’agon!” Kevalth rende naar hem toe maar Za’afiel hield hem op tijd tegen te dichtbij te staan.
“Blijf op afstand.” Za’afiel keek D’agon aan om het in de gaten te houden en plots schoof een borstplaat bij D’agon vandaan.
Een kort blauw lichtflits kwam van zijn borst af tot het een straal op Za’afiel en Kevalth schoot.
Za’afiel duwde Kevalth aan de kant en maakte een schild voor hem dat nog maar net sterk genoeg was, maar hoelang het schild zich vol hield was maar de vraag. Het doorzichtige gele schild leek langzaam te scheuren terwijl Za’afiel grommend toekeek.
“Zeg maar dag tegen jullie levens!” Een gestoorde lach leek te horen van alle kanten, maar de rest besloot dit maar te negeren.
D’agon’s straal leek maar niet op te houden, maar het leek Za’afiel te volgen naar waar hij ook ging, dus men had snel een plan nodig om D’agon te laten stoppen schieten, voor Za’afiel daadwerkelijk geraakt zou worden door deze straal.
Kevalth keek om naar de honden die veilig achter een aantal stenen zaten.
“Misschien kan ik jullie hulp gebruiken, jullie zijn minder opvallend, ga via de zijkant naar D’agon en kijk of jullie D’agon los kan koppelen van dat ding.” De honden knikte en rende langs de muur naar D’agon toe.
Kevalth keek even rond of hij nog een doorgang vond, maar op de ingang na was er niet veel te vinden. Hij wist zeker dat er iets moest zijn, aangezien al die wezens hier wel woonde. Ze zaten nu alleen goed opgeborgen.
“Hoelang kan je het nog volhouden denk je, Za’afiel?” Kevalth keek van een afstandje naar Za’afiel die bleef staan voor een betere concentratie.
“Niet lang…” Hij bleef zijn klauw voor zich houden om de schild in goeie toestand te houden, maar er bleek steeds meer scheuren te ontstaan.
Kevalth keek opnieuw om zich heen en keek omhoog, misschien zit er ergens anders een plek om te kijken wat hier gaande is.
Op gegeven moment merkte hij een vreemde rotsformatie op die opvallend leek op een kamer. Hij wist niet zeker hoe hij dit zou moeten doen, maar de enige mogelijkheid die hij zag was er doorheen vliegen. Hij was niet eens zeker of het daadwerkelijk een kamer zou zijn, maar meer kansen had hij niet.
Hij rende eerst een stukje voor hij de lucht in vloog, hij probeerde in een korte tijd zoveel mogelijk snelheid te maken en vloog recht op de rare formatie af.
Hij sloot zijn ogen en hield zijn lichaamshouding op zo’n manier dat het minst pijn zou doen, en hopelijk zoveel mogelijk schade aan de muur. Hij stopte tijdelijk met ademen van de spanning en had een korte spijt door zijn gedachte lopen, maar hij had geen ander antwoord. Hij moest dit doen, en daar was de muur.
Hij maakte een flinke klap tegen de muur en voelde dat hij er doorheen rolde. Hij merkte een enorme koppijn waarbij alles een beetje wazig was wanneer hij zijn ogen opende, maar hij bleek gelijk te hebben, deze formatie was dus duidelijk een kamer.
Hij zag wazig dat je door de steenformatie kon kijken aan deze kant wat voor hem al vreemd was, en zag dat er iemand aan de andere kant tegen de muur aan stond.
“Dus je hebt mij gevonden…” Ze lachte nerveus terwijl Kevalth met moeite opstond.
“ik houd er niet zo van dat je onze vriend gebruikt tegen ons. Is dit waarom de mensheid moest uitgemoord worden? Omdat ze harteloos waren? Iedereen gebruikte naar hun eigen voordeel? Ik weet maar weinig over de mensheid, maar jullie voorbeeld tekent genoeg voor mij.” Dat laatste kwam er grommend uit waarbij Kevalth grommend naar haar toe stapte.
“Je weet niet hoe ons wereld eruit zag voor de draken het overnamen, een compleet ras uitmoorden is veel erger dan wat wij als mensheid hebben gedaan. Wij hadden steden, wij hadden alles. Zorgde zelfs voor de natuur zodat iedereen in vrede kon leven! Jij weet niets!” De mens keek vurig uit haar ogen terwijl Kevalth nog steeds naar haar toe stapte.
“De verhalen die ik heb gehoord, was dat mensen alles zagen als beesten, ongemanierde wezens die het moderne leven niet waard waren. Dat is wat mijn vader tegen mij zei, en ik begin door te hebben wat hij daarmee bedoelde.” Kevalth stopte voor haar neus en keek haar deels woedend aan.
Ze schudde haar kop en lachte daarna zelfs een beetje.
“Niet iedereen was zoals dat.” Kevalth keek haar neerbuigend aan terwijl ze sprak.
“Geef ons de kans dat te bewijzen, draak.” Kevalth schudde zijn kop, hij wilde niet meegaan in haar voorstel.
“Jullie hebben al bewezen wat voor wezens jullie zijn, vielen ons aan zonder te spreken, en daarbij ontvoerde jullie mijn vriend. Hij is mijn vriend.” Kevalth bewoog weer dichter naar de mens die geen kant meer leek te hebben om te vluchten.
“Enig idee wat voor wezens draken zijn? Egoïstische narcistische beesten die alles claimen voor hunzelf, jij bewijst dat punt weer, dat maakt ons gelijk, niet?” Kevalth keek haar grommend aan.
“Nooit!” Kevalth was duidelijk niet mee eens met haar mening en zette zijn tanden in haar alsof het zijn maaltijd is en gooit haar in zijn slokdarm naar beneden.
Kevalth keek even naar de plek waar de mens zat en bleef zo even staan voordat hij zich weer omkeerde naar het gat dat hij had gemaakt. Een schijn aan gedachte kwam naar voren van wat ze zei. Wat als ze wel gelijk had, en de draken waren juist de slechte wezens.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen