Kevalth wandelde naar het gat waar hij zelf door heen is gaan vliegen, hij keek over het veld dat nu zo stil leek.
Hij zag hoe de lijken nog over het veld lag en had geen idee wat er precies was gebeurt.
Hij begon zich een beetje zorgen te maken of het wel allemaal is goed gegaan. En vloog dus naar beneden. Voor hem leek het alsof hij ineens over een kerkhof heen liep aangezien er een doodse stilte rondhing.
“Hallo…?” Opnieuw keek hij om zich heen om te zien of er iets of iemand reageerde.
“Hier!” Noë waves met zijn poot om Kevalth’ aandacht te krijgen, waarbij Kevalth naar hen toe ging.
“Wat is er gebeurt?” Kevalth draaide lichtelijk zijn kop scheef wanneer hij dichterbij Noë en Qyma stond.
“Je vader, dat is wat er is gebeurt, hij was geweldig… Hij heeft al deze wezens vermoord.” Kevalth keek om naar al die dode wezens, maar eventjes wist hij niet zo zeker of dit wel zo geweldig was. Deels vond hij het jammer dat hij het niet had gezien. En aan de andere kant was hij niet zeker of hij het wel wilde weten wat zijn vader allemaal kon.
“We moeten D’agon wakker zien te maken.”
Plots kwam er een geluidje, een vreemd mechanisch geluidje.
“Ik ben wakker.” D’agon bewoog een beetje zijn klauw en keek er even naar.
“Alles goed?” D’agon knikte alleen, en zetten zijn klauw toen weer terug op de grond.
“Het is voorbij?” Ditmaal knikte Kevalth en ging naast D’agon zitten. Hij voelde spijt opkomen alsof het zijn schuld is dat D’agon hier was beland.
“Het is niet jouw schuld, jij had niet iets anders kunnen doen wat mij had weerhouden hier te komen.” D’agon keek om naar Kevalth waarbij hij tranen in zijn ogen begon te krijgen. Kevalth keek hem met een kleine glimlach aan en gaf hem toen een plotse knuffel.
“Je bent weer terug.” De honden namen een kleine afstand en zaten voor hun neer, ook zij leken van dit moment te genieten aangezien hun staarten begonnen te kwispelen.
“Laten we terug gaan, verhuizen was misschien niet zo’n goed idee,” zei Kevalth toen ineens.
“Za’afiel verdient het niet alleen te blijven, wil je dat zeggen?” Het klonk vreemd voor Kevalth dat te horen, maar hij was er wel mee eens. Ondanks Za’afiel eerst niet wilde helpen, is hij alsnog met hun meegekomen. En met zijn hulp is D’agon weer een vrij wezen.
“Za’afiel geeft stiekem wel om je, Kevalth,” zei Qyma toen, en het bracht Kevalth echt een glimlach op zijn gezicht. Het liefst had hij dit gehoord van Za’afiel, maar als dit het beste is wat hij kon krijgen, nam hij deze kans. Het maakte hem wel echt gelukkig.
“Laten we gaan.” Kevalth stapte van D’agon af, en D’agon nam zijn tijd in beweging te komen.
Kevalth stapte al rustig richting de uitgang gevolgd door de twee hondjes. D'agon keek nog even om zich heen met een kleine realisatie dat hij misschien nooit deze plek had kunnen verlaten zonder hun hulp. Deze wezens zijn echt goeie vrienden dat ze hun leven hadden geriskeerd voor iemand zoals hem, misschien had hij toch niet die biologische zelf nodig. Maar gewoon, hemzelf, was genoeg.
D'agon stapte met ze mee terug naar de open plek waar ze al die tijd hebben gewoond, en zag dat Za’afiel zijn eigen plek weer had genomen. Kevalth die voor liep rende op hem af en gaf hem een knuffel, maar Za’afiel leek er niet zo van gediend te zijn. Hij duwde Kevalth van zich af en keek hem streng aan.
“Denk maar niet dat er iets zou veranderen tussen ons, jij moet nog steeds jouw eigen problemen oplossen, en het liefst houd je mij maar daar buiten.” Het liet Kevalth deels wel even schrikken, maar hij was niets anders gewend. Hij knikte alleen maar, niet met woede, of met irritaties, maar gewoon uit begrip. Deze daad die Za’afiel had verricht was genoeg voor Kevalth om goed te voelen. De vraag is alleen hoelang dat zou aanhouden.
Kevalth wandelde terug naar D’agon die ook zijn plek had genomen. En de twee honden die naast elkaar lagen, naast D’agon plaats hadden genomen. Dit was weer het groepje hoe het is geweest de afgelopen lange tijd, en Kevalth had niet het idee dat dit snel zou gaan veranderen.
Misschien had hij gehoopt dat Za’afiel meer contact zou geven na dit incident, maar dat was helaas niet iets wat gebeurde. Za’afiel hield zich weer bezig met zijn eigen dingen. Het onnodige moorden van wezens, steeds verder de wereld door. Kevalth begon zich deels weer af te vragen waarom die drang bij Za’afiel zo groot was alles te moeten verwoesten, maar hij kon het antwoord daarop niet vinden.
Tot zover de kans om closer te worden met zijn vader. Nu hij weet dat Za’afiel aardig voor hem kon doen, maar zelf ervoor koos dat niet te doen, groeide de haat naar zijn vader langzaam steeds verder. De enige lichtbronnen die hij echt had waren de wezens die al om hem heen waren, Qyma, Noë en D’agon, maar op gegeven moment zocht hij opnieuw naar iets nieuws. Iemand die weet hoe zijn vader echt kan zijn. Hij begon te snakken naar zijn broer, Czabock.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen