Kevalth vloog de route die hij nog herkende van twee jaar terug. De omgeving was niet veel veranderd, maar hij zag wel wat de getij kon doen met de natuur. De bergen leken minder besneeuwd dan de eerste keer dat hij op bezoek was bij Phoebe. Nog steeds genoot Kevalth van de route die hij vloog. Het gaf hem echt het gevoel dat hem gelukkig maakte. De wind, het gevoel.
In die paar jaar waren zijn vliegkunsten ook zeker verbeterd. Hij kon nu richting Phoebe’s dorp vliegen zonder enige moeite, maar eenmaal aangekomen wist hij niet precies waar hij moest wezen. Hij kon zich best nog wel herinneren waar Phoebe’s huis was, en waar de bibliotheek zat. Maar hij wilde niet graag vreemde tegenkomen.
Hij wandelde over de stenen paden met een laag hangende kop. Hij voelde hoe zijn nerveuze gevoelens terug waren geschoten. Wat als Czabock hem helemaal niet wilde zien? Zou het dan nog wel goed komen tussen hem en zijn broer?
“Kevalth?” Hij herkende de stem maar al te goed en draaide zich meteen om naar het geluid met een opgeheven kop. Daar stond hij dan, Czabock. Zijn broer die hij al twee jaar niet had gezien. Hij wist dat zijn broer groter zou zijn, hij was dat immers ook. Draken groeien eenmaal vrij lang door, al waren deze twee draken vrij speciaal dat ze sneller groeide dan een gemiddelde draak.
“Ik heb je zo gemist, Czabock.” Czabock glimlachte, maar hij straalde niet dezelfde blijheid uit die Kevalth voor hem toonde.
Kevalth rende op hem af en gaf hem toe de beste knuffel die hij mogelijk kon geven als een draak.
Met een van Czabock klauwen gaf hij soort van een knuffel terug, maar op een of andere manier was dit te professioneel voor Kevalth en keek Czabock toen vragend aan.
“Wat is er?” Kevalth draaide zijn kop dus vragend scheef. En Czabock keek toen alleen vriendelijk terug.
“Ik had je niet verwacht.” Nee, dat was wel zo’n beetje duidelijk. Twee jaar is lang voor drie jarige draken.
“Ik moest echt even weg van thuis… Niets voelt meer als thuis, Za’afiel houdt maar…” Czabock onderbrak Kevalth’ zin door zelf te spreken.
“…Ik wil het niet over thuis hebben, ik wil alleen over jou horen, want je bent mijn broer, en ik heb je best wel gemist.” Nog steeds kwam Czabock veel te professioneel over, en dat vermoorde wel een beetje de sfeer voor Kevalth. Hij keek hem aan en wist meteen niet meer waar hij over spreken moest.
“Het gaat goed met D’agon, ik weet hoe close jij met hem was.” Czabock keek even lichtelijk weg, aangezien hij niet precies wist hoe hij moest spreken hierover. En kort erna liep hij weg richting het een vreemd huis. Kevalth draaide zijn kop een beetje scheef ernaar. Wanneer Czabock dan weer zich omdraait, vertelde hij dat hij een eigen huis had om in te wonen. Zodat hij niet Phoebe in de weg zou zitten.
Kevalth volgde hem naar zijn huis.
Eenmaal binnen zag dat alles bemeubeld was, en dat was nog steeds een vreemd concept voor Kevalth. Maar hij kon best geloven dat Czabock het nu wel gewend was.
“Dus… Je eigen huis… Ziet er best groot uit.” Czabock knikte, en Kevalth merkte op dat ook hij het lastig vond om een onderwerp te starten.
“Wil je wat drinken?” Kevalth knikte en ging plaatsnemen bij de zithoek. Er was wel genoeg ruimte in het huis, wat logisch was. Czabock was net ietsjes groter dan Kevalth nu was en het huis zou een groeiende draak wel aan moeten kunnen. Kevalth keek rond en kwam zelfs foto’s tegen waar hij zijn kop vragend voor scheef draaide. Hij zag een paar foto’s met hem en Phoebe, en een andere met een andere griffioen die Kevalth niet kende. Hij keek er even naar en voelde zich goed dat Czabock een goed leventje had opgebouwd. Hij begon deels zelfs te snappen waarom hij nooit terug kwam.
Czabock kwam terug met twee brede bekers, en zette het op het kleine tafeltje neer.
“Dit dorp leeft een beetje modern, zoals de mens ooit hadden gedaan, niet?” Kevalth was redelijk blij deze feit te kunnen vertellen, Czabock knikte alleen maar. Alsof het voor hem normale kennis was.
“Wie is die andere op dat ding?” Kevalth wees naar de foto met de onbekende griffioen.
“Dat is Maverick, we zijn studie buddy’s. Samen op het vak magiekennis geslaagd, vrij recent eigenlijk.” Czabock was wel blij dingen over zijn leven te vertellen, ieder geval. Meer blij dan het praten over zijn eerste woonplek.
“Je wilt echt niet praten over thuis, of wel.” Kevalth keek even weg en probeerde het brede glas op te pakken met zijn klauwen, maar hij was dat nog niet gewend, dus had wat tijd nodig dat goed vast te houden.
“Ik heb het van mij afgesloten, omdat ik die slechte periode wil vergeten.” Kevalth liet bijna de beker vallen en Czabock bleef er stom naar staren alsof hij verwachtte dat hij de volgende keer dat glas echt liet vallen, maar tot zijn verbazing dronk Kevalth er kort van en zette het met diezelfde onhandigheid weer op tafel.
“Kan ik dan niet hier wonen?” Kevalth draaide zijn kop opnieuw vragend scheef. En Czabock keek hem alleen maar aan met knipperende ogen.
“Ik weet niet of…” “…oh,” onderbrak Kevalth zijn broer. Kevalth had het niet erg gevonden om te wonen waar Czabock woonde, dan zag hij tenminste zijn broer weer. Maar dat Czabock hem nu zo afwees maakte hem weer zo onzeker. Czabock wilde niets weten van zijn verleden. Dus ook niet Kevalth, zo vatte Kevalth het ieder geval op, op het moment.
“Het ligt niet aan jou, ik wil gewoon…” “… Ik snap het,” onderbrak Kevalth hem voor de tweede keer, waarbij Kevalth opnieuw de brede beker probeerde vast te pakken. Het ging iets makkelijker dit keer, en dronk er toen uit tot die leeg was, zodat hij die niet nog eens hoeft op te pakken. En zette die beker weer neer op de tafel.
Deze stilte was vrij pijnlijk, voor beide. Czabock wilde niet dat zijn broertje buitengesloten voelde, maar de pijn van vroeger was hem te groot om nu open te gaan halen.
“Misschien moet ik maar eens gaan,” zei Kevalth toen op een teleurgestelde manier, niet perse om Czabock, maar om deze situatie. Het blijkt dat het toch geen goed moment was om zijn broer na twee lange jaren eens te bezoeken.
“Ik zie je wel weer, over twintig jaar ofzo.” Kevalth bedoelde het niet gemeen, maar het kwam er alsnog vrij bot uit. Dit moment deed Kevalth echt heel zeer.
Kevalth stond op van zijn zit plek en wandelde alvast richting de deur.
Czabock zei niet eens wat terug en keek eigenlijk maar afwezig weg van zijn broertje. Hij wilde hem niet negeren, maar dat is wel precies wat hij deed. Eenmaal toen Kevalth de deur sloot begon Czabock’s ogen te tranen. Hij wilde dit Kevalth niet aan doen, maar voor zijn gevoel had hij niet veel keus. Het verleden deed hem veel teveel pijn.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen