. . .

Rory voelde zijn wangen gloeien toen hij de kerk binnenstapte. Gesprekken vielen stil, toch bogen mensen zich naar elkaar toe om wat te fluisteren. Hij beet op zijn lip. Hij moest het zich verbeelden. Ze konden het niet allemaal weten, toch? Vlug liep hij door naar de trap die naar het balkon leidde. Daar zat hij altijd, samen met de andere jongeren.
      Eergisteren had hij zijn verjaardag gevierd. Sindsdien had hij zich een vreemdeling in zijn eigen huis gevoeld. Hij merkte dat zijn moeder het moeilijk vond om met hem in dezelfde ruimte te zijn en ze was een paar keer in snikken uitgebarsten. Hij had een hand op haar schouder gelegd, gezegd dat het hem speet en dat hij wenste dat het ook anders was. Ze had niets teruggezegd. Hem alleen maar verdrietig aangekeken.
      Het voelde alsof hij kilo’s stenen op zijn schouders torste. Iedere keer dat hij iemand aankeek, voelde het zwaarder. Met zijn ogen zocht hij naar Jonathan, naar zijn beste vriend. Hij zat op de derde rij, zijn hand op het bovenbeen van Grace, zijn vriendin.
      Rory ging naast hem zitten. ‘Hé,’ zei hij zacht. Zijn stem trilde.
      Jonathan keek hem peilend aan. Zijn blik liet een rilling langs Rorys rug gaan.
      ‘Is het waar?’ vroeg zijn vriend.
      Rory vlucht nerveus zijn vingers ineen. Hij boog zijn hoofd, zijn schouders hingen naar beneden. Hij durfde geen antwoord te geven. Na hoe zijn familie had gereageerd, had hij gehoopt dat Jonathan hem wel zou steunen. Nu voelde hij echter een afstand tussen hen die er nooit was geweest. Zo maar, terwijl ze niet eens met elkaar gesproken hadden.
      ‘Hoe weet je het?’ vroeg Rory uiteindelijk zachtjes.
      Jonathan haalde zijn schouders op. ‘Iedereen praat erover.’
      Rory haalde diep adem. ‘Niemand praat met me, maar iedereen praat over me,’ zei hij bitter.
      ‘Maar wat moeten ze zeggen, Rory? Dat God het afkeurt? Dat weet je toch al?’
      Rory kromp in elkaar. Tevergeefs probeerde hij de tranen weg te knipperen. Toen dat niet lukte, kwam hij overeind en wurmde zich tussen de banken door naar de trap. Het orgelspel ving aan en zorgde er in elk geval voor dat het kraken van de trap niet te horen was.
      De tranen rolden al over zijn wangen toen hij in het halletje kwam waar de jassen hingen. Hij voelde zich hier niet meer welkom. Als iedereen van hem walgde, deed God dat vast ook. Dan kon hij maar beter niet Zijn woede op zijn hals halen.
      Hij veegde de tranen van zijn wangen terwijl hij naar buiten stapte. Het miezerde. Een deel van hem hoopte dat Jonathan of een van zijn andere vrienden hem achterna zou komen, maar dat gebeurde niet. Niemand volgde hem. Zijn verdriet liet iedereen koud.
      Met zijn handpalmen leunde hij op de brugleuning terwijl hij in de grauwe sloot staarde. De druppels lieten kleine kringetjes achter. Zouden ze hem nu voor altijd haten? Het was alsof er een beest in hem zat dat hem vanbinnen opvrat. Het schrijnde, het deed pijn, en hij kon er niet bij.
      Kon hij niet beter dood zijn? Misschien verdiende hij het wel niet om te leven. Hij deed alleen maar mensen pijn. Steeds weer zag hij het betraande gezicht van zijn moeder voor zich en kon hij de afkeer van zijn vader voelde. Van de een op andere dag was hij niet langer hun zoon, maar een… Hij wist er niet eens een woord voor. Hij voelde zich als vuilnis.
      Opnieuw gleden er warme tranen over zijn wangen. Zijn schouders schokten terwijl zijn vingers zich om het hout van de brug kromden. Het begon nog harder te regenen. Was het waar? Leefden ze liever verder zonder hem? Vergaten ze liever dat hij bestond, schrapten ze hem liever uit hun familie? Poetsten ze de zwarte vlek uit hun gezin weg?
      Opeens voelde hij een hand op zijn schouder. Hij keek om. Door zijn tranen kon hij niet meteen zien wie het was. Voor hij zijn tranen weg geknipperd had, sloeg degene zijn armen om hem heen en trok hem tegen zich aan. Rory klampte zich aan de ander vast. Hij had zo gehunkerd naar twee armen die hem vasthielden dat hij over zijn hele lichaam trilde. Een hand bewoog zich troostend over zijn rug. Rory sloot zijn ogen.
      ‘Kom, jongen,’ klonk na een tijdje een mannenstem. ‘Als je hier blijft staan word je ziek. Ik woon vlakbij. Kom een kop thee drinken en vertel me wat je zo verdrietig maakt, knul.’
      Rory deed een stapje achteruit en veegde de tranen uit zijn ogen. Een vriendelijk gezicht van een oudere man keek hem geduldig aan. Het was meneer Somers. De opa van Grace. De schoonvader van de dominee. Voor iemand die over de zeventig was zag hij er nog vitaal uit, zijn hand voelde stevig op Rory’s schouder.
      Hij knikte stilletjes.

Rory glimlachte kleintjes naar meneer Somers toen hij hem een kop thee aanreikte. Hij vouwde zijn handen om de hete kop, hij had het ijskoud.
      Een beetje ongemakkelijk keek Rory om zich heen, naar de familiefoto’s aan de wand. Een grote familie was het niet, het zag ernaar uit dat meneer en mevrouw Somers maar twee kinderen hadden. Grace was enig kind, al was ze nog erg jong op de foto, een jaar of acht. Het andere stel had een baby in de armen. Rory herkende de oma niet, waarschijnlijk was ze al een lange tijd geleden overleden.
      Hij draaide zijn gezicht opzij, hij besefte maar al te goed dat deze man nu een kerkdienst miste voor hem. ‘Denkt u niet dat u God teleurstelt door de dienst te missen?’ vroeg hij zacht.
      De man schudde ferm zijn hoofd. ‘Jezus zou ook naast je zijn gaan staan, zelfs als hij daarvoor Zijn eigen prediking moest onderbreken.’
      Rory staarde naar zijn knieën. ‘Dat weet ik niet,’ zei hij zacht. ‘Hij walgt vast van me.’
      ‘Waarom denk je dat?’ klonk het kalm.
      Rory beet op zijn lip. Die verrekte tranen kwamen meteen weer terug. ‘Omdat… Ik – ik ben homo.’
      ‘God houdt net zo veel van homo’s als van hetero’s, Rory. Jezus kwam ook voor jou naar deze wereld.’
      Het lukte hem niet zijn blik op te slaan. ‘Mijn vader zegt dat ik ziek ben. Dat er een boze geest in me zit.’
      ‘Dat geloof ik niet. Er zijn heel veel jongens en meiden zoals jij. Er zijn zelfs veel dieren die homoseksueel gedrag vertonen. Het is een taboe binnen onze gemeenschap, de meeste mensen weten niet waarover ze spreken. Ze nemen klakkeloos teksten uit de Bijbel over zonder de context te bekijken.’
      Rory draaide nu wel zijn hoofd opzij. ‘Hoe komt het dat u er zo veel over weet?’
      ‘Mijn broer was homoseksueel. We hebben er heel wat studies naar gedaan.’
      ‘Maar nu is hij dat dus niet meer?’ vroeg Rory aarzelend.
      ‘Hij is zes jaar geleden overleden.’
      ‘Oh.’ Rory bloosde, hij was even vergeten hoe oud de man al was. ‘Sorry.’
      ‘Geeft niks.’ Meneer Somers gaf hem een knipoog.
      Rory beet op zijn wang. ‘U denkt niet dat ik een zondaar ben?’
      ‘Niet meer dan wij allemaal zondaars zijn. Je geaardheid zorgt er niet voor dat je een grotere zondaar bent dan iemand anders. Zelfs als je de Bijbel letterlijk neemt, is het belangrijk om te beseffen dat alleen homoseksuele handelingen veroordeeld worden, en niet de mensen zelf.’
      Het was alsof er een gewicht van zijn schouders viel. ‘Maar ik moet dus altijd alleen blijven?’ vroeg hij zacht.
      ‘Dat kan ik niet voor je invullen. Sommigen kiezen ervoor om inderdaad alleen te blijven. Anderen gaan wel een relatie aan maar onthouden zich van gemeenschap, en weer anderen hebben elkaar wel op dezelfde manier lief als man en vrouw dat doen en geloven dat God ook hun relatie zegent zolang ze elkaar trouw zijn en liefhebben. Mijn broer heeft een man ontmoet met wie hij een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht. Niet iedereen stond achter zijn keuze en niet iedereen accepteerde het, maar het is iets tussen jou, je eventuele partner en God. Verder heeft niemand er iets mee te maken. Zelfs al vinden ze van wel.’
      Rory dacht over zijn woorden na. Het was zo anders dan wat iedereen tot nu toe tegen hem gezegd had… Het verwarde hem, al voelde hij een klein vlammetje in zijn borst bij de gedachte dat hij niet tot een eenzaam leven veroordeeld was.
      ‘Het is belangrijk dat je het bij God brengt. Dat je bidt dat je hier mag leren om te gaan en dat God ook anderen zal leren om ermee om te gaan. Ik geloof dat Hij je zal leiden als je het hem vraagt. Misschien brengt hij een leuke jongen op je pad, misschien ook niet. Maar ook dan wil Hij dicht bij en je eenzaamheid wegnemen.’
      Rory nam een slokje van zijn thee, die al meer was afgekoeld dan hij gedacht had.
      ‘Wil je dat ik anders eens met je ouders praat?’ stelde meneer Somers voor.
      Rory was een beetje overdonderd door de hulp die de oude man bood. Zijn ouders waren heel fel in hun mening, maar iets vertelde hem dat deze man – ondanks zijn leeftijd – niet snel voor een confrontatie zou terugschrikken.
      ‘Ik weet niet of ze zullen luisteren,’ mompelde Rory. ‘Mijn moeder kan alleen maar huilen.’
      ‘Je moeder moet het een plaatsje geven. Het is niet haar schuld dat er zo weinig openheid over dit onderwerp is. Daar hebben we met zijn allen aan bijgedragen.’ Meneer Somers legde een hand op zijn schouder. ‘Ik vind het heel moedig dat je je ouders verteld hebt over je gevoelens, Rory. Weet dat je niet de enige bent. Statistisch gezien is minstens 5% van de bevolking niet-hetero. Dat betekent dat er in onze gemeente meer dan tien anderen zouden moeten zitten die met dezelfde gevoelens worstelen als jij, maar die dat niet hebben durven vertellen.’
      Nog tien anderen… Rory kon het zich niet voorstellen. Hadden die dat dan altijd verborgen gehouden?
      ‘Ik wil dat je één ding goed onthoudt, Rory,’ sprak de man opnieuw. ‘Je geaardheid is geen zonde. De liefde die je misschien wel voor een jongen voelt ook niet. Het gebrek aan liefde en verdraagzaamheid dat anderen hebben getoond, is wel zondig. Het is niet aan ons om anderen te oordelen en ik vind het heel erg voor je dat de mensen die je vertrouwde je niet konden steunen op de manier waarop je waarschijnlijk hoopte.’
      Rory slikte. Tranen brandden in zijn ogen. Oh, hoe hij wenste dat zijn vader of moeder, of een van zijn broers of zelfs Jonathan deze woorden had gesproken…
      ‘Denkt u dat het zal helpen?’ vroeg hij zachtjes. ‘Als u met mijn familie praat?’
      ‘Ik hoop het, maar ik moet toegeven dat ik vaker teleurgesteld ben in mijn medemens.’ De oude man gaf een kneepje. ‘Maar het is het waard om het te proberen, toch?’
      Na een korte aarzeling knikte Rory. Ja – het voelde niet alsof hij nog veel te verliezen had. En meneer Somers was zo rustig en liefdevol, dat moesten zijn ouders toch ook wel zien? Zou het hem lukken om hen van gedachten te laten veranderen?
      Rory durfde de hoop niet helemaal toe te laten. Toch probeerde hij op een goede afloop te vertrouwen.

Toen Rory samen met meneer Somers zijn huis binnenstapte, was hij net zo zenuwachtig als het moment waarop hij zijn familie had verteld dat hij op jongens viel.
      Het was toen helemaal misgelopen.
      Het voelde alsof dit een laatste mogelijkheid was om dingen recht te zetten. Misschien had hij het ook wel te rauw op hen dag gegooid, of misschien had hij duidelijker moeten zijn. Dat hij ook liever op meisjes verliefd was geworden, dat dit helemaal niet betekende dat hij nu een relatie met een jongen wilde.
      Het enige wat hij op dat moment had gewild, was een knuffel van zijn vader of moeder, of van zijn broers of zus. Een streling door zijn haren, een bemoedigend woord dat ze begrepen hoe moeilijk het voor hem was, maar dat ze niettemin van hem hielden en hem zouden bijstaan.
      Misschien was het alleen de schok die ze te boven moesten komen. Meneer Somers zou nu zeggen dat het allemaal zo erg niet was, dat er heel veel christengezinnen waren waarin dit voorkwam en dat ze er met zijn allen wel uit zouden komen.
      Hij legde zijn hand op de deurklink en haalde diep adem. Zijn buik verkrampte. Een stevige hand landde op zijn schouder en gaf een bemoedigend kneepje.
      ‘Je bent niet alleen, Rory.’
      Rory’s lip trilde. Nooit had hij kunnen bedenken dat deze voor hem bijna vreemde man hem tot zo’n steun zou zijn. ‘Dank u wel dat u met me meegaat, meneer,’ zei hij zachtjes.
      De oude man schonk hem een vriendelijke glimlach. ‘Niemand hoeft dit alleen te dragen. Ga nu maar, jongen.’
      Rory duwde de deur verder open en stapte naar binnen. Zijn ouders zaten op de bank, allebei stijf rechtop. Weer die teleurgestelde blikken, weer dat pijnlijke zwijgen.
      ‘Waarom was je niet in de kerk, Rory?’ klonk zijn vaders stem. De aanwezigheid van meneer Somers erkende hij niet eens.
      Rory sloeg zijn ogen neer. Hij wist niet wat hij moest antwoorden. Dat hij zich te zondig voelde om in de kerk te blijven zitten? Dat Jonathan bijna boos had geleken omdat hij uit de kast was gekomen?
      ‘Ik weet het niet,’ zei hij zacht. ‘Ik voelde me niet welkom.’
      Zijn moeder sloeg een hand voor haar mond, alsof hij iets verschrikkelijks had gezegd.
      ‘Dat is die duisternis in je jongen,’ sprak zijn vader. ‘Zolang jij die zondige verlangens toelaat, zal die alleen maar sterker worden. Ik heb met Jan Berendsen gepraat. Hij kan je meenemen naar zo’n genezingsdienst.’
      Zijn ouders hadden nooit veel met genezingsdiensten opgehad, ze vonden dat aandachttrekkerij. Blijkbaar stonden ze er nu anders in.
      ‘Jullie zoon is niet ziek,’ sprak meneer Somers en hij legde weer een hand op zijn schouder. ‘Hij heeft alleen een andere geaardheid dan de meesten van ons.’
      ‘In die nonsens geloof je toch niet echt?’ snoof zijn vader. ‘Dit is het werk van de duivel.’
      Rory kromp ineen. Een traan kriebelde langs zijn wang en hij veegde het ruw weg. ‘Ik heb gevraagd of God de gevoelens weg wilde halen,’ zei hij met een trillende stem. Het liefst kroop hij weg in een hoekje, maar een deel van hem verzette zich daar juist tegen. ‘Maar dat wilde Hij niet. Of in ieder geval nóg niet. Ik kan toch niet sturen op wie ik verliefd word?’
      Vader zuchtte diep. ‘Je moet zulke gedachten afwijzen, Rory. Dan gaan ze vanzelf weg. Het is niets dan een verleiding die je moet weerstaan. Je geeft er veel te snel aan toe.’
      ‘Veel te snel aan toe?!’ riep hij uit. Plotseling kon hij zijn frustratie niet meer bedwingen. ‘Het heeft me twéé jaar gekost voordat ik jullie erover durfde te vertellen! Terwijl ik al veel langer vraagtekens bij mijn geaardheid zette. En…’
      ‘Hou toch op met dat woord, Rory. Geaardheid. Dat bestaat niet. De man en de vrouw zijn voor elkaar geschapen, zo simpel is het.’
      ‘Niet waar!’ schreeuwde hij. ‘Zo simpel is het helemaal niet! Denk je dat ik hier zo mee worstelde als het makkelijk was?!’
      ‘Het is de media die je hoofd vol heeft gestopt met leugens.’
      Meneer Somers gaf weer een kneepje in zijn schouder. ‘Ga anders even naar je kamer, Rory, dan praat ik wel even met je ouders.’
      Rory trilde over zijn hele lijf. Hij wist niet welke emotie sterker was, de boosheid of het verdriet. Uiteindelijk draaide hij zich met een ruk om en stormde de kamer uit. De afgelopen twee dagen had hij zijn emoties zo ver mogelijk weggestopt, maar nu kwam het er allemaal uit. Boven op zijn kamer zakte hij op zijn bed neer. Hij haalde een paar keer diep adem. Niet huilen. Niet wéér huilen. Het was niet alsof zijn tranen zijn probleem magisch zouden oplossen. In plaats van zich door zijn emoties te laten meesleuren, vouwde hij zijn handen en sloot hij zijn tranende ogen, terwijl hij stilletjes bad of meneer Somers tot zijn ouders mocht doordringen.
      Nerveus bleef hij op zijn bed zitten wachten. Ver weg hoorde hij stemmen – stemmen die steeds harder werden. Een rilling schoot langs zijn rug toen hij zich realiseerde dat er geschreeuwd werd.
      Mijn schuld. Het is mijn schuld.
      Rory daalde de trap af.
      Als meneer Somers niet tot zijn ouders kon doordringen zoals hij gebeden had, betekende dat dan dat de man ernaast zat? Dat hij inderdaad zo zondig was dat zelfs God van hem walgde? Zijn maag klotste in zijn lijf terwijl hij dichter naar de deur liep. Plotseling voelden zijn voeten loodzwaar.
      ‘Houd je leugens buiten deze muren!’ donderde de stem van zijn vader. ‘Onze Heere zal nooit een relatie tussen twee mannen goedkeuren, daar is de Bijbel heel duidelijk over! Ernaar verlangen is net zo zondig als daadwerkelijk een relatie aangaan – en het aanmoedigen is nog veel erger!’
      ‘Met alle respect, maar je kunt de culturele context van de Bijbel niet zomaar doortrekken op deze tijd. We huwelijken onze kinderen ook niet meer uit, we laten onze minderjarige dochters ook niet met hun verkrachter trouwen en het is evenmin gebruikelijk om met je schoonzus te trouwen wanneer haar man overlijdt. Waarom wel deze regels aan je laars lappen?’ De stem van meneer Somers klonk rustig, maar wel streng. ‘Uw zoon is in de war, hij is verdrietig, hij gelooft dat hij slechts een tweederangs mens is. U zou hem moeten steunen, hem een luisterend oor moeten bieden.’
      ‘Vertel mij niet hoe ik mijn kind moet opvoeden!’ brulde zijn vader. ‘Ik word misselijk bij de gedachte dat hij een jongen zou willen aanraken! Het gebeurt niet, niet hier in mijn huis! Hij neemt zijn woorden terug en zegt dat hij zich vergist heeft of hij is hier niet langer welkom. Hij laat een schande over ons!’
      ‘Dat doet u zelf, meneer. U heeft een soort mal bedacht waar uw kind in moet passen, en alle eigenschappen die u niet aanstaan snijdt u eraf. Zo werkt het niet. Rory is uw zoon en u bent hem uw onvoorwaardelijke liefde verschuldigd, zoals Jezus ons heeft leren liefhebben. Niet alleen de zaken die u aanstaan, maar alles.’
      ‘Genoeg! Ik heb genoeg gehoord! Vergif stroomt uit uw mond.’
      ‘Het is niet het vergif uit mijn mond dat uw jongen huilend bij de brug liet staan, helemaal alleen.’
      Er viel een doodse stilte.
      Heel zachtjes deed Rory de deur open. Zijn wangen waren nat van de tranen, al had hij niet gemerkt dat hij weer was begonnen met huilen.
      Zijn ouders staarden hem aan, het gezicht van zijn vader net zo rood als de ogen van zijn moeder. Rory sloeg zijn armen om zichzelf heen, hij wist niet wat hij moest zeggen.
      ‘Willen jullie echt dat ik wegga?’ vroeg hij zacht.
      Zijn moeder boog haar hoofd en staarde naar haar knieën.
      ‘Nee, jongen. Maar je begrijpt toch wel dat je een oordeel over jezelf en onze familie hebt uitgesproken door die absurde uitspraken van je.’
      Absurde uitspraken?
      Hij dacht aan de uren twijfel die aan zijn bekentenis waren voorafgegaan. Het was geen losse gedachte, het was iets heel wezenlijks, iets wat hem vormde als persoon. Een persoon die hij blijkbaar niet mocht zijn.
      ‘Je kunt er niet aan toegeven, Rory,’ zei zijn moeder zachtjes. ‘Je moet zeggen dat je je vergist hebt.’
      Rory boog zijn hoofd. Dat betekende dat hij zichzelf moest verstoppen. Maar was dat echt zo erg, als dat betekende dat zijn ouders weer naar hem konden glimlachen?
      ‘Maar dan zou ik liegen,’ zei hij zachtjes. Dat mocht ook niet.
      ‘Het heeft geen zin, Martha.’ Zijn vader sloeg een arm om zijn vrouw heen. De arm waar Rory zo naar gehunkerd had. ‘Hij kiest voor zijn eigen geneugten in plaats van zijn familie.’ Hij keek op. ‘Ik weet niet wat er gebeurd is, Rory, waar het zo verkeerd is gegaan. Maar dit is geen gedrag dat we kunnen goedkeuren. Als jij je slechte begeerten wilt najagen is dat iets tussen jou en God – maar wij zijn verantwoordelijk voor jou zolang je in dit huis woont. Je neemt je woorden terug en vergeet je gevoelens, of je gaat weg en neemt je eigen verantwoordelijkheid.’
      ‘Weg?’ vroeg hij kleintjes. ‘Waar moet ik dan naartoe? Ik ben pas achttien.’
      Vader haalde zijn schouders op. ‘Dan weet je wat je te doen staat.’
      ‘Nee,’ sprak meneer Somers plotseling. ‘Ik denk dat jullie allemaal wat tijd nodig hebben om over de situatie na te denken. Je gevoelens wegstoppen is geen oplossing, niet voor Rory en niet voor jullie. Rory kan een tijdje bij mij blijven, in ieder geval totdat hij zijn diploma heeft gehaald.’
      Verward keek Rory de man aan. Hij was heel blij met zijn hulp – maar om nu bij de oude man te gaan wonen? Al had hij misschien niet zo veel keuze… Zou een van zijn broers er milder in staan?
      Hij durfde het niet eens te vragen, bang weer afgewezen te worden.
      ‘Goed dan,’ zei hij zachtjes. ‘Dan ga ik mijn spullen pakken.’
      Zijn ouders zwegen.

Reacties (2)

  • ProngsPotter

    Ergens heb ik medelijden met die ouders van Rory. Dat ze zich zo stevig vastbijten aan een één of ander idee dat ze daar niet meer voorbij kunnen kijken om te zien wat ze hun zoon aandoen..

    Lang leve meneer Somers en ik hoop dat Rory gauw weer een beetje zelfwaarde terug vindt <3

    2 maanden geleden
  • Necessity

    Ik herhaal mezelf: arme, arme Rory. Op dit moment is meneer Somers awesome en ik hoop echt voor Rory dat dat zo blijft en hij steun in hem gevonden heeft.

    2 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen