Katherine "Kate" Lancaster, 18 jaar, District 11
Wenen Wacht


Deel I.I: Furieus

Ik was niet boos op hem. Uiteraard, hij had mijn vertrouwen beschaamd, me beledigd, me gebruikt om zijn status te verhogen en me vervolgens als oud vuil gedumpt zodra er een knapper, jonger meisje langsliep, maar ik was niet boos op hem. Natuurlijk, hij had me nooit écht gerespecteerd, me nooit als gelijke behandeld, nooit iets gegeven om wat er in mij omging, maar ik was niet boos op hem.

Hij was mijn boosheid niet waard, en ik wist dat als ik een scène zou schoppen, zou gaan schreeuwen, stompen en trappen, hij uiteindelijk degene zou zijn aan wie onze samenleving het gelijk zou geven. 'Geen wonder dat hij van die krankzinnige trut af wil, ze is totaal hysterisch'. En bij God, ik had al wel genoeg scène geschopt, door zijn pogingen om onze relatie af te breken te weigeren. Schreeuwen, stompen en trappen zouden dit probleem niet voor me oplossen, ook al waren het nog zulke aantrekkelijke opties.

Ik was furieus, wat betekende dat ik op mijn beste hakken en met mijn kin in de lucht door het district liep, om te laten zien dat ik nog steeds de koningin was. Het betekende dat ik naar hem lachte, terwijl ik weigerde aan de kant gezet te worden, en probeerde te voorkomen dat hij bij iedere gelegenheid naar haar toeging. Dit was mijn district en mijn troon, en die zou ik nooit afstaan aan een meisje met een te korte groene jurk en te dikke rode lippenstift, dat ergens mijn vriend stond af te lebberen. Hij kon gedichten voor haar schrijven, hij kon haar zoenen, hij kon hemel en aarde voor haar bewegen, hij kon met haar doen wat hij wilde, maar hij kon haar niet op mijn troon zetten. Zo gemakkelijk kwam hij niet van me af.

Dus als ik wakker word op de dag van de Boete, trek ik mijn beste hakken aan, en zoek ik een jurk uit die me laat stralen, zonder dat er teveel huid voor hem beschikbaar blijft. Wanneer ik de trap af loop, word ik al snel begroet met een paar breed glimlachende gezichten. "Goedemorgen, Kate," groet mijn jongste zus, Mary, me. "Je ziet er goed uit."

Ik geef haar een korte omhelzing, waarna ik naast haar aanschuift aan de nog lege eettafel. "Wat doe je hier?" vraag ik. Mijn zussen en ik zijn volwassen, en zowel Mary als mijn oudste zus, Izzy, hebben inmiddels een eigen leven met een partner opgebouwd, en wonen met hem samen. Het is prettig om Mary te zien, maar ik ben het niet gewend, zelfs niet op de dag van de Boete.

"Ik kwam je succes wensen vandaag." Ze knipoogt. Echte zorgen zijn er niet voor ons. Er zijn miljoenen kinderen in District 11, met miljarden briefjes, maar ik heb nooit bonnen nodig gehad. De kans is er een uit miljarden, en ik weet dat ik niet getrokken gaan worden. De Spelen zijn, zeker in District 11, een zorg voor het arme gedeelte van de bevolking, met grote gezinnen en bonnen om al die monden te voeden. Het zijn de kinderen die soms honderden briefjes hebben, die echt iets te vrezen hebben - en zelfs dan zijn er nog zoveel anderen. "En ik kwam je haar doen, maar ik zie dat je het grootste gedeelte zelf al verzorgd hebt." Toch gebaart ze om mijn rug naar haar toe te draaien, zodat ze met de wilde, donkere krullen aan de slag kan. Ze laat haar donkere vingers zachtjes door mijn haren glijden en veegt een pluk voor mijn gezicht vandaan. Voorzichtig begint ze de lokken in kleinere plukken op te delen en in te vlechten. Als ze klaar is, haalt ze een goudkleurige diadeem tevoorschijn en grijnst ze naar me. “Ik dacht dat je deze misschien wel zou willen dragen. Om Rick te laten zien dat jij nog steeds zijn koningin bent, ook al doet hij nog zo zijn best om je te lozen,” legt ze uit.

Ik glimlach en pak het sieraad aan. Hoewel het waarschijnlijk niet van echt goud gemaakt is, is het mooi en vermoedelijk kostbaar, maar bovenal straalt het royale status uit. Mijn vriend heeft hem aan me gegeven voor ons jubileum, een jaar geleden, en ik ben zeker niet van plan hem af te staan - integendeel: ik ben van plan om er zoveel mogelijk mee te pronken. Niet omdat de schoonheid van het sieraad me aantrekt, maar eerder de symboliek die het uitstraalt. Mijn zus weet dat maar al te goed - ze kent me. “Dat lijkt me een heel goed plan,” antwoord ik, waarop Mary meteen de diadeem op mijn hoofd zet en voorzichtig vastzet tussen de vlechten.

“De Boete.” Mijn middelste zus, die na mijn binnenkomst niet meer opgekeken heeft, staat ineens op, waardoor de stoel waarop ze zat bijna omvalt. Haar blik is gericht op het niets, op alles, op dingen die wij niet kunnen zien. Ze trilt, sluit haar ogen en schudt haar hoofd.

Snel legt Mary de kam waar ze mee bezig was op tafel, loopt op mijn zus af en legt een hand op haar schouder, waarmee ze haar zachtjes weer op haar stoel duwt. “Rustig maar, Hannah,” sust ze zachtjes. “Er gebeurt niets. We gaan er samen heen en we gaan ook samen weer terug. Er is niets aan de hand.”

Maar Hannah pakt haar hand stevig vast en kijkt smekend van haar naar mij. “Phil,” zegt ze dan, en haar stem slaat over. “Is Phil al terug?”

Ik wissel een behoedzame blik uit met Mary, voor ik zachtjes antwoord geef. “Nee, Hannah. Phil komt niet meer terug, weet je nog?” Het is inmiddels zeven jaar geleden, maar toen mijn zus zeventien was, is haar vriend, die aanzienlijk vaker in de Boetebollen zat dan wij, voor de Spelen getrokken en nooit meer teruggekomen. Hannah is nooit meer dezelfde geweest, ondanks alle hulp van artsen en psychologen, die mijn ouders voor haar gezocht hebben in heel Panem. Nu is iedere dag waarop ze niet alleen maar lusteloos in de verte staart een overwinning. Ik kan me de Hannah van voor die tijd nauwelijks meer herinneren.

“Maar misschien wel,” mompelt ze, en haar blik verplaatst zich weer naar een andere wereld. Er trekt een rilling door haar heen, en terwijl ze verder mompelt sterft haar stem langzaam uit tot een fluistering. “Misschien. Mogelijk. Het zou kunnen. Eventueel. Phil.”

Mary wrijft troostend over haar rug, waarna ze naar onze ouders roept, waar in huis die ook mogen zijn, en met een zucht haar kam weer oppakt om de laatste hand aan mijn kapsel te leggen. “De allerlaatste keer.” Ze buigt voorover om het in mijn oor te fluisteren, om zeker te zijn dat Hannah het niet hoort, hoe ver weg ze ook lijkt te zijn. Als vandaag voorbij is, is de moeilijkste dag van het jaar voortaan voor Hannah er ook niet meer. Dit is de laatste Boete van het jongste gezinslid, en het is zeker dat ik die gemakkelijk doorkom. Na vandaag hoeven we nooit meer een Boete te zien, of in ieder geval niet meer tot we zelf kinderen hebben met hun namen in de bol. Nog minstens twaalf jaar.

Ik glimlach kleintjes en zucht zacht. De gedachte laat ondanks alles een last van mijn schouders af vallen. Eén keertje nog. Nog één keertje, en dan hoef ik jaren niet meer aan de Boete denken. Ik heb betere dingen te doen.

Ik laat mijn gedachten vast afdwalen naar mijn boekenkasten, naar de eeuwenoude werken die ik nog wil lezen, de toneelstukken en literatuur en geschiedwerken, waarin oude landen en wereldsteden tot leven komen in eeuwenoude talen. In gedachte sla ik een van de werken open, dwaal ik door de eenzame straten van een uitgestorven binnenstad, tot ik bij het citaat uitkom dat, in het oorspronkelijke oude Engels, Rick een waarschuwing geeft die hij nooit daadwerkelijk gehoord heeft. Als hij het had gehoord, als hij het had begrepen, was alles misschien anders geweest. Maar inmiddels waren de woorden waar en echt, voorzichtig onderstreept in dat boek in een van mijn kasten, en nadrukkelijk omcirkeld ergens diep in mij.


Heaven has no rage like love to hatred turned, nor hell a fury like a woman scorned.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen