hi ik ben eigenlijk helemaal niet tevreden hiermee maar ik heb geen zin om er meer moeite in te steken - oh, en credits naar Duendes voor Nate en Sierra

oh, en oeps is hij lichtelijk afgeraffeld aan het einde? misschien

HOOFDSTUK 2. Loterijloten zonder prijs

                       

“Hey, Persephone!” Luid galmend door de smalle straat klonk de stem van Nate, mijn buurjongen en beste vriend. Voor de eerste keer in jaren had ik niet op hem gewacht - hij deed ten slotte niet meer mee met de Boete.
      “Oh, hallo!” zei ik verrast. “Goedemorgen.” Kort bleef ik stilstaan, zodat hij me in kon halen.
      Wanneer hij even hijgend naast me bleef staan sloeg ik mijn armen over elkaar. “Je kunt gewoon Percy zeggen, Nathanael? Dat heb ik toch al gezegd-”
      Als reactie kwam er enkel een heldere lach over zijn lippen. “Persephone klinkt gewoon goed,” zei hij. “Het is een mooie naam, niets mis mee om hem af en toe te gebruiken.” Hij haalde zijn schouders op.
      “Denk je?” Vragend trok ik mijn wenkbrauwen op - het was niet dat ik mijn naam lelijk vond, of zo, maar wel lang, en aangezien ik Nate al jaren kende zou ik denken dat hij mijn bijnaam zou gebruiken. Het was tenslotte gemakkelijker.
      Met een grijns stak hij zijn handen in zijn zakken. “Natuurlijk, ik heb altijd gelijk.” Hij bleef even stil. “Heb je een nieuwe vriend gevonden?"
      “Wat?” Verward keek ik hem aan, volgde zijn blik tot mijn ogen landden op Kore, in mijn eigen handen. Blijkbaar had ik haar meegenomen - compleet gemist, maar niet erg. “Oh! Ja, ze was in de aanbieding,” zei ik, terwijl ik de plant haast in Nate’s gezicht schoof om haar te laten zien.
      “Heeft ze al een naam?” vroeg hij, zich naar voren buigend om beter te kijken.
      Ik knikte. “Ze heet Kore.”
      “Leuke naam,” merkte hij op, en liep weer verder van waar we waren blijven staan om Kore te bewonderen. Juist, we moesten ergens naartoe.
      Het bleef een tijdje stil terwijl ik de tijd nam om naar de kleine plukken groen aan de randen van de weg te kijken - plukken groen die, naarmate we dichterbij het grote plein kwamen, steeds groter werden aangezien hier de rijkere mensen woonden. Ik wilde hier ooit wonen, besloot ik. Ik vond vast wel een manier.
      Het was, zoals vaker gebeurde, Nate’s stem die de stilte doorbrak. “Ben je zenuwachtig, Perce?”
      Wat? Oh - de Boete. Ik slikte even en keek op, waar Nate’s normaal lichtbruine ogen donkerder leken door zijn bezorgde blik.
      “Ik denk het wel,” zei ik uiteindelijk met een wat benepen stem. Eigenlijk wilde ik niet dat hij zich zorgen ging maken, maar het was niet alsof ik goed was in liegen.
      “Begrijpelijk,” stemde hij met warme stem in, “dat is okay.” Kort legde hij zijn hand op mijn schouder en kneep er zachtjes in. “Je zit er maar een paar keer in, toch? De kans is klein dat je wordt getrokken - het komt vast goed.”
      Ik was niet overtuigd. Er was altijd een kleine kans dat één van mijn briefjes alsnog werd getrokken, wat er dan weer voor zou zorgen dat ik de Arena in werd gestuurd en het leek me niet dat ik daar tussen de bloemetjes zou kunnen zitten om mijn problemen te ontwijken.
      “Als ik er met al die briefjes veilig doorheen gekomen ben, dan moet het jou zeker lukken,” probeerde Nate me nog eens gerust te stellen.
      Daar kon ik niet veel tegenin brengen - Nate was negentien, en had de volle zeven jaar meegedaan met bonnen voor zichzelf, zijn zusje en zijn ouders.
      Kort beet ik op mijn lip, besloot dat hij gelijk had en glimlachte. “Je hebt gelijk,” gaf ik toe. “Vier briefjes is niet zoveel?” Toch? Zeg alsjeblieft ja, ik weet niet of-
      “Precies, vier keer is niets,” stemde Nate in. Hij sloeg een arm om mijn schouders en trok me wat dichterbij. “Geen zorgen, Percy. De Boete is gewoon altijd een rotdag.”
      Een zachte lach gleed over mijn lippen. “Ja, okay, het is binnen een uurtje of zo over.” Een uur was niet zo lang, nu ik erover nadacht. Binnen zestig minuten zou ik weer naast Nate lopen, maar dit keer naar huis. Naar huis… “Oh, trouwens, ik wilde je nog vragen: blijf je vanavond bij ons eten?” Ik hoopte stilletjes van wel. Ik vond het fijn wanneer Nate langs kwam - een paar jaar geleden had hij dat vaker gedaan, voor ‘familie redenen’, maar nu minder en ik miste hem een beetje.
      Wat ongemakkelijk haalde Nate een hand door zijn haar. “Als je grootouders het geen probleem vinden,” stemde hij in met een scheve grijns. “Zolang ze me nog binnen willen laten, kom ik graag.”
      Met een frons keek ik op. “Mijn grootouders vinden je leuk, Nate,” zei ik. “Plus, oma zegt toch altijd dat je meer moet eten.” En ik ben het met haar eens. Nate was veel te mager, vond ik.
      “Die woorden neemt ze vast terug als ik straks de hele pan leeg eet,” grapte hij. Na een korte stilte viel zijn grijns een beetje. “Dank je, Percy.”
      “Geen probleem,” zei ik zachtjes. Ik keek op toen de weg van stof naar steen veranderde, en mijn ogen gleden over het het stadhuis en toen het grote plein dat ervoor lag, en uiteindelijk bleven ze steken bij het podium, waar onze escort nog nergens te zien was. “Ik- ik moet gaan, denk ik.”
      Nate knikte en net toen ik weg wilde lopen trok hij me in een knuffel. “Geen zorgen,” mompelde hij in mijn haar, “ik zie je na de Boete.”
      Zonder iets te zeggen verstevigde ik mijn grip op zijn shirt even en bleef voor een paar seconden tegen hem aan staan, tot we uiteindelijk werden onderbroken door het luiden van de klok.
      Met een klein stapje achteruit liet ik los. “Ik hou van je, Nate,” zei ik zacht en voordat hij iets kon zeggen draaide ik me om en liep weg om me aan te sluiten bij de rijen kinderen achter de loketten. Ik keek niet om.

“Percy!” Arate’s heldere stem schalde over het geroezemoes van de vijftienjarigen heen.
      Ik trok mijn mond van mijn bebloede vinger af - de prik bij het registreren was net iets te diep geweest - en hief mijn blik op om haar te zoeken, probeerde toen op mijn tenen te staan en daarna te springen.
      “Arate?!” riep ik uiteindelijk in de hoop dat ze me zelf zou vinden, wat ze deed. Ik voelde een tik op mijn schouder en draaide me om.
      Arate zag er, zoals altijd, goed uit, maar ik zag dat ze vandaag extra haar best had gedaan. Haar zachte, blonde krullen waren netter uitgekamd dan normaal en haar blauwe ogen werden extra benadrukt door subtiele, bruine oogschaduw. Haar roze lippen waren iets donkerder dan gewoonlijk.
      Haar jurk, echter, maakte het af - ze droeg een lichtroze jurk van heel veel tule, die elegant van haar schouders af hing en viel tot boven haar knieën. Arate zag er altijd mooi uit maar als ze het besloot te benadrukken was het nog beter te zien dan normaal en oh, daar was ik niet aan gewend, die jurk stond haar heel goed - mijn wangen werden warm, en ik draaide even mijn hoofd weg.
      Na een paar seconden schraapte ik mijn keel, opkijkend van haar jurk. “Goedemorgen,” zei ik zacht.
      Arate nam me langzaam op, zoals ik haar had bekeken. Haar wenkbrauwen waren ietwat gefronsd - waarom, lag het aan mij, zag ik er-
“Je ziet er schattig uit, Perce,” besloot ze, trok toen een plagende wenkbrauw op, “ik heb die jurk al maanden niet meer gezien. Ik was al bang dat je hem vergeten was.” Okay, niets aan de hand.
      Ik voelde mijn gezicht iets warmer worden en legde een hand in mijn nek. “Minder comfortabel dan normaal,” mompelde ik schuldig.
      Haar ogen werden wijd en ze kwam wat dichterbij, tot het punt waarop ik haar sproeten kon tellen. “Percy! Dat had je gewoon kunnen zeggen, lieverd. Oh, shi- chips, ik kan niet geloven dat ik-”
      “Het is niet erg!” onderbrak ik haar snel. Vuurrood zette ik een stapje achteruit. “Echt niet. Winkelen is best leuk, met jou, zeg maar, het was leuk om het uit te proberen, snap je?” Wat ongemakkelijk beet ik op mijn lip. Ik wilde niet dat ze er spijt van zou hebben - die ene dag kleren kopen met Arate was leuk geweest, een avontuur. Anders dan die dag ging ik er nooit op uit - al helemaal niet met Arate, die meestal geen tijd had.
      Ze tuitte haar lippen even. “Zeker?”
      Ik knikte.
      “Okay, dan. Kom je mee?”
      Ik onderdrukte de neiging om haar te vragen waar naartoe, want mijn antwoord zou toch nooit ‘nee’ zijn - ik kende ten slotte geen andere mensen en ik vond het fijn om bij Arate te zijn. “Okay.”
      Met veel ‘sorry’s’ volgde ik haar door het doolhof van meisjes tot ik bij haar vriendengroep uitkwam, haast volledig compleet minus het vriendje van de klassenvertegenwoordiger, die zich een tussen de jongens bevond.
      Ik kende Arate’s vriendengroep niet goed en had daar nooit de kans toe gekregen. Ze waren - wel, intimiderend. Quinn was erg formeel: ze was constant druk met school, haar vriend (naar wie ze verwarrend onaardig was) en haar andere vrienden. Naast haar autoritaire toon leek het me ook gewoon beter om wat uit de buurt te blijven omdat ze al genoeg aan haar hoofd had.
      Lillian was een bijzonder geval. Ze leek constant verveeld en alsof ze bij niemand in de buurt wilde zijn, en Arate had een keer gezegd dat ze het meisje niet helemaal vertrouwde. Van Arate komende leek me dat genoeg reden om haar met rust te laten - Lillian had waarschijnlijk toch geen behoefte aan mijn gezelschap.
      Sierra… Sierra was best aardig, maar intens en haast verwarrend - daarnaast was ze meer met Arate bezig dan met mij als we ooit contact hadden, wat ik wel snapte. Arate was sociaal en open en ze kende het trio beter dan ik, dus ik besloot me uiteindelijk maar niet teveel te vermengen. Ik wilde niemand lastigvallen.
      Dus in plaats van me te vermengen in hun gesprek keek ik op naar de film die ieder jaar bij de Boete werd gespeeld en, terwijl Quinn over haar vriendje klaagde - ik had nooit met de jongen gepraat, maar ze beschreef hem vaak als vrij gemeen -, ging ik op in het verhaal dat ik al meerdere keren had gezien en gehoord van mijn grootouders: de oorlog die had geleid tot het ontstaan van de Hongerspelen. De oorlog in kwestie was tussen het Capitool en de districten en, spoiler alert, het Capitool had gewonnen. Als straf verwoestten ze District 13 en kwamen ze op met het idee van de Hongerspelen, een spel waarin het de bedoeling was dat 24 kinderen in een Arena werden gegooid om elkaar te vermoorden, totdat er een winnaar overbleef.
      Ik was geen fan - persoonlijk dacht ik dat er betere opties waren dan massamoord, zoals over het conflict praten, of zoiets. Dat is wat ik zou doen, tenminste, maar misschien wist ik gewoon niet hoe een oorlog werkte. Natuurlijk wist ik niet hoe een oorlog werkte, ik had nooit-
      “Wat een prachtige film. Het grijpt me iedere keer, echt hoor.” Een hoge stem met een duidelijk accent - die van het Capitool - schalde over het plein seconden na het einde van de film en schudde me uit mijn gedachten. Toen ik de stem volgde landden mijn ogen op Aite Aelia, de escorte die ieder jaar in naam van het Capitool verscheen voor de Boete.
      Dit jaar zag ze er (alweer) uit als een nieuw persoon: haar krullen waren blauw en haar jurk, die vorig jaar lang en elegant was geweest, was kort en deed me haast denken aan ondergoed. Ik wist niet echt wat ik ervan moest vinden, maar besloot uiteindelijk dat ik de pofmouwen en de kleine rozendetails leuk vond.
      Ieder jaar droeg Aite schoenen met hoge hakken waar ze altijd een beetje op wankelde als ze te snel liep. Ook op dat moment, terwijl ze naar de eerste Boetebol trippelde, was ik bang dat ze zou vallen - weer slaagde ze er echter in om zonder ongelukken de bol te bereiken.
      Op dit punt was er een doodse stilte gevallen over het plein. Terwijl Aite met lange nagels door de bol graaide zat iedereen doodstil te wachten op de ongelukkige tribuut van het jaar, de persoon die de Arena in zou gaan - en met een schok realiseerde ik me dat ik me zorgen moest maken, zowel voor anderen als voor mezelf. Getrokken worden leverde een vrij zekere dood op en op de leeftijd van vijftien vond ik dat het een beetje vroeg was om te sterven. Snel schoot ik een schietgebedje door mijn hoofd - niet mij, niet Arate, niet haar vrienden, niet Nate’s zusje. Alsjeblieft.

“Persephone Cottar.”
      Voor een paar seconden bleef ik stilstaan terwijl de moeren draaiden in mijn hoofd om de woorden te verwerken. Het drong niet tot me door tot…
      “Percy,” hoorde ik achter me. Arate. Ik draaide me half om en zag haar diep ademhalen, haar gezicht vertrokken in pijn. “Persephone.”
      Oh. Met een schok schoot de realisatie door me heen: dat was mijn naam, mijn volledige naam die niemand gebruikte, en hij was uitgeroepen door Aite van het Capitool en naar het Capitool gaan betekende naar de Hongerspelen gaan en ik kon niet ademen, alles draaide en ik ging-
      Een luide klap doorbrak agressief de stilte op het plein en het lawaai in mijn hoofd. In verrassing keek ik om me heen en mijn blik landde op Kore, die uit mijn handen was geglipt en verrassend genoeg nog heel op de grond lag, en toen weer terug op Aite, die vol verwachting het publiek inkeek.
      Langzaam stak ik mijn hand op en ik merkte dat hij trilde, dat mijn hele lichaam trilde, maar ik kon het helemaal niet tegenhouden, probeerde het niet eens. In plaats daarvan schoof ik mijn handen snel in mijn zakken.
      Vaag hoorde ik iemand mijn naam zeggen, alsof het door watten kwam. Daarna werd mijn hand gepakt en er werd iets ingezet. Kore.
      Ik ademde diep in. “Dank je, Arate.” Mijn stem was haast onherkenbaar, zo hoog, en ook sloeg hij een beetje over.
      Eindelijk bewoog mijn lichaam en langzaam, mechanisch, liep ik naar de rand van mijn vak, dook onder het koord door en bleef lopen, tot het iets minder ongewoon voelde, iets minder alsof ik me in een gevaarlijke situatie bevond, en uiteindelijk stapte ik op het podium.
      Langzaam draaide ik me om naar mijn district, keek niemand aan. In plaats daarvan wierp ik een blik op Aite, die mijn briefje nog in haar lange nagels had. Mijn naam stond erop in grote, rode letters.
      “Hi!” zei Aite vrolijk - te luid, net iets te luid. “Dus, Persephone, hoe oud ben je, lieverd?”
      Stroef opende ik mijn mond. “Vijf… um, vijftien,” stotterde ik zacht. Soepel, wel.
      Aite klapte in haar handen. “Persephone Cottar van vijftien, iedereen!” riep ze toen uitbundig in mijn oor. Geschrokken veerde ik op.
      District 3 aarzelde even en realiseerde zich toen dat het tijd was om beleefd te klappen. Ze begonnen net te laat en eindigden net te vroeg.
      “En dan nu, de heren!” zei Aite uiteindelijk met een brede glimlach. “Nou, hier komt het hoor, mannen!” Met licht wankele pasjes bewoog ze naar de tweede Boetebol en greep een briefje.
      “Casio Babylon.” Wie nou? Oh, juist - Casio Babylon zat waarschijnlijk gewoon niet bij mij op school.
      Enkele seconden gingen voorbij zonder enige reactie uit de jongensvakken. Aite klakte geërgerd haar tong.
      “Casio Babylon?” herhaalde ze. “Kom op, wees niet zo verlegen!”
      Ik kon het de jongen niet kwalijk nemen - ik had ook niet bepaald naar voren willen lopen en ik wilde hier niet zijn en de ogen van het hele district op me voelen want dat was veel te veel aandacht.
      “Ik denk dat Casio plankenkoorts heeft,” zei Aite. Ze zuchtte ongeduldig. “Kan iemand hem even helpen?”
      Meteen kwamen er een paar vredebewakers tevoorschijn om… op zoek te gaan naar Casio Babylon? Hoe wilden ze hem gaan vinden? Het leek me onwaarschijnlijk dat ze wisten hoe de jongen eruit zag- oh.
      Een jongen werd plotseling uit het publiek geduwd. Daar was hij dus- wacht, nee, dat was Paradigmo van een klas onder die van mij. Hij had ooit een robotcompetitie gewonnen - oh, en hij was niet de getrokken jongen.
      Na nog een paar momenten bleek het dat de vredebewakers hem eindelijk op de een of andere manier hadden gevonden, maar toen hij eindelijk tevoorschijn kwam was ik bijna geneigd om te geloven dat het nog een fout was.
      Casio droeg namelijk een rok, een best wel mooie en nette, en een blauwe trui. Zijn - zijn? Hij of zij? Ik hield het maar op ‘hij’ - haar was langer dan verwacht, tot ongeveer zijn schouders.
      Ik zette een stapje naar voren om een betere blik te krijgen. Fascinerend.
      Aite had de… unieke keuzes ook opgemerkt. “Nou, Casio, jij ziet er erg… bijzonder uit,” zei ze vrolijk. “Hoe oud ben je?”
      De jongen bleef stil, maar ik wist het antwoord al. Hij had gestaan bij de veertienjarigen.
      “Ahw, hij is verlegen,” probeerde Aite de situatie te redden. “Dat is okay, ik zou ook overwelmd zijn als-” ze ratelde nog wat door maar ik volgde het allemaal niet meer, niet helemaal. In plaats daarvan probeerde ik Nates gezicht te vinden in het verdere publiek, of mijn grootouders of wie dan ook. Hoe onbeleefd het ook voelde, ik had geen behoefte om beter naar Aite te luisteren. Ik wilde hier niet staan en hoe intrigerend het me ook leek, ook niet naar het Capitool. Op dit punt wilde ik alleen maar naar huis.


                       

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen