D’agon wandelde over het gebied van de wezens op een sloom tempo, terwijl Noë en Qyma hem aanstaarde. Ze vroegen zich echt af wat hij van plan was.
Ze kropen een beetje in geheim door het gebied. Om te kijken wat D’agon aan het doen was.
De wezens die ze eerder zagen leek even nergens te bekennen te zijn. Dat was wel vrij opmerkelijk.
Ze kwamen dichtbij het midden van het kamp, en zagen een zwarte bol zweven boven op een plateau. Iets hield die bol op zijn plek ondanks het erboven zweefde, aangezien het voor de rest geen kant op ging.
“Is dit wat het wezen bedoelde?” vroeg Qyma toen vragend. Noë knikte.
Ze zagen dat D’agon ervoor stond, en er alleen maar naar staarde. Hij stond zo in zicht dat die andere wezens toch wel echt moesten weten dat hij hier was. Wat precies was hier gaande?
D’agon hield een van zijn klauwen omhoog en het leek elektrisch contact te maken met die bol. Bliksemschichtjes verscheen dat D’agon en de bol met elkaar in contact liet staan. Wat betekende dit zelfs?
“Ik neem aan dat jij ook geen idee hebt wat hier gaan is…?” vroeg Qyma. En opnieuw schudde Noë zijn kop. Hij had liever gehad dat Qyma zijn kop hield op dit moment.
Hij vond het nog steeds verdacht dat D’agon niet gezien werd door de wezens. Ook eigenlijk vrij verdacht dat zij nog niet gevonden werden.
“Ik denk dat we hier weg moeten,” fluisterde Noë terug naar Qyma.
Noë stond kort erna op en rende toen ineens weg van deze plek. Qyma draaide zich even verward om en besloot toen achter Noë aan te rennen. Ze rende tot aan de rand van het gebied waarbij Noë weer stopte met rennen.
“Die wezens weten waarschijnlijk dat we naar D’agon keken, als ze ons wilden grijpen, dan hadden ze dat al zeker gedaan.” Qyma ging voor Noë zitten en dacht zelf dan ook even na.
“Als dat zo is, waarom rennen we dan weg? Dan konden we gewoon kijken wat D’agon aan het doen was, want dat was echt heel vreemd.” Noë zuchtte en knikte toen. D’agon deed inderdaad heel vreemd.
“Ik weet ook niet zo goed wat we moeten doen, maar het is duidelijk dat wij niet die zwarte bol iets aan kunnen doen. We hebben magie nodig, of zoiets dergelijks.” Qyma keek zorgelijk op, aangezien dat betekende dat ze Za’afiel moesten vragen. En niemand had eigenlijk veel zin om tegen Za’afiel te spreken.
“Moet dat nou echt?” vroeg Qyma er dus achterna. Noë knikte aangezien voor hem was dat mogelijk de enige manier.
Een schaduw vloog over ze heen, iets wat de honden hun aandacht trok. Kort erna landde iemand met een harde klap voor hun neus.
“Ik denk dat we niet meer hoeven te vragen,” zei Qyma opmerkelijk wanneer hij Za’afiel zag met Diablo op zijn rug.
“Vertel op, wat is het plan?” vroeg Za’afiel kort af, verbazend vriendelijk.
“Waarom ben jij hier ineens? Ik dacht dat je ons niet wilde helpen.” Noë kwam voor Qyma te staan, aangezien hij eerst uitleg wilde waarom Za’afiel hier nu ineens was.
“Er is hierbuiten iets aan de hand, dus die koepel moet weg.” Noë keek moeilijk maar knikte daarna. Het was geen duidelijk antwoord, maar hij wist dat Za’afiel waarschijnlijk toch niet meer van zich liet horen.
“Er is een zwarte bol in het midden van dit kamp, maar we weten niets van deze wezens. Ze lijken slimmer te zijn dan ze eruit zien. Zojuist nog wandelde D’agon ons voorbij, en wandelde door het gehele kamp zonder dat de wezens naar hem toe ging voor een of andere reden. Dat betekend dat de wezens wisten dat hij hier heen zou komen. Daarbij, die wezens wilde dat wij het zagen. Want ze gingen ook niet achter ons aan.” Za’afiel keek bedenkelijk Noë aan, en was eigenlijk verbaast over de informatie die hij hem gaf. Hij had nooit echt door gehad hoe slim Noë eigenlijk was, dit blijkt weer dat hij niet alleen maar een dom gewone hond was.
“Die zwarte bol is de oplossing?” Vroeg Za’afiel hem toen, waarbij Noë knikte.
“We weten alleen daar niets van, maar het staat in verbinding met D’agon. We konden niet door hem heen komen. Alsof hij bestuurd werd.” Za’afiel moest lichtelijk grommen.
“Dit is dus waarom ik hem niet vertrouw. Hij zorgt alleen maar voor problemen,” zei Za’afiel er toen achteraan. Za’afiel wandelde van hen weg weer verder het bos in en ging verderop ergens liggen om na te denken wat voor een goed plan hij kon bedenken.
De honden kwamen achter hem aan en kwam voor hem liggen.
“De mens noemde zo’n wezen ook wel een robot, of een synth. Waarschijnlijk een synth in dit geval. Hij denkt namelijk voor zichzelf, maar zulke wezens blijven toch machines. Of te wel manipuleerbaar. Als deze wezens hem in hun macht heeft, dan moeten we zeker weten uit kijken wat er aan de klauw is. D’agon kan net zo goed ons constant hebben bespioneerd, zelfs al wist hij er niets van.” Za’afiel keek de honden streng aan.
Diablo gleed langzaam van Za’afiel af, en ging ondertussen bij de honden liggen.
“We kwamen ook een van de wezens tegen, ze spraken over heel veel dingen, maar daar hebben we het later nog wel over, we moeten nu gewoon van die zwarte bol afkomen.”
Za’afiel knikte naar de honden en de wolf die voor hem lagen.
“Dus we gaan D’agon negeren…?” vroeg Qyma nog voor de zekerheid.
“D’agon is geen levend wezen, hij is niet te vertrouwen, en al zeker niet als hij in contact staat met deze organisatie. En daarmee uit.” Zei Za’afiel nog even voor hij op begon te staan.
Noë zuchtte nog even diep voor hij ook op begon te staan. Hij keek even Za’afiel aan en draaide zich dan toen om naar de andere twee.
“Ik wil dat jullie hier blijven, en dat jullie D’agon volgen. Het maakt mij niet uit wat Za’afiel zegt, D’agon is een vriend van ons.” Qyma knikte meteen. Hij wilde ook niet dat ze D’agon in zijn eentje lieten.
Noë wandelde daarna weer terug naar het kamp, met Za’afiel achter hem aan. Ze hadden nog geen plan, maar hoe dan ook wilden ze de koepel weg krijgen, voor het helemaal niet goed zal gaan.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen