Terwijl Za’afiel en Noë terug naar het kamp wandelde stond ineens D’agon voor hun stil.
“Ik dacht dat je thuis zou blijven, Za’afiel,” zei D’agon dan ineens.
Za’afiel keek hem maar vreemd aan, omdat hij dat ook over D’agon kon zeggen, en dat deed hij dan maar ook.
“Ik dacht dat je ook bij ons bleef, met Diablo.” Het was even een korte stilte, wat vreemd was omdat volgens Za’afiel zou het niet zo moeten zijn dat D’agon zo lang zou hoeven na te denken over wat hij wilde zeggen. Na een tijdje wachten begon D’agon dan ook eindelijk te spreken.
“Je hebt gelijk, ik weet niet hoe ik hier ben gekomen.” Noë keek bedenkelijk op terwijl hij op de rug van Za’afiel zat omdat, dat sneller is om te reizen dan als hij zelf zou wandelen naar het kamp.
“We zagen je naar het kamp toe lopen. Je wandelde zelfs naar die zwarte bol. Herinner jij je dat niet?” Na Noë’s argument keek D’agon even weg, opnieuw moest hij zolang nadenken voor een antwoord. Noë maakte zich wel een beetje zorgen over hoe D’agon hierop reageerde. Hij hoopte dat het niet iets ernstigs was.
“Ik heb die zwarte bol geïnspecteerd, ik denk dat ik een manier heb om die bol uit te schakelen. Dan hebben jullie allemaal weer jullie zuurstof terug.” De antwoorden van D’agon werd alleen maar vreemder, maar dat hij een manier wist hoe die bol uitgeschakeld moest worden klonk wel aantrekkelijk.
“En hoe doen we dat dan?” vroeg Za’afiel erna.
“Er zit een systeem in die bol, als ik mij daaraan aansluit kan ik denk ik die bol aansturen te stoppen met deze koepel. Misschien in het gunstigste geval voor altijd onschadelijk maken.” De antwoorden werden echt steeds vreemder.
“Kan je ook vertellen hoe wij die bol kunnen uitschakelen?” Vroeg Za’afiel, omdat hij het niet vertrouwde dat D’agon de zwarte bol ging uitschakelen. Het was ieder geval voor Noë en mogelijk ook D’agon wel duidelijk dat hij D’agon niet vertrouwde, maar de rare antwoorden beviel Za’afiel gewoon niet. Niet dat het echt iets nieuws was voor Za’afiel om D’agon niet te vertrouwen.
“Je magie zal niet werken op de bol, Za’afiel. Het kan alle soorten magie absorberen en terug schieten. Dat zou je dood kunnen zijn.” Za’afiel moest lichtelijk grommen.
“Überhaupt de bol aanraken kan al dodelijk zijn,” zei D’agon er nog even achterna.
“Jouw vertrouwen kan onze dood zijn.” Eindelijk waren die wantrouwende woorden eruit.
D’agon leek er niet zo van te schrikken. Deels ook niet omdat hij amper nog emoties kon tonen en het enige wat hij deed was lichtelijk knikken.
“Dat snap ik, maar dit is iets waarmee jij mij kan vertrouwen. Want ik wil niet dat jullie sterven. Jouw kinderen en de honden waren altijd zo aardig voor mij geweest, waarom zou ik jullie dan dood willen hebben?” Za’afiel keek hem emotieloos aan, hij vertrouwde D’agon voor geen meter. En deze trouw bekentenis was ook iets wat hij niet kon vertrouwen.
“Noë, ga terug naar de rest en breng ze naar een veilige plek. Ik ga samen met D’agon dit wel oplossen. Als dit gevaarlijk wordt, dan wil ik degene zijn die de klap ontvangt, en niet jij.” Noë keek even op, maar Za’afiel kon hem natuurlijk niet aankijken.
Noë knikte en sprong toen behendig van Za’afiel af nadat Za’afiel door zijn knieën op de grond ging liggen.
“Ik zal ze in veiligheid stellen, doe voorzichtig Za’afiel.” Ondertussen bleven D’agon en Za’afiel elkaar aanstaren. Het was maar een vreemde aanzicht, alsof ze beide in een soort staar wedstrijd zaten.
Noë keek ze nog even aan toen hij geen antwoord van ze kreeg, en wandelde toen terug naar Qyma en Diablo.
Eenmaal aangekomen ging Noë voor Qyma en Diablo staan.
“Laten we naar onze thuisplek gaan, Za’afiel en D’agon gaan proberen die bol te vernietigen. En als het lukt, dan kunnen we eindelijk weer terug de buitenwereld in.”
“Ik zou het wel fijn vinden wat frisse lucht te krijgen, het begint al een beetje ijl te worden hier,” zei Diablo toen, Qyma knikte.
“Ik weet het, maar als we geluk hebben is het zo voorbij.” Diablo en Qyma stond toen voorzichtig op en rende toen met Noë terug naar hun normale plek.
Het alsmaar rennen begon wel steeds moeilijker te worden voor de honden aangezien het lucht inderdaad steeds ijler begon te worden. Daarbij D’agon zei al dat ze maar een paar dagen hadden om normaal te kunnen ademen.
Vooral Diablo had er ineens veel moeite mee. Hij viel zowat neer eenmaal de plek te hebben bereikt, en bewoog zelfs eventjes niet. Hij sloot zijn ogen om meer rust te vinden, zodat hij meer kon concentreren op zijn ademhaling.
Noë wilde er graag bij liggen, maar aangezien het waarschijnlijk te maken had met te weinig lucht, was het niet verstandig bij Diablo te gaan liggen. Dan zou nog meer lucht ontnemen die Diablo op die plek nodig had. Hij besloot dan maar een stukje ervan af te liggen.
Qyma ging wel naast Noë liggen en keek hem toen aan.
“Zou het zo echt opgelost zijn, denk je?” Noë knikte, maar sprak pas veel later.
“Laten we het hopen dat D’agon ons niet voorliegt. Hij reageerde zo raar, Qyma. Eerst zei hij dat hij niet wist wat hij daar deed, en daarna had hij ineens een plan hoe hij die bol kon stoppen. Het klopt gewoon niet.” Noë draaide zich om naar Qyma wanneer hij sprak, en Qyma zuchtte alleen maar. Hij wist ook niet zo goed wat hij hierop moest reageren.
“Ik denk, ik denk dat… dat het wel goed komt.” Het kwam bij Diablo vandaan die nog steeds half dood op een afstandje naar adem zat te snakken.
“Laten we het hopen,” zei Noë er achteraan.

D’agon en Za’afiel wandelde weer terug het kamp in en zagen niemand om hen heen. Za’afiel had nog nooit de wezens gezien, en wist dus ook niet echt voor wat hij moest gaan uitkijken. Hij hoopte gewoon dat hij met rust gelaten werd. En ook dat D’agon hem niet voorloog. Aangezien hij echt niet zo zin had om te sterven.
“Weet je zeker dat dit plan werkt?” vroeg Za’afiel, D’agon toen.
“Nee, maar meer ideeën heb ik niet, en ik wil niet dat jullie zonder zuurstof kom te liggen.” Za’afiel keek kort om naar D’agon voor hij zich weer ging focussen om zijn omgeving.
De tentjes waren niet bepaald groot. Dat zou dus betekenen dat de wezens ook niet zo groot zou zijn. Alles stond ook nog steeds opgesteld alsof ze zo terug konden komen, wat maar een raar aanzicht was voor Za’afiel.
“Enig idee waar de wezens zich verstoppen, D’agon?” D’agon schudde zijn kop.
“Ik kan deze wezens niet scannen, alsof ze natuurlijk zijn afgeweerd van mijn scanners. Of omdat ze misschien niet eens bestaan.” D’agon zei het vrij normaal, maar voor Za’afiel klonk dat nogal verontrustend. Deze wezens wisten dus waarschijnlijk meer van D’agon af dan dat hij dacht.
D’agon en Za’afiel wandelde dichterbij naar de bol en beide keken er naar.
“Dus… Wat gaat we nu doen?” vroeg Za’afiel voorzichtig aan D’agon.
“Jij gaat niets doen, dit is iets wat ik in mijn eentje moet doen.” D’agon wandelde met die woorden dichterbij op de zwarte bol af en stond er uiteindelijk nog geen meter er vandaan.
“Als je maar weet dat ik je nog steeds niet vertrouw.”
“Dat weet ik nu wel.” Kort erna kwam D’agon in contact met de zwarte bol en schoten er bliksemschichtjes heen en weer van D’agon en de zwarte bol.
Ondanks het geluid van elektriciteit was het best rustig. En het enige wat Za’afiel kon doen was toekijken. Hij zag niets veranderen, hij voelde ook niets veranderen. En hoe langer dit duurde hoe meer wantrouwen Za’afiel begon te hebben.
Hij begon te denken aan alle mogelijkheden D’agon hem kon misleiden en dat was best verontrustend. Omdat hij niet eens zeker was of magie wel iets was wat D’agon kon stoppen. Hij wist hoe sterk een van D’agon’s aanvallen waren, een van zijn spreuken die hij gebruikte om zichzelf te beschermen begaf het zo wat. En hij wist zeker dat, dat niet de maximale kracht was waarmee D’agon schoot.
Na eventjes merkte Za’afiel op dat er alleen nog maar bliksemschichtjes van D’agon naar het zwarte bol leek te schieten. Betekende dat, dat de zwarte bol minder kracht begon te krijgen?
Plots spatte de zwarte bol uiteen alsof het van glas was, en keek Za’afiel naar een paar stukjes in het gras.
“Was dat alles?” vroeg hij toen aan D’agon.
“Dat lijkt niet veel, maar ja.” Met D’agon’s woorden merkte Za’afiel ineens op dat er lucht langs zijn schubben begon te stromen. Onopgemerkt leek de koepel dan ook ineens verdwenen te zijn.
Za’afiel sloot even zijn ogen om te kunnen genieten van de vleugjes wind. Het rook zo fris, zo fijn, ondanks dat de nacht al was aangebroken.
Za’afiel nam even wat afstand en vloog toen op in de lucht. Het vliegen in deze verse lucht was ook gewoon zo ontzettend fijn.
“Misschien was D’agon dan alsnog te vertrouwen,” dacht Za’afiel nog even na voordat hij er vandoor vloog zonder D'agon.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen