Na een tijdje vliegen kwam Kevalth neer op de grond. Zelfs voor hem was een lange tijd vliegen nog geen gewoonte.
Het was misschien sneller geweest als Kevalth in een keer naar de plek zou teleporteren, maar dat was niet wat hij deed. De concentratie die hij had om dat te doen was er niet. En waarschijnlijk had het teleporteren ook te maken met waar Kevalth eerder in zijn leven was geweest, al wist hij niet zeker waar hij de vorige keer heen was geteleporteert.
Kevalth lag neer op een open veld, vlakbij een van de weinige bomen die hier stonden. Het zorgde voor enige beschuttingen voor het een of ander.
Het gras onder zijn poten voelde ieder geval zacht genoeg om op te liggen. Hij zuchtte even diep als hij na ging denken wat hij met zijn kracht wilde doen. Hij had niemand om te laten zien wat hij kon. Het kon waarschijnlijk ook niemand schelen. Alle wezens die hij tot nu zag als een vriend waren niet hier.
Hij had geen interesse terug te gaan naar D’agon, of de honden. Ook al waren zij zo aardig naar hem geweest.
Het was duidelijk dat het ergens was fout gegaan in zijn kop, anders was hij misschien wel opnieuw terug naar huis gegaan.
Alles was een waan voor hem. Dat ze vrienden met hem wilden zijn was gewoon één grote leugen.
Ieder geval was Za’afiel eerlijk. Hij heeft Kevalth nooit gemogen, en dat liet hij ook altijd zien. Elke keer als Kevalth naar hem toe ging, stootte Za’afiel hem af alsof het een laagje zand op zijn schubben was.
Kevalth sloot zijn ogen om wat slaap te krijgen. Hij leek alleen geen rust te kunnen vinden. Hij voelde hoe zijn lichaam rust nodig had, maar hij kwam maar niet in slaap.
Hij gromde op gegeven moment uit frustratie en kwam toen rechtovereind zitten.
Er stonden een paar zwarte poten voor zijn neus waar hij ineens voor op moest kijken.
“Hey.”
Kevalth keek op en zag dat zijn vader ineens voor zijn neus stond. Hoe had hij hem zo snel al gevonden? Laatste keer dat hij terug wilde zat er een koepel boven het gehele gebied. En dit was niet bepaald bekend terrein.
“Hoe vond je mij?” vroeg Kevalth en dwingend tegelijk. Za’afiel zuchtte wanneer hij keek in Kevalth zijn ogen. Het beviel hem niet dat Kevalth ineens een andere kleur aan ogen had.
“Wat heb je gedaan?” Vroeg Za’afiel in plaats van antwoord te geven op Kevalth’ vraag.
Kevalth keek even weg, aangezien het Za’afiel niet aanging waar hij mee bezig was. Hij had liever dat Za’afiel gewoon weg ging, en weg bleef.
“Ga weg, jij hebt je nooit geïnteresseerd in mij, en dat is precies wat je nu ook gaat doen. Ik wil je niet zien.” Ook Kevalth ontweek nu een vraag.
Za’afiel keek Kevalth aan met meer medelijden dan hij ooit voor zijn kinderen had gedaan. Hij zag dat Kevalth zich in een cirkel van duisternis aan het werken was. En hij wist precies wat dat betekende. Hoe het voelde. Daarom was hij ook niet van plan weg te gaan van Kevalth.
“Je ogen…” begon Za’afiel, Kevalth gaf hem plots een duw en keek hem boos aan.
“…Ja, ze zijn blauw! Nou en? Wat maakt dat uit?”
Za’afiel reageerde niet echt op de duw. Hij keek wel naar Kevalth, maar nog steeds eerder uit zorg, dan met welke intentie dan ook. Hij maakte zich zorgen op meerdere manieren. En misschien waren deze redenen ook wel egoïstisch, maar dat interesseerde hem niet zo. Hij wilde niet dat Kevalth het duister in ging, en hij moest het dan maar ook oplossen.
“Ik wil niet dat je dit doet, en ik wil dat je eerlijk tegen mij bent. Zoals een goeie familie hoort te zijn.” Za’afiel knikte om zijn eigen zinnen en Kevalth stond daar maar ongelovig te staren.
“Een goeie familie? Serieus?!” Kevalth nam een dreigende houding aan tijdens het spreken. “Als het aan jou lag, lag ik al te rotten ondergronds. Is dat wat je met onze moeder ook hebt gedaan? Ja toch?! Het enige wat jij kan doen zijn wezens uitmoorden en terug komen volledig in bloed. Je hebt niet eens het fatsoen om jezelf te wassen voor je weer terug komt naar ‘huis’ of hoe je die plek ook kan noemen.” Za’afiel keek Kevalth aan en grotendeels was dat wel zeker waar. Hij keek nooit om naar zijn kinderen, en dat was misschien een van de fouten die hij niet had moeten maken. D’agon had misschien wel gelijk dat dit niet de manier was, maar dat was al een momentje te laat.
“Ik heb je moeder niet vermoord.” Was het korte antwoord die hij kon geven.
“En ons zusje? Jij hebt haar wel vermoord. Voor mijn ogen!” Kevalth was duidelijk woedend op zijn vader en Za’afiel kon alleen maar knikken.
“Die wel…” Kevalth zag dat Za’afiel er zielig over deed, maar hij verdiende het niet om vergeven te worden.
“Dus vertel mij niet wat ik moet doen, paps. Dit is precies wat jij voor mij wilde. Dit is precies waar jij je kinderen naar toe brengt. Naar het duisterste stukje van hun ziel tot er niets meer overblijft. Gelukkig is Czabock daarvan ontsnapt, maar nu wilt hij ook niet meer met mij om gaan. Hij heeft gelijk. Die plek die wij thuis noemen, is geen thuis. Het is een broedplaats voor duisternis. Eentje die jij hebt gekweekt voor ons. Of voor mij, in dit geval. Ik hoop dat je trots bent!” Kevalth wilde niet wachten op een antwoord en zwaaide met een klauw vinger richting Za’afiel. Een blauwe magiecirkel verscheen en schoot een straal op Za’afiel af.
Za’afiel zag de magie niet aankomen en werd direct geraakt zonder zichzelf te beschermen.
“En, oh ja. Ik heb magie. En het is geweldig.” Zei Kevalth er nog achteraan voor hij weg begon te vliegen.
Za’afiel stond met een kleine moeite op en deed een spreuk terwijl Kevalth in de lucht probeerde te komen. Uit een gele magiecirkel kwam een ketting geschoten, eentje die zich om een van Kevalth’ achterpoten wikkelde.
Kevalth verloor zijn evenwicht en viel daardoor op de grond. Hij keek woedend op wat zijn vader deed en keerde zijn kop direct om naar hem.
Kevalth gromde naar zijn vader waarbij ineens meerdere magie cirkels om Kevalth heen verscheen.
“Jij wilt een gevecht? Laten we vechten, zoals draken het doen!” schreeuwde Za’afiel bijna terug.
Al had Za’afiel niet een snelle reactie verwacht van de meerdere stralen die magie cirkels af schoot. Dit keer was hij wel voorbereid op de spreuken. Hij ving de magie stralen op met zijn eigen magie cirkels. Het werkte als een soort schild, maar het werkte ook op een manier waardoor er geen sporen van magie meer te vinden was van die stralen. Deze absorptie spreuk had hij eerder gebruikt, maar dan op zichzelf tijdens het gevecht met die Nethalis wezens.
“Ik wil je niet bevechten, Za’afiel. Ik wil dat je vertrekt en mij niet gaat volgen! Ik heb mijn eigen zaken om naartoe te gaan,” zei Kevalth terwijl hij de volgende lading van magie cirkels klaar zette.
Hij schoot meerdere stralen wat gericht stond op één middelpunt halverwege tussen hem en Za’afiel. Za’afiel wist niet precies wat hij aan het doen was, maar hij wist nu al dat het geen goed nieuws was.
Za’afiel bereidde een eigen spreuk om die stralen op te vangen, al wist hij niet zeker hoe groot de klap zou zijn. Ondertussen schoot hij zelf een straal op de magie cirkels af, zodat ze gingen stoppen met nog meer stralen op het middelpunt af te vuren. Ieder geval, daar hoopte hij op.
Kevalth had een enorme grijns op zijn gezicht wanneer zijn magische cirkels stopte met schieten op dat middelpunt.
De bundel van stralen dat zich had gevormd in het midden punt stond te knetteren. Za’afiel hield het in de gaten. Hij had door dat Kevalth sterker was dan mogelijk zou horen. Iemand met zo weinig ervaring en zijn leeftijd hoort dit niet te kunnen.
Deels was hij misschien trots dat Kevalth eindelijk zijn magie kon gebruiken, maar dit was misschien wat te overdreven. Hij had al blij geweest als Kevalth één straal kon vuren.
Hij dacht nog even aan het moment dat hij Kevalth’ klauw zag knetteren. De vonkjes van zijn klauwen bracht hem zoveel blijdschap. Misschien had Za’afiel hem dat moeten zeggen destijds, dan had hij misschien meer waardering gehad, maar nu zit hij midden in het gevecht. Een gevecht dat mogelijk nooit had hoeven te bestaan.
Hij probeerde achter te komen hoe hij dit zou moeten overleven. Hij had namelijk geen idee hoe sterk deze bundel aan energy was.
De bundel aan licht dat eruit zag als een balletje blauw begon ineens achter Za’afiel aan te gaan. Het vloog snel op hem af waardoor Za’afiel ineens moest rennen voor zijn leven.
Tegelijkertijd maakte hij zijn eigen magiecirkels die dan op de blauwe bal begon te schieten, maar niets leek het af te remmen.
Kevalth moest ineens hard lachen wanneer hij dat aanzicht had. Za’afiel die moest rennen voor een van zijn spreuken.
“Ik zei al dat je op moest rotten! Had dat maar gedaan,” zei Kevalth met een grijns op zijn gezicht.
Za’afiel vond het wat minder verleidelijk en deed zijn best om voor die blauwe bal te blijven.
De bundel van blauwe licht dat Za’afiel achtervolgde begon stralen te schieten. De eerste paar raakte Za’afiel, maar hij gaf niet op en rende verder.
Opnieuw gebruikte Za’afiel een van zijn spreuken om die stralen op te vangen en te absorberen.
“Ik wil je niet pijn doen!” riep Za’afiel luid uit.
Heel even stopte de licht gevende bal met schieten, en bleef het zweven terwijl Za’afiel even een rust momentje kreeg van het vluchten.
“Waarom niet? Ik val je aan… Je viel wezens aan met minder reden… Je hoort mij nu ook aan te vallen!” Enigszins had Kevalth gelijk. Za’afiel zou zeker weten een wezen hebben aangevallen die hem ook aan viel. Zeker als het met magie was dat zo sterk bleek te zijn als die van Kevalth, maar dit was niet het juiste moment die discussie te voeren.
“Je bent mijn zoon.” Sprak Za’afiel rustig uit.
Kevalth was even stil van zijn woorden. Hij wilde er iets over zeggen, maar kon het niet. De blauwe bal verloor ineens zijn kracht en verdween alsof het nooit heeft bestaan.
“Laat me met rust, dat is alles wat ik wil.” Kevalth keek naar zijn vader met een neutraal, maar radeloze blik. Hij wist niet precies wat hij verder moest zeggen, of doen. Die vier woorden raakte hem. Za’afiel had nooit zoiets tegen Kevalth gezegd, maar dat was wel hoe het was.
Kevalth vloog toen weg terwijl Za’afiel hem na keek. Hij wilde er heel graag achterna, maar hij wist dat als hij dat zou doen, dat het mogelijk uit zou lopen tot een groter gevecht.
Dat was het laatste wat Za’afiel wilde. Een gevecht met zijn zoon.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen