Kevalth vloog verder tot hij eindelijk zijn bestemming had bereikt.
Hij had nog steeds de woorden in zijn hoofd die zijn vader tegen hem sprak. Hij was inderdaad zijn zoon, maar dat waren woorden die Za’afiel nooit echt uitsprak.
Waarom kan zijn vader nooit eens echt voor hem zijn? Waarom moet het nou altijd op een moment zijn dat een slechte situatie was? Waarom kan zijn vader er niet altijd voor hem zijn? Dat was iets wat hij al die jaren nodig heeft gehad, maar nee. Dat was niet wat hij kreeg.
De snak naar macht die hij door zijn bloedvaten voelde was nog steeds erg groot. Hij wilde nog steeds die gouden eieren opsporen. Dan moest iedereen naar hem luisteren. Dan hadden ze geen keus om er voor hem te zijn. Eindelijk een familie die voor hem er kan zijn.
Waarom zou dat niet zo werken? Kevalth kent niets anders. Hij kent het verschil niet wat hoort of niet. Nu niet meer, ieder geval. Al zag hij de beste gezin, met blije wezens en blije ouders die goed voor hun kinderen zorgt. Hij was blind geworden voor die situatie, alsof het nooit heeft bestaan, en nooit zal bestaan.
De eieren was zijn enige oplossing. En de inhoud van die eieren liet hem goed voelen. Ook al was dat een slechte mening aangezien hij maar één ei tot zichzelf had genomen.
De blauwe krachten waren geweldig tegen Za’afiel, en nu wilde hij alleen maar meer.
Kevalth vloog verder tot hij aan kwam bij een vreemd gebergte.
Hij vloog rond het gebied en zag vrij weinig, maar hij voelde wel dat er iets in de buurt was.
“Waar is het?” vroeg hij zichzelf.
Het was warm op dit gebied. Dat was iets wat hem opviel.
Hij had nooit rond dit gebied gevlogen, en had ook nooit door een gebied die aanvoelde zo warm als deze hier.
Deels irriteerde deze warmte hem wel, maar aan de andere kant voelde het ook wel erg fijn. Het enige wat hij kon herinneren was over waar D’agon het eens over had. Dat er draken waren met elementen. Hij was sowieso zeker wat warmte was. Hij zou waarschijnlijk kunnen gokken dat hij bij een vulkaan zat en misschien waren er vuurdraken rond dit gebied.
Kevalth vloog verder rond het gebied en zag rook uit een van de gebergte komen, en daarmee werd hij ineens wel zeker dat dit een vulkanisch gebied was. Als hier echt vuurdraken waren had hij ze graag gezien. Hij had namelijk nog nooit eerder in zijn leven een vuurdraak gezien.
Hij zocht een plekje om te landen, maar dat was niet heel gemakkelijk. Hij was niet zeker welke plek het veilig was voor zijn poten.
“Gebruik mijn kracht om je af te koelen, mijn kracht is niets voor niets blauw.” Een stem in zijn kop begon ineens tegen hem te spreken, iets wat het eigenlijk nog nooit had gedaan.
Kevalth wist niet heel zeker hoe hij hiermee moest om gaan en keek een beetje leeg om zich heen, alsof hij op zoek was naar waar deze stem vandaan kwam.
“Sorry voor mijn afwezigheid, maar ik ben hetgeen wat in het ei zat. Een wezen. Een voormalig wezen.” Kevalth zuchtte aangezien hij geen zin hier in had, maar dat hij de kracht kon gebruiken om te landen zonder angst, dat was een handige tip.
Kevalth daalde langzaam en landde op een plateau aan de zijkant van de vulkaan.
Eenmaal wanneer hij zijn poten op de grond zette voelde hij een korte steek van warmte. Het was niet pijnlijk, maar het was zeker warm en in een mum van tijd maakte hij magie cirkels onder zijn poten en voelde alles een heel stuk koeler aan.
Kevalth zuchtte een beetje omdat hij het zelf niet expres had gedaan, maar wat het geen ook was dat in hem zat, het beschermde hem wel.
“Waarom spreek je nu? Waarom niet toen ik mijn vader wilde bevechten? Waarom niet toen ik je met mijn magie opzoog in mijn lichaam?” Kevalth ging voor de rust even zitten en keek toen naar de vulkaan.
“Dat leek mij niet nodig. Ook ik snak naar vrijheid.” Vrijheid, een raar concept. Ondertussen zat die kracht nu opgesloten in Kevalth. Volgens Kevalth zou dat betekenen dat er niets veranderd is voor wat dan ook wat ineens in zijn lichaam zat.
“Ik weet het niet, maar ik denk niet dat mijn lichaam enig vrijheid bied. Je zit nu vast aan mij. En ik wil niet dat, dat veranderd.” Het werd even stil waarbij Kevalth het gebied rondneusde. Hij probeerde achter te komen waar die andere ei verstopt zat. Hij wist dat het ei dichtbij was, maar aangezien dit bij een vulkaan was, kon hij wel een gokje maken waar het ei zich kon vinden.
“Ik neem aan dat ik in die vulkaan moet zien te komen, of niet?” Eigenlijk vroeg Kevalth het aan zichzelf, maar natuurlijk kwam er antwoord, nu hij wist dat hij niet echt alleen was.
“Ik denk het wel zeker, maar het komt goed. Je hebt mij.” Dat had Kevalth nu wel door.
Kevalth zuchtte opnieuw en vloog toen opnieuw op. Er was nergens een pad te vinden waar hij heen kon gaan. Het enige wat hij kon zien was rook en zwart gesteente.
Hij vloog opnieuw een rondje erom heen voordat hij ging proberen er rechtstreeks over de vulkaan te vliegen. Hij was namelijk nog niet zeker of het veilig genoeg was om erover heen te vliegen.
“Ik zal het wel gaan proberen, ik ben namelijk vrij zeker dat het ei zich in de vulkaan bevindt. Maar wees gerust, zelfs het gouden ei zou het niet overleven om in de lava te baden. Er moet ergens een ruimte zijn waar het geborgen zit.” Zei het stemmetje in zijn hoofd. Het was op zich een vriendelijk stemmetje. En tot nu toe probeerde het stemmetje hem alleen maar te helpen.
“Oke, ik geloof je, maar ik doe het graag nog even rustig aan. Dit is namelijk mijn lichaam,” zei Kevalth er rustig achteraan.
Het was weer stil zodat Kevalth weer voor zichzelf kon denken. Nadat hij echt zeker weten niets kon vinden vloog hij snel boven de vulkaan om te testen of het pijn deed, maar de blauwe kracht beschermde hem goed van de pijn die hij kon hebben.
Hij had de vertrouwen gekregen dat het goed zou komen en vloog ditmaal in de vulkaan om snel rond te kijken.
Ondanks dat het aanzicht rood aangeslagen was, was het niet al te verschrikkelijk om in de vulkaan te zitten. Kevalth wist alleen niet zeker waar hij naar moest kijken.
Hij zweefde nog wat rond voor hij uiteindelijk opnieuw een gefluister hoorde. Dit gefluister was zeker weten niet die stem in zijn kop, het kwam ergens vandaan.
Hij probeerde nog wat te concentreren op het geluid tot hij erachter kwam dat het toch wel meer dichterbij de magma zat dan hij dacht.
Kevalth gebruikte zijn magie om niet aangebrand te worden en zweefde langzaam dichterbij naar het ei.
“Maak het zo snel mogelijk open, het zal helpen.” Kevalth luisterde naar de stem in zijn kop en wanneer hij eenmaal het ei in het gesteente zag deed hij niet eens moeite om het ei de gesteente uit te helpen. Hij bewoog met zijn vinger om het ei te openen en zag hoe een rode lijn aan glinsters omhoog zweefde die als een spiraal naar Kevalth toe zweefde.
Opnieuw deed Kevalth zijn ogen dicht waarbij hij die rode poeder opnam en hij voelde meteen opnieuw een gevecht in zijn lichaam.
Alleen ditmaal ging het een stuk sneller en gemakkelijker. Door de blauwe kracht leek het alsof de rode zich meer thuis voelde.
Kevalth zuchtte even diep uit voor hij zijn ogen weer opende, en merkte op dat hij gestopt was zichzelf te beschermen tegen de hitte. Hij was ineens immuun voor de warmte van de vulkaan en dat voelde vrij vreemd. Het voelde alleen nog alsof een heerlijk warm zonnetje op hem aan het schijnen was.
Hij zuchtte nog even diep uit nu hij zo opgelucht was en vloog uit de vulkaan.
Hij keek omhoog eenmaal boven de vulkaan te zijn en spuwde uit enthousiasme dan twee soorten vuur kleuren uit. Een blauwe en een rode. Samen werden ze gemengd tot een paarse kleur en voor Kevalth was dat prachtig om te zien. Deze kracht inspanning leek Kevalth nodig om het beter op zijn plek te zetten. En daarbij wilde hij graag zien hoe het eruit zag.
Kevalth lachte naar het geheel en was blij dat hij weer een ei bemachtigd had.
Hij vloog weg van de vulkaan en landde op de grond, een kleine afstand van de vulkaan en had het idee dat hij even rust nodig had. Hij had al niet zo veel geslapen, zeker aangezien Za’afiel hem stoorde van de nachtrust die hij wilde hebben. En deels ook omdat hij gewoon niet in slaap kon komen, maar in plaats daarvan had hij nu wel een tweede gouden ei bemachtigd.
“Nog één te gaan.” Zei een van de stemmen in zijn kop. Die stem liet Kevalth grinniken. Nog één ei. De laatste van de collectie.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen