Za’afiel bleef even liggen toen Kevalth wegvloog. Hij was eigenlijk niet zeker of hij Kevalth moest volgen of niet, maar hij wist wel zeker dat hij zich zorgen maakte over hem.
Misschien was het een idee om Kevalth voor de zekerheid in geheim te volgen, als hij dit goed doet zal Kevalth het echt niet merken, toch?
Hij stond op en vloog op een rustig tempo achter Kevalth aan.
Hij wist niet eens zeker wat hij moest doen om Kevalth tegen te houden, wanneer hij iets van plan was wat hij niet wilde. Hij merkte namelijk al dat Kevalth sterker aan het worden was, misschien zelfs sterker dan Za’afiel was. Al liet Za’afiel zeker niet zijn sterkste spreuken zien.
Hij kon echt niet zijn eigen zoon aanvallen, maar als het zo door ging, misschien had hij geen keus. Hij wilde niet dat Kevalth zomaar wezens ging aanvallen. Wezens het leven ontnemen voor de lol was namelijk geen grap. Zoiets steekt hard in je ziel, zeker de eerste keer. Later, als je toegeeft aan de duisternis… Er is dan amper nog een weg terug. En dat wilde hij niet voor Kevalth.
Hij volgde Kevalth naar een vulkaan toe, en Za’afiel vroeg zichzelf af wat hij daar nou weer moest doen.
Hij wachtte zich af op een afstandje om te zien wat Kevalth aan het doen was. Hij was gewoon van plan om ergens te liggen, en wachten.
Het voelde wel alsof het een eeuwigheid duurde voordat er eindelijk eens zicht kwam waar Kevalth was. Hij zag hoe hij naar buiten vloog en twee vuurstralen de lucht in schoot. Rood en blauw, dat zich samen voegde tot een felle paarse kleur.
Za’afiel keek ernaar met een moeilijk gezicht, wat hield dit in? Was dit een waarschuwingsschot?
Hij voelde de magie vanaf de plek dat hij was, dit was geen normale magie. En dat rood, dat was nieuw. Die magie zag hij Kevalth nog niet eerder gebruiken. Betekend dat, dat hij sterker aan het worden was? Of is er iets wat hij miste.
Kevalth vloog toen ineens Za’afiel’s kant op waardoor Za’afiel ergens moest onderduiken. Hij zag verderop een gesteente en ging ernaast liggen. Tot zijn geluk landde Kevalth redelijk dichtbij en ging bijna meteen liggen. Hij had nu prima oog op Kevalth.
Hij wist nog niet zeker of hij Kevalth wel moest aanspreken, of dat hij ging wachten tot zijn zoon opnieuw een move maakte.
Hij legde even zijn kop neer om te gaan rusten, aangezien slaap hem ook wel aantrekkelijk leek. Hij probeerde ieder geval zo lang mogelijk wakker te blijven, en grotendeels lukte dat ook wel tot hij opeens zijn ogen open deed en Kevalth voor zijn poten stond en de zon scheen. Dit was waarschijnlijk Kevalth die plots voor zijn poten stond. Dit trucje had Za’afiel eerder gezien.
“Hey.” Kevalth begroette zelfs op dezelfde manier hoe Za’afiel dat deed.
“Je hebt mij gevonden zo te zien.” Kevalth keek Za’afiel aan terwijl hij rechtop begon te zitten.
“Waarom volg je mij? Zei ik niet dat je weg moest gaan?” vroeg Kevalth zijn vader op een vrij rustige toon. Za’afiel zuchtte eerst voor hij ging antwoorden. De vraag was ook wat hij zichzelf af vroeg, want hij wist het zelf niet eens zeker.
“Ik maak mij zorgen, dus ja, ik volg mijn zoon die zichzelf in de problemen aan het werken is.” Kevalth keek hem zonder emotie aan.
“Blijkbaar gaan we samen de laatste ei ophalen.” Kevalth draaide zich om en wandelde terug naar zijn plek. Za’afiel keek hem toen vreemd aan.
“Welk ei?” vroeg hij wanneer hij achter Kevalth aan liep.
“Je weet wel, die gouden.” Zei Kevalth alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Kevalth ging opnieuw liggen en legde zijn kop op de grond.
“Waarom wil je zelfs achter die eieren aan, ze zijn gevaarlijk. Heb je enig idee wat ze zijn?” Za’afiel stond stiel voor Kevalth en Kevalth draaide zijn kop toen om naar Za’afiel en staarde hem even goed aan. Za’afiel merkte op dat Kevalth’ ogen opnieuw van kleuren waren veranderd. Ze waren ineens paars van kleur, eerder magenta. Een fel bijna lichtgevende magenta kleur.
“Dat betekende die ogen dus.” Zei Za’afiel er als reactie erop. Kevalth bleef hem maar aankijken, maar het irriteerde hem nu al dat Za’afiel bij hem was. Al vond hij het niet helemaal verschrikkelijk om niet meer alleen te zijn. Hij kon eigenlijk wel een beetje gezelschap gebruiken. Ander gezelschap dan de stemmetjes in zijn kop.
“Waarom wil je de eieren zelfs?” vroeg Za’afiel aangezien dit helemaal niet als Kevalth klonk.
“Ik wilde ze niet perse, het voelde alleen alsof ze naar mij riepen. En toen ik achter kwam dat ik magie had, was alles zoveel beter. Het is alleen jammer dat ik Phoebe’s gezicht niet kon zien als ze zag dat haar vaders standbeeld geen kop meer heeft.” Kevalth moest ineens gemeen grinniken en dat beviel Za’afiel niet zo, maar hij zei er maar niets over.
“En nu wil je de laatste ei vinden… Enig idee wat dat met je zal doen, Kevalth?” Za’afiel keek nog steeds zorgelijk naar Kevalth en hij zag hoe hij even er over moest denken voor een antwoord.
“Ik word sterk en machtig, en niemand zal mij nog tegen durven spreken. Ik wil gewoon laten zien dat ik niet nutteloos ben op de wereld. En met deze macht, kan ik eindelijk wezens opeisen die mij leuk gaan vinden. En mij nooit meer zal verlaten. Wezens die wel om mij geven!” Za’afiel raakte even verward met wat Kevalth probeerde te zeggen. Want het was één groot gekke praat.
“Nee Kevalth, dat is niet hoe het werkt… Als je vrienden wilt, dan krijg je die door aardig te zijn, en niet door ze te verplichten om van je te houden.” Kevalth keek geïrriteerd naar Za’afiel, hij had geen zin in om hiernaar te luisteren. Deels wist hij dat ook wel, maar hij had geen ander doel. Kevalth zuchtte en sprak toen weer.
“Houd me gewoon niet tegen, ik ga dat laatste ei halen. En of jij mee gaat of niet, dat interesseert mij echt niet.” Kevalth stond voor de zoveelste keer weer opnieuw op en vloog vrij snel de lucht weer in. Za’afiel stond zuchtend op en vloog achter Kevalth aan. Dit keer hoefde hij ieder geval geen zorgen te maken niet gezien te worden.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen