Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik val echter abrupt stil wanneer ik zie wie me belt.
Het is Hailey.

Het lijkt uren te duren, maar uiteindelijk val ik toch in slaap. Ik word wel een aantal keer wakker, om half vier en om kwart over zes, maar ik zak steeds weer even weg. Tegen de tijd dat het licht wordt en ik weer af en toe wakker word, ben ik nog steeds doodmoe. Ik blijf maar gewoon verslapt liggen, opnieuw en opnieuw in slaap drijvend en weer wakker wordend. Om de zoveel tijd beweegt Dean naast me, en dan probeer ik niet te verstijven van angst, maar hij slaapt aan één stuk door.
Het brandt nog steeds tussen mijn benen, en mijn buik doet ontzettend zeer. Ik heb zoveel pijn dat ik wel een heel pakje pijnstillers op zou kunnen, en tegelijkertijd heb ik te veel pijn om op te staan en naar de medicijnkast in de badkamer te lopen. Dus ik blijf maar gewoon liggen, half opgekruld met mijn hand op mij onderbuik, met mijn rug naar Dean toe.
Het is ongeveer tien uur wanneer Dean wakker wordt, kreunend van zijn kater en de daarbij horende hoofdpijn. Ik blijf maar gewoon liggen, van hem weggedraaid, met mijn ogen dicht, en hoop dat de hele situatie gewoon ophoudt.
'Hailey?' murmelt hij.
Ik bijt op mijn lip om niet te huilen en antwoord niet. Toch, wanneer hij met zijn vingertoppen langs mijn schouder en bovenarm strijkt, voel ik me verplicht om me naar hem om te draaien en aan te kijken. Daardoor kan ik zijn gezicht zien, wanneer hij de paar bloedvlekken op de lakens ziet. Eerst zie ik schrik, en daarna een frons terwijl hij zich afvraagt of ik na een week misschien alweer ongesteld kan zijn geworden.
'Hailey, wat is er gisteravond gebeurd?'
Ik kan niet antwoorden. Ik kan het gewoon niet. Als ik begin te praten, ga ik huilen. Dus ik kijk hem maar gewoon aan met betraande ogen en zeg niets.
Hij wrijft even over zijn gezicht, en dan lijkt hij te merken in welke staat hij zich verkeert: gekleed in zijn outfit van gisteren, met zijn broek en riem nog altijd los. Hij stinkt naar alcohol, en ik denk dat hij dat nu zelf ook wel ruikt. Hij kijkt me verbaasd aan, en zijn mond hangt een beetje open.
'Hailey, wat is er gebeurd?'
Ik open mijn mond om te antwoorden, iets te zeggen, wat dan ook, maar er komt alleen maar een verstikt geluidje uit mijn keel en ik begin te snikken.
'Hailey, schatje, hé...' stamelt hij, en hij legt zijn hand op mijn wang.
Ik krimp ineen onder zijn aanraking en maak me los.
'Ik... I-Ik... Ik ga even...' weet ik halfslachtig uit te brengen, waarna ik opsta en naar de badkamer loop.
Met bevende handen weet ik een pijnstiller in te nemen. Daarna pak ik er nog een voor Dean, samen met een glas water. Ik loop terug naar de slaapkamer en geef het hem aan.
Hij slikt het weg, samen met het hele glas water, en kijkt me dan weer bezorgd aan.
'Schatje, kun je me vertellen wat er gebeurd is?’ vraagt hij dan, kalm en duidelijk, maar ook ongerust.
Ik bijt op mijn lip en probeer rustig te blijven.
‘Je... Gisteravond... J-Je kwam dronken thuis. E-En toen-‘
De tranen springen me weer in de ogen en ik bijt op mijn lip. De woorden blijven steken in mijn keel. Inmiddels houd ik de pijn in mijn onderbuik niet meer uit en kan ik het niet laten om er even overheen te wrijven. Het ontgaat hem niet.
‘Hailey, lieverd, was... Ik kan me niets echt goed meer herinneren...’
Hij probeert mijn hand vast te nemen, en ik probeer hem niet terug te trekken, maar toch merkt hij mijn angst op.
‘Je-Je kwam heel dronken thuis, en ik... toen wilde je... en je... ik zei dat je moest stoppen, m-maar je stopte niet, e-en...’ Ik maak mijn zin niet af, maar in grote lijnen moet hij het nu wel snappen.
‘Liefje. Oh, liefje...’ brengt hij onbeholpen uit. Zijn vingertoppen glijden even langs mijn bovenarm, heel zachtjes, en deze keer slaag ik erin niet ineen te krimpen. ‘I-Ik was gewoon zo ontzettend dronken. Ik had niet door... Je weet wel, dat mensen zo dronken kunnen zijn dat ze zich niet meer bewust zijn van hun omgeving.’
Ik zeg niets. Ik kan het niet.
‘Lieverd, mag ik je een knuffel geven?’ vraagt hij.
Ik zet me over mijn instinctieve angst heen en knik, waarna hij dichter naar me toe schuift en zijn armen om me heen slaat. Mijn lichaam schreeuwt het uit van angst, want de handen die nu troostend over mijn rug glijden zijn ook de handen die mij op dat matras hebben gepind, en de mond die me tegen mijn haar kust is ook de mond die ik minutenlang beestachtig in mijn oor heb horen hijgen. Toch zet ik me eroverheen en dwing ik mezelf om te ontspannen.
Ik verberg mijn gezicht in zijn hals, wegkruipend in zijn omhelzing, en dan komen de tranen weer. Hij wiegt me in zijn armen, fluistert me sussende woordjes toe, laat me me zo klein voelen als ik wil.
‘Wil je wat ontbijten?’ vraagt hij dan, wanneer ik weer wat gekalmeerd ben.
Ik schud mijn hoofd.
‘Nee, ik... ik heb niet zo’n trek. Ik denk dat ik nog gewoon even wil blijven liggen. Ik heb niet zo goed geslapen,’ zeg ik zachtjes.
Hij knikt.
‘Is goed, liefje. Ik zal je even alleen laten,’ zegt hij, waarna hij me nog een laatste kus op mijn hoofd geeft.
Hij glijdt het bed uit en verdwijnt naar de badkamer. Even later hoor ik de douche aangaan, en ondertussen wikkel ik me strakker in de dekens.
Het is geen hele diepe slaap, maar uiteindelijk zal ik toch even weg. Ik merk het maar half wanneer Dean de dekens van me afhaalt en schone lakens over me heen legt. Hij dekt me toe, en vaag herinner ik een kus op mijn slaap voordat hij weggaat.
Ik weet niet waarom dit mijn breekpunt is, maar ik ben een wrak. Ik slaap de rest van de ochtend. Af en toe word ik wakker, en dan moet ik soms huilen zonder precies te weten waarom. Daarna volgt er een periode waarin ik vooral maar gewoon lig, niet precies wetend of ik ook echt slaap of niet.
Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt. Ik wil me gewoon de rest van mijn leven onder de dekens verstoppen en verdwijnen. Ik wil niet bestaan, en ik wil nooit bestaan hebben, en ik wil gewoon dat de wereld me even vergeet.
Toch, rond een uur of drie 's middags, sleep ik mezelf uit bed. Ik neem een douche. Ik trek weer warme kleren aan. Hoewel Dean de hele dag buiten de slaapkamer is gebleven, heb ik hem wel af en toe rond horen lopen, dus ik weet dat hij thuis is.
Ik loop naar de keuken, waar Dean net een kopje koffie voor zichzelf in staat te schenken. Zodra hij me ziet, schenkt hij ook een kopje voor mij in. Ik kom bij hem staan om mijn koffie te pakken en toon hem een vermoeide, zwakke glimlach, niet precies wetend welke houding ik mezelf moet geven.
Hij laat zijn vingertoppen losjes langs mijn ellebogen glijden, met een bezorgde frons op zijn voorhoofd, en zegt: 'Hey, liefje, kom eens hier.'
En dus laat ik hem me omhelzen. Ik ontsnap in zijn armen en leun wat tegen hem aan. Hij vangt zonder klagen het extra gewicht op.
'Voel je je alweer wat beter?'
Ik knik.
'Jawel. Het is gewoon... ik... Mijn buik doet gewoon nog heel erg veel zeer, eigenlijk, en ik... ik weet het niet...' antwoord ik halfslachtig.
'Maakt niet uit, liefje. Je hoeft het niet te weten. Ik wil vooral dat je het idee hebt dat je me gewoon alles kan vertellen, als je iets nodig hebt. Oké? Gisteravond, dat... dat verdiende je niet. Zoiets zou niet moeten gebeuren, en het is echt heel logisch dat je van slag bent. Vertel het me gewoon als je iets nodig hebt,' stelt hij me gerust. 'Zou je misschien iets te eten lusten?'
Ik maak me van hem los en aarzel even.
'Niet... Niet iets al te zwaars. Ik weet niet... ik voel me gewoon niet zo lekker. Een plakje toast, misschien.'
Hij knikt en strijkt een plukje haar achter mijn oor.
'Dan maak ik dat even voor je klaar, schatje. Ga maar even zitten.'
Ik knik en ga aan het aanrecht zitten, terwijl ik toekijk hoe Dean toast voor me maakt.
'Hoe gaat het met je kater?' vraag ik. Ineens voel ik me schuldig over hoezeer ik gefocust was op mezelf, terwijl hij zich ook goed ziek moet voelen vandaag.
Hij haalt zijn schouders op.
'Beter, wel. Maar ik was inderdaad goed dronken,' antwoordt hij.
Ondertussen drink ik slokje voor slokje van mijn koffie. Niet te veel tegelijk.
'Dean?' vraag ik dan uiteindelijk, terwijl hij mijn stuk toast op een bordje legt en er een dunne laag boter op smeert.
Hij kijkt vragend op, duidelijk de serieusheid in mijn stem horend.
'Ja?'
'Spijt het je?' vraag ik, mijn toon helder en duidelijk. Hij heeft wel duizend dingen gezegd, over wat er gisteravond gebeurd is, maar zijn excuses heeft hij niet aangeboden.
Hij knippert een paar keer met zijn ogen.
'Hailey, ieder normaal persoon zou daar spijt van hebben,' antwoordt hij verbaasd.
En dat is geen antwoord. Ik weet dat het geen antwoord is. Hij mag dan wel rechten hebben gestudeerd, maar ik ben niet te dom om te snappen hoe je woorden moet verdraaien om nét niet te liegen.
'Maar spijt het jou?' vraag ik.
Hij kijkt me even een paar seconden aan, duidelijk niet voorbereid op deze vraag. Dan knikt hij.
'En kun je dat ook hardop zeggen?' vraag ik, denkend aan alle littekens die al onze lichamen sieren.
Nu lijkt hij beledigd.
'Hailey, Jezus, ben jij de advocaat hier of zo?' vraagt hij.
Hij opent zijn mond weer, maar net op dat moment gaat zijn telefoon. Hij kijkt naar het nummer, murmelt iets over werk, en neemt op. Terwijl hij de kamer uit loopt, druk in gesprek, plaatst hij kletterend het bord met toast voor mijn neus. Ik krimp ineen door zijn achteloze ruwheid.
Ik heb hem duidelijk geïrriteerd. En, valt me op, met een groeiende onbehaaglijkheid in mijn buik: hij heeft nog steeds niet geantwoord.

Die avond, wanneer we al gegeten hebben en het buiten donker en koud is, blijft Dean verassend lang weg wanneer hij de post gaat halen. Het hoeft nog geen halve minuut te duren, maar hij blijft toch echt zo'n vijf minuten weg.
Wanneer hij dan eindelijk weer terugkomt, met een stapel post in zijn handen, kijk ik hem in eerste instantie vragend aan. Zodra ik de blik in zijn ogen zie, verandert mijn vraag in een soort sluimerende, behoedzame angst.
'Dean, wat is er aan-' begin ik, maar hij onderbreekt me.
'Ik sprak net onze buurman,' zegt hij, kalm en kil, terwijl hij verder het huis in loopt en de stapel post op tafel legt. Ik blijf stokstijf staan en draai alleen maar mijn hoofd om naar hem te kunnen kijken. 'Hij kwam even naar me toe om een praatje te maken. Hij noemde even die man die jou gisteravond met de auto naar huis heeft gebracht, rond acht uur.'
Ik verstijf. Hij staat nu achter me, en ik kijk maar gewoon voor me uit. Ik doe heel erg mijn best om mezelf een houding te geven, en om zo nonchalant mogelijk te lijken, maar het lukt niet echt.
'Oh?' vraag ik uiteindelijk.
In de weerspiegeling van het raam zie ik hem knikken, zogenaamd ernstig. Hij doet alsof zijn neus bloedt.
'Ja. Een man die toevallig precies in de beschrijving van agent Marco Kowalski valt, toen ik ernaar vroeg,' zegt hij.
Mijn mond is inmiddels kurkdroog. Ik slik, maar het helpt niet. Wanneer hij een stap naar me toe zet en vlak achter me staat, zodat ik zijn adem in mijn nek kan voelen, laat ik moedeloos mijn ogen dichtvallen.
'Waar was jij, gisteren?' vraagt hij, zijn stem dreigend en zacht.
'I-Ik ben 's middags gaan wandelen,' weet ik moeizaam uit te brengen.
Ik voel zijn adem weer langs mijn nek strijken en hij vraagt: 'En wat nog meer?’
Ik slik. 'Ik... Ik kwam Marco tegen in het park, en-'
'Lieg niet tegen me!' schreeuwt hij.
Ik schrik zo van zijn uitbarsting dat ik me abrupt naar hem omdraai, zodat ik hem nu wel aan moet kijken, met ogen groot als schoteltjes.
'Dean, ik lieg niet,' zeg ik. Ik probeer zo kalm en geruststellend mogelijk te klinken, maar in werkelijkheid komt het er alleen maar een beetje piepend en geknepen uit.
'Ga je vreemd?!' roept hij uit, en hij grijpt me bij mijn pols vast. Ik probeer mezelf los te rukken, maar hij pakt me juist nog steviger beet. 'Hailey, verdomme, ga je vreemd?!'
'Hou op,' breng ik uit. Ademloos. Doodsbang. Tranen in mijn ogen. 'Dean, hou op. Hou gewoon op.'
Hij geeft me een duw, en ik struikel achteruit. Inmiddels sta ik te trillen van angst, en hij van woede. Zijn hand komt omhoog, en ik weet zeker dat hij me gaat slaan, maar hij haalt even diep adem.
'Ik verdien zulk verraad niet, maar ik wil dat je me in ieder geval uitlegt waarom,' zegt hij dan.
'Dean. Dean, alsjeblieft, ik ben niet vreemdgegaan. Laat het me uitleggen,' vraag ik.
Ik zet een stapje in zijn richting, maar het schiet bij hem in het verkeerde keelgat en hij slaat me ruw tegen de muur. Zijn hand omklemt mijn keel, waarmee hij me effectief op mijn plek houdt. Hij knijpt niet hard genoeg om me de adem te ontnemen, maar het zou me niet verbazen als er iets van zwellingen of blauwe plekken zullen komen.
Zijn woede is een soort combinatie van kalmte en woede, en ik weet niet welke van de twee ik enger vind.
'Ben je soms vergeten van wie je bent, Hailey?' vraagt hij op lage toon, maar ik schud mijn hoofd.
'Dean. Alsjeblieft. Ik hou van je. Alleen van jou. Geloof me alsjeblieft,' smeek ik hem, met tranen in mijn ogen.
'De buurman heeft gezegd dat hij jullie heeft zien "knuffelen",' zegt hij. Hij trekt zijn lip een beetje op, waardoor ik zijn witte tanden zie blikkeren in het licht van de lampen. 'Geen enkele man raakt jou aan, behalve ik. Dat weet je.'
Er valt een traan uit mijn ooghoek, en hij volgt die met zijn blik wanneer hij over mijn wang naar beneden rolt.
'Het was puur vriendschappelijk,' beloof ik hem. 'Dean, ik lieg niet. Anders zou je het verschil in littekens wel zien.'
Hij laat me abrupt los, waardoor mijn benen het begeven en ik op de grond ineenzak. Hij vloekt luidruchtig, en ik kruip angstig weg in een hoekje van de kamer. Ik maak me zo klein mogelijk terwijl hij allerlei verwensingen uitroept.
Ik weet niet precies wat me bezielt, op dat moment. Ik ben alleen nog maar bang. Ik denk niet meer helder na. Dean blijft maar schreeuwen en ijsberen, en ik verwacht elk moment dat hij naar me toe komt om me een trap te verkopen. Ik kan geen vaste gedachte meer vormen. Ik weet niet precies waarom ik het doe.
Ik pak mijn telefoon en bel Marco.

Reacties (2)

  • BethGoes

    Oh nee wat erg! Ik hoop dat Marco haar kan helpen!

    2 weken geleden
  • Sunnyrainbow

    Arme Hailey!

    2 weken geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen