Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
De regen van klappen laat ik zonder protest over me heen komen.

Ik weet niet hoe, en ik weet niet of het de juiste keuze is, maar ik weet mezelf los te scheuren van Haileys huis en in de auto te gaan zitten. Nathan neemt naast me plaats in de passagiersstoel. We praten niet. We kijken niet achterom - ik althans niet.
Ik rijd weg. Ik zet Nathan zonder nog een woord te zeggen af bij zijn appartement en rijd door naar mijn eigen huis.
Thuis aangekomen zou ik eigenlijk uit moeten stappen, naar binnen moeten gaan. Maar ik blijf zitten.
Hailey wordt nu in elkaar geslagen. Ik weet het zeker. Ik ben weggegaan, bewust, en nu wordt Hailey in elkaar geslagen.
Het was een slechte keus in een situatie waar er alleen maar slechte keuzes mogelijk waren. Ik laat haar nu in elkaar geslagen worden, zodat ze op een dag niet meer in elkaar geslagen zal worden, hopelijk. Het is een langetermijnproject met geven en nemen. Dat houd ik mezelf voor.
Als we waren gebleven, had Dean de politie gebeld. Dan waren Nathan en ik ontslagen en hadden we een straatverbod gekregen. Dat zou Dean wel geregeld hebben. En dan zouden we Hailey niet meer kunnen helpen, ook al voel ik me tot nu toe nog niet heel behulpzaam.
Bovendien wilde ze dat we weggingen, ook al denk ik niet dat ze er heel erg van overtuigd was. Maar ze had zichzelf wel laten denken dat ze dat wilde. Als we waren gebleven, hadden we haar vertrouwen geschaad en persoonlijke grenzen gebroken. Dan zou ze zich in de toekomst nog minder op haar gemak voelen bij ons.
Maar toch...
Ze wordt nu in elkaar geslagen. schiet er door me heen, en ik krijg tranen in mijn ogen. Ze wordt nu in elkaar geslagen door dat monster van een vriend en ik zit hier in mijn auto.
En dan denk ik weer aan mijn vreemde woede-aanval, aan hoe het rood werd voor mijn ogen en ik Dean gewurgd had als Nathan me niet had tegengehouden. Ik heb zoiets nog nooit meegemaakt, en het maakt me bang. Ik zie mezelf niet als een agressief persoon. Er is al genoeg agressie in de wereld. Ik wil een beetje vrede brengen.
Het kwam door mijn vader, weet ik. Zodra ik zag dat Hailey nog een keer verkracht was, kon ik alleen nog maar aan mijn vader denken. En zo verloor ik de controle.
Ik zou naar binnen moeten gaan, naar mijn appartement. Maar dat doe ik niet. Ik zet de auto weer aan en rijd weg.

Ik bel aan, en na ongeveer een minuut van koude stilte, wachtend in de sneeuw, doet mijn moeder open, gekleed in een badjas met daaronder haar pyjama. Haar blije verassing om me te zien verandert in bezorgdheid wanneer ze de tranen in mijn ogen ziet. Ze trekt me naar binnen, de warmte in, en duwt de deur achter me dicht.
‘Jongen toch...’ brengt ze verbaasd uit. ‘Wat...?’
Ze trekt me tegen zich aan en ik verberg mijn gezicht in het holletje van haar hals, waar het veilig voelt.
‘Het is een slechte avond, vanavond,’ zeg ik gewoon, met een stem die probeert niet te beven, met ogen die proberen niet te huilen.
‘Wil je erover praten?’ vraagt ze, maar ik schud mijn hoofd. Ze knikt. ‘Kom dan maar gewoon even slapen.’
Ze neemt me mee naar haar slaapkamer en zegt: ‘Ga je tanden maar poetsen.’
Terwijl ik dat doe, pakt ze mijn reservepyjama. Wanneer ik klaar ben laat ze me mezelf omkleden. We kruipen in bed, samen, moeder en zoon. Ik voel me net vier in plaats van vierentwintig, als een jongetje dat troost zoekt in zijn moeders armen na een nachtmerrie. Maar nu mag ik even vier zijn. Nu mag ik me even zo klein voelen als ik wil. Morgen ben ik weer agent Marco Kowalski, en ga ik weer verder met Nathan boven water houden en hopen dat Hailey ooit tot inkeer komt. Maar nu laat ik me gewoon even vasthouden door mijn moeder, zachtjes huilend met mijn gezicht in haar hals.
Mijn lijf voelt te groot, te slungelig, te zwaar, zeker in vergelijking met het kleine, broze lichaam van mijn moeder. Ik voel me schuldig, omdat ik alle last niet in mijn eentje kan dragen, vanavond. Ik probeer haar er nooit bij te betrekken. Meestal lukt het. Soms niet.
Ik nestel me dicht tegen haar aan, verdrinkend in alle beelden die door mijn hoofd schieten.
‘Mama, ik herinner me ineens zo veel,’ weet ik met krakende stem uit te brengen.
Ik voel dat ze een snik inslikt en over mijn rug wrijft. Ze probeert nooit haar excuses aan te bieden, als ik me zo voel. Ze weet dat ik me dan schuldig ga voelen, en dat ik ga proberen mijn pijn te verbergen; alles om haar maar geen sorry te horen zeggen. Ik merk hoeveel moeite het haar kost.
Ik herinner me zijn gehijg in mijn oor, zo levendig dat ik het bijna weer kan horen. Ik herinner me de pijn, de afschuwelijke pijn, en hoe hij me vertelde dat het goed was, en dat heel veel papa’s dit met hun jongens deden. Ik herinner me de afschuwelijke, vulgaire opmerkingen, over hoe hij zo groot leek in mijn kleine handje, en hoe ik hem liet voelen zoals mama dat nooit met hem had kunnen doen. Het maakt me misselijk, en ik wil verdwijnen, verdwijnen van mijn eigen herinneringen, van mijn eigen bestaan.
Maar ik kan niet verdwijnen, dus ik kruip maar gewoon weg in mijn eigen hoofd, in mijn moeders armen, waar het veilig en bekend voelt. Hoeveel nachten heb ik daar wel niet doorgebracht, in mijn kinderjaren, gekweld door mijn vader zelfs toen hij al lang in de gevangenis zat? En hoeveel jaar geleden is het wel niet dat ik dit heb gedaan?
Ik doe mijn ogen dicht, laat me overvallen door alle herinneringen. Ik kan er niet aan ontsnappen, dus ik baad er maar gewoon in. Ik laat het maar gebeuren. De enige manier waarop ik het kan negeren, is als ik het maar gewoon laat gebeuren.

De volgende ochtend word ik gewekt door de geur van schuldpannenkoeken. Dat zijn de pannenkoeken die mijn moeder altijd als ontbijt maakt, nadat ik een dag heb gehad waarin ik veel aan mijn vader moest denken. Ze voelt zich schuldig, omdat ze niet op tijd doorhad wat mijn vader deed; omdat ik in die tussentijd zoveel aan mijn vaders hand geleden heb; omdat ik nog altijd last heb van mijn herinneringen. En dan wil ze het goedmaken zonder er een probleem van te maken, en maakt ze pannenkoeken uit schuldgevoel. Schuldpannenkoeken.
Ik weet niet precies wat het verschil is, maar ik kan het verschil tussen normale pannenkoeken en schuldpannenkoeken proeven. Het is alsof je kunt proeven dat het beslag door bevende handen geklopt is, en alsof mijn moeders ellende en wroeging afgegeven heeft aan de pan en spatel en alles wat ze aanraakt.
Ik overweeg even om me gewoon om te draaien en weer in de dekens te nestelen. Ik wil de dag niet ontmoeten. Ik wil niet opstaan en al mijn problemen in de ogen aankijken.
Maar ik moet het wel. Dus ik scheur mezelf los van de warmte en veiligheid van het bed en trek wat van de kleding aan die ik in mijn moeders huis heb laten liggen. Ik strijk mijn kleren glad en loop naar de keuken, waar mijn moeder net klaar lijkt te zijn met pannenkoeken bakken. De tafel is al gedekt. Er staat al een bak koffie en een glas melk klaar.
'Hoi, mam,' zeg ik, terwijl ik het bord met pannenkoeken op tafel zet.
'Hey, lieverd. Hoe gaat het met je?' vraagt mijn moeder me dan, haar stem een mix van bezorgdheid en geveinsde nonchalance.
We gaan aan tafel zitten en ik knik.
'Beter,' antwoord ik, en ik leg een pannenkoek op mijn bord. Ik probeer te glimlachen. 'Dankjewel.'
We eten ons ontbijt. Ik moet me meer haasten dan ik zou willen, maar ik moet nog even langs mijn appartement voordat ik naar werk ga. Ik schrok het maar gewoon allemaal naar binnen.
Voordat ik vertrek, komt mijn moeder nog even naar me toe. Ik geef haar een knuffel. Ik wil haar vertellen dat het haar schuld niet is, maar ik denk niet dat dat zou helpen, dus ik houd haar maar gewoon even vast.
Ze wil mij vertellen dat het haar spijt, maar ze denkt niet dat dat zou helpen, dus ze geeft me maar gewoon een kus op mijn voorhoofd, kijkt me aan, en zegt: 'Marco, lieverd, ik ben zo, zo trots op je.'

Zodra Nathan en ik die ochtend aan onze patrouille beginnen, vertrekken we naar Haileys huis.
Ze staat bij de brievenbus en doet tevergeefse pogingen om hem open te krijgen, wat niet lukt omdat haar rechterhand in het verband zit. Ze steunt bijna al haar gewicht op haar rechterbeen, alsof haar linker niet goed meer werkt. Wanneer ze ons in haar ooghoek aan ziet komen, zie ik dat haar schouders vestrakken en ze laat een lok haar voor haar gezicht glijden om de blauwe plekken te verbergen.
Ik moet mezelf ervan weerhouden om niet al uit te stappen voor Nathan de auto goed en wel stil heeft gezet. Zo snel als ik kan loop ik naar haar toe, op de voet gevolgd door Nathan. Ze durft ons niet aan te kijken en houdt haar gezicht een klein stukje afgewend, waardoor ik nog banger wordt over hoe erg ze eraan toe is.
‘Jullie zouden hier niet moeten zijn,’ fluistert ze zachtjes. ‘Het is beter als we niet met elkaar omgaan.’
‘En Dean toestaan om je nog verder te isoleren? Over mijn lijk,’ antwoord ik met een bitterheid die ik niet gewend ben te voelen. Met een iets zachtere stem zeg ik: ‘Kom, dan gaan we naar binnen. Je moet duidelijk rustig aan doen, vandaag. Vind je dat goed?’
Ze knikt. Nathan doet voor haar de brievenbus open en haalt de post eruit. Hailey knikt hem dankbaar toe en haalt haar huissleutels uit haar zak. Ze begint al een paar stappen richting het huis te zetten, maar het gaat zo hinkend dat ik al snel begrijp dat we het niet zo kunnen doen. Ze kan nauwelijks gewicht op haar been zetten zonder ineen te krimpen van de pijn en bij elke stap ziet het eruit alsof de knie van haar verkeerde been het gaat begeven.
Ik pak voorzichtig haar arm en sla die om mijn schouders, zodat ik haar kan ondersteunen. Ze verstart een beetje van de aanraking.
‘Probeer dat been zo min mogelijk te belasten, oké?’ stel ik voor, en ze knikt.
In een slakkengangetje weten we naar het huis te lopen en ze doet de deur open. Dean lijkt niet thuis te zijn.
'Wil je zitten?' vraag ik, waarop ze knikt.
Terwijl ik haar naar de bank leidt, legt Nathan even de post op tafel.
Ik gebaar naar haar hand, die een beetje slordig verbonden is, en vraag: 'Zal ik je helpen om het opnieuw te verbinden?'
Ze bekijkt het losrakende verband even en knikt dan.
'Ja, graag. Het was een beetje lastig om het met mijn niet-dominante hand te moeten doen,' ze staat op. 'Ik ga de verbanddoos wel even halen. Willen jullie iets te drinken?'
'Nee, dank je,' zegt Nathan, en ik schud ook mijn hoofd.
'Heb je hulp nodig met het lopen?' vraag ik.
'Hoeft niet,' zegt ze, maar ze moet steun zoeken bij de muur. 'Hoeft niet. Het gaat wel.'
Nathan en ik blijken achter en wisselen een paar bezorgde blikken uit.
Het duurt niet lang voordat ze weer terugkomt en op de bank gaat zitten, met de verbandtrommel. Ik kom naast haar zitten en help haar om het oude verband af te doen. Of, nou ja, het is niet zozeer verband voor om een wond, maar eerder alsof ze haar vinger even op één plek moet houden.
‘Hij is toch niet gebroken?’ vraag ik bezorgd.
Ze schudt haar hoofd.
‘Gekneusd, onder andere. Hij moet gewoon even op een vaste plaats zitten en niet te veel bewegen,’ antwoordt ze.
Ze legt me uit wat er moet gebeuren en hoe ik haar kan helpen. We gaan nauwkeurig te werk, en uiteindelijk denk ik dat het vrij goed is gelukt. Dat zegt ze in ieder geval wel.
Ze leg de verbandtrommel wel weg, op de salontafel, maar ze brengt hem nog niet terug naar de badkamer. Ineens wordt ze stil, en bijt op haar lip. Het voelt alsof ik een preek ga krijgen van mijn moeder of zo.
'Kunnen jullie misschien even gaan zitten?' vraagt ze dan.
Ik zat al, maar Nathan neemt nu ook plaats in een stoel aan de andere kant van de salontafel. Hij zit met zijn ellebogen op zijn knieën, een automatische frons op zijn voorhoofd.
In de stilte die volgt kijken we allebei naar Hailey; kijken naar hoe ze zichzelf bijeen probeert te houden; naar hoe ze moed probeert te verzamelen; naar hoe haar handen beven wanneer ze uiteindelijk zegt: 'Er is iets waar we het over moeten hebben.'

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen