Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Maakt niet uit, schat,’ zegt hij, zijn wang leunend tegen mijn hoofd. ‘Het is gewoon jij en ik tegen de rest van de wereld.’

Nathan en ik zijn doodstil, wanneer we in de auto naar Haileys huis rijden. We hadden afgesproken om haar met rust te laten, en ik was dit eigenlijk niet van plan, maar werk is werk.
De ouders hebben we al ingelicht. Dat was erg genoeg. Maar het idee dat we dit nu aan Hailey moeten vertellen, is afschuwelijk.
Nathan rijdt deze keer, en hij parkeert de auto bij het huis. Voordat we uitstappen, kijkt hij me nog even aan, om te controleren of ik dit wel trek.
Ik knik en we stappen uit, lopen naar het huis. Het is ongeveer elf uur ‘s ochtends, maar allebei hun auto’s staan er nog, dus ik neem aan de ze thuis zijn.
Niet lang nadat ik aangebeld heb, doen ze samen de deur open. Hoewel Hailey haar gezicht in de plooi houdt, lijkt ze niet heel ontevreden om ons te zien. Dean, echter, ziet er niet uit alsof hij heel blij is met onze komst.
‘Wat moeten jullie?’ vraagt hij met een stem die zo bars is dat Hailey heel lichtjes ineenkrimpt. Een vreemde had het over het hoofd gezien, maar ik weet genoeg over hun relatie om het op te merken.
Ik wend me tot Hailey, want zij is degene aan wie deze boodschap gericht is.
‘Klopt het dat je goed bevriend bent met Davis Montgomery?’ vraag ik, en ik ben dolblij dat Nathan bij me staat, want zijn aanwezigheid geeft me de kracht om mijn stem niet te laten trillen. Ik weet het antwoord al, maar het is protocol, en bovendien weet Dean zo niet dat wij in contact zijn geweest, toen bij dat restaurant.
Er verschijnt een zekere behoedzaamheid in haar blik, alsof ze diep vanbinnen al weet wat er komen gaat, maar zich er nog niet helemaal van bewust is geworden.
‘Ja,’ antwoordt ze een tikkeltje achterdochtig. ‘Ja, best wel.’
Mijn schouders zakken een beetje in. Ik kan het niet helpen. Mijn professionaliteit laat ik een beetje varen.
‘Hailey, ik… Hij… Hij is vanmorgen omgekomen in een auto-ongeluk. I-Ik vind het zo erg,’ sputter ik.
Ik zie de schok op haar gezicht. Ze weet het, maar ze begrijpt het nog niet, ze vóélt het nog niet. Ze weet dat het verschrikkelijk is, en ze weet dat het nieuws haar verscheurt, maar ze voelt het nog niet. Toch is haar gezichtsuitdrukking nu al ondraaglijk. Ze zakt bijna door haar benen, maar Deans zekere arm glipt om haar middel en trekt haar tegen zich aan. Voor het eerst ben ik blij dat hij er is; zonder hem was ze ongetwijfeld gevallen.
‘Dank u wel voor het melden,’ zegt Dean, en abrupt doet hij de deur voor onze gezichten dicht. Ik weet eigenlijk niet zo goed waarom ik ergens, diep vanbinnen, verbaasd ben.
Eén seconde blijf ik onbeweeglijk staan. Dan draai ik me om en knik naar Nathan om hem te vertellen dat we maar beter kunnen gaan.
Ik weet nu al dat ik Haileys hartverscheurende geschreeuw dat de stilte doorbreekt nooit ga vergeten. Het klinkt eigenlijk nog afschuwelijker dan de reactie van Davis’ ouders, die we als eerste ingelicht hebben. We moesten even bij hen blijven tot een goede kennis van hen langskwam om hen in de gaten te houden. Davis’ moeder bleef ons maar thee aanbieden, en zijn vader bleef maar dingen stamelen over hoe ze hem meer geld hadden moeten geven voor een betere auto, en dat dit dan niet gebeurt was.
Ze waren allebei nog in shock, maar bij Hailey lijkt het vrij snel binnen te komen, alsof het haar niet eens verbaast. Natuurlijk gebeurt dit. Natuurlijk. Nadat ze volledig in elkaar geslagen is door haar vriend en ze het contact met twee van de weinige mensen in haar leven heeft verbroken, gaat Davis dood. Natuurlijk gebeurt dat. Als je zoveel ellende meekrijgt, dan denk je er niet eens meer aan om het niet te geloven.
Maar dat betekent niet dat het minder pijn doet. Haar schreeuw, wanneer Nathan en ik terug naar de auto lopen, is afschuwelijk. Het zorgt ervoor dat ik me om wil draaien, de voordeur in wil trappen, en haar wil vasthouden tot ze zich weer beter voelt.
Maar dat doe ik niet. Natuurlijk doe ik dat niet. Dat zou alles duizend keer erger maken. Dean zou woedend worden, en Hailey zou nog meer in paniek raken, en ik zou mezelf waarschijnlijk bezeren tijdens het omver beuken van die deur.
Dus we rijden terug naar het bureau. In stilte.
Ik had gehoopt het vandaag vrij kalm aan te doen. Wat Nathan en ik vanochtend hebben moeten doen, was niet leuk, en zeker een van de lastigste taken als politie-agent. Ik had gehoopt even bij te kunnen komen.
Ik had het mis.
Zodra we het bureau binnenlopen, komt Jason op ons af, krijtwit, en zegt: 'De dood van Davis Montgomery was moord.'
'Wat?!' stoten Nathen en ik gelijk uit.
'De dood van Montgomery. Daar waren jullie mee bezig, toch?' vraagt hij, en we knikken. 'De monteurs hebben net gezegd dat zijn auto waarschijnlijk met opzet gesaboteerd is. Hij zei dat de schade aan de remmen eruitzagen alsof een mens het had gedaan.'
Ik knipper een paar keer verbaasd met mijn ogen.
Dean. roept mijn instinct. Dean. Het was Dean, Dean, Dean.
Maar ik houd mijn mond en wacht op wat hij nog meer te zeggen heeft.
'Wie verdenken jullie?' vraagt Nathan, en ik weet wel zeker dat hij dezelfde gedachte heeft als ik.
'We wilden jullie eigenlijk vragen of jullie naar het huis van zijn ex zouden willen rijden. John Parks, heet hij. Ze zijn een paar maanden geleden uit elkaar gegaan, aan het begin van de herfst,' zegt hij. 'Ik geef zometeen het adres wel door.'
We knikken, maar zeggen niets. Als ik nu ga praten, zal elk woord dat er uit mijn mond komt "Dean" zijn.
We krijgen het adres door, en gaan op pad.
John Parks woont in een vrij klein appartementencomplex, waar we zo naar binnen kunnen lopen. We bellen aan en moeten ongeveer een halve minuut wachten tot hij opendoet.
'Hallo,' vraag ik. 'Klopt het dat u John Parks bent?'
Ik vraag het voor de zekerheid, maar eigenlijk zie ik het al. Hij heeft de juiste leeftijd, het juiste profiel. Zijn gezicht is rood en vlekkerig van het huilen, en zijn ogen zijn een beetje opgezet.
Hij knikt.
'Kan ik iets voor jullie doen?' vraagt hij, met bevende stem. 'Gaat... Gaat dit over Dave?'
Ik knik, maar het is Nathan die antwoord geeft.
'Ja, klopt. Is het goed als we even binnenkomen? We hebben een paar vraagjes,' zegt hij.
John knikt en haalt een hand door zijn lichtblonde, doffe haren. Zijn haar zit warrig, alsof hij er al de hele dag met zijn vingers door zit te kammen.
We volgen hem naar binnen, en ik laat automatisch mijn blik door de woning glijden. Het is rommelig en tegelijkertijd wanhopig opgeruimd. Hij doet duidelijk zijn best om alles netjes te houden, maar het is goed te zien dat het niet lukt en dat de hoeveelheid werk in het huishouden hem overweldigd. Depressief, misschien, maak ik in gedachten als aantekening.
'Willen jullie wat drinken?' vraagt hij.
'Nee, dank je,' antwoord ik. 'Het zal niet lang duren.'
Hij knikt en gebaart naar de bank om ons te laten zitten. Dat doen we. Zelf gaat hij niet meteen zitten. Hij loopt nog een beetje nerveus door de kamer, met trillende handen. Hij probeert weer niet te huilen.
'Ik heb al gehoord dat hij dood is,' zegt hij dan met bevende stem. 'Zijn ouders hebben me al gebeld.'
'Heb je nog contact met hen?' vraag ik.
Hij haalt zijn schouders op. 'Een beetje. Wel als er zoiets gebeurt.'
'Maar jij en Davis zijn niet langer een stel, toch? Als ik het goed begrepen heb?' vraag ik door. In mijn ooghoek zie ik dat Nathan een beetje afwezig is. De staat van deze flat doet hem aan zijn eigen appartement denken.
John knikt. 'Ja. Ja, klopt. Dat was... een paar maanden geleden?'
'Zijn jullie een beetje op een goede manier uit elkaar gegaan?' vraag ik.
Hij haalt zijn schouders weer op en snift.
'Soort van. We hadden geen slaande ruzie of zo. Het... Het werkte gewoon niet meer, dus ik heb het uitgemaakt, en hij was er niet héél blij mee, maar hij begreep het wel. Maar... Maar dat betekent niet dat ik niet meer... of dat ik zou willen dat hij... dat...' Zijn stem sterft weg en hij klemt zijn kaken op elkaar om niet te huilen. 'Waarom... Waarom zijn jullie hier? Ik begrijp het niet. Ik weet al dat hij dood is.'
'We zijn hier...' zeg ik dan, 'omdat we sterke vermoedens hebben dat Davis vermoord is.'
Hij houdt op met bewegen, met ademen, met bestaan. Dan zoekt hij met knikkende knieën een stoel, laat zichzelf erin vallen. Hij moet zoveel moeite doen om weer adem te halen dat ik me zorgen begin te maken. Zijn hele lijf beeft. Zijn ogen staan vol tranen. Het klinkt alsof hij stikt wanneer hij vraagt: 'W-Wat?'
Ik haal even diep adem en pak door, ook al vind ik dit een van de lastigste dingen van mijn baan.
'We hebben sterke aanwijzingen dat zijn auto bewust gesaboteerd was om hem te laten verongelukken,' leg ik uit.
Hij was al vrij bleek, maar nu wordt hij echt krijtwit.
'En jullie... jullie denken dat ik dat gedaan heb,' sputtert hij.
Eindelijk zegt Nathan iets, op het moment dat ik me eigenlijk echt zorgen om hem begon te maken.
'Het is standaardprocedure om contact op te nemen met de ex,' zegt hij geruststellend.
'I-Ik was het niet. Ik zou... Ik zou nooit...' sputtert John, alsof hij elk moment een beroerte kan krijgen.
'Is goed,' zeg ik. 'We zijn hier niet om je te arresteren. We zouden wel graag willen dat je zometeen mee zou komen met het bureau, zodat we een goed beeld kunnen krijgen van de situatie. We zouden graag willen weten wat je de afgelopen vierentwintig uur gedaan hebt en waar je geweest bent. Je alibi's.'
Hij knikt, kamt weer door zijn haar. 'Ja. Ja, dat kan wel. Dat kan wel.'
Hij haalt weer een paar keer adem. Ik wacht tot hij enigszins gekalmeerd is wanneer ik vraag: 'Weet je toevallig of Davis eventuele vijanden had? Mensen waar hij ruzie mee had?
John kijkt op, nog steeds lijkbleek.
‘Vijanden? Hij was openlijk homoseksueel. Dan krijg je vijanden genoeg.’ Hij haalt weer beverig adem en voegt er pieperig aan toe: 'Oh God... Waarom gebeurt dit?'
'Weet je toevallig of er bepaalde mensen zijn die hem bedreigt hebben, vanwege zijn homoseksualiteit?' vraag ik.
Hij schudt aarzelend zijn hoofd.
'Nee. Nee, niet specifiek. Het waren voornamelijk gewoon mensen die ons dingen nariepen als we hand in hand over straat liepen. En toen hij nog op de middelbare school zat waren er een paar jongens die hem het leven zuur maakte. Maar... ik weet geen specifieke namen,' geeft hij dan toe.
Ik knik en sta op. Nathan volgt mijn voorbeeld.
'Zou je mee willen komen naar het politiebureau, alsjeblieft? Dan nemen we een verklaring af en kijken we naar je alibi voor de afgelopen dag, goed?' stel ik voor.
Hij knikt en staat ook op, maar het ziet er een beetje wankel uit. Ik ben bang dat hij elk moment van zijn stokje zal gaan, maar het lijkt allemaal te lukken.
We lopen de flat uit, terug richting de auto. Nathan en ik houden onze pas een beetje in, zodat John ons in zijn verwarde staat nog een beetje bij kan houden.
Nee, John heeft Davis niet vermoord. Dat weet ik zeker. Natuurlijk moeten we het gaan onderzoeken, maar instinctief weet ik al dat hij onschuldig is.
Maar Dean, echter... Ja, met Dean wil ik nog wel even een hartig woordje spreken.

Reacties (3)

  • IrisThePiris

    Jeetje, die zag ik niet aankomen:|

    9 maanden geleden
  • Sunnyrainbow

    O nee arme Davis

    9 maanden geleden
  • BethGoes

    Oh nee wat erg!!!! Houd de ellende ooit nog op?

    9 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen