Foto bij Protection 061

Vol twijfels jongleer ik het stukje papier met Wills adres tussen mijn vingers. Nog in pyjama zit ik al een tijdje rechtop in bed met het kussen achter mijn rug gepropt. Net zoals de voorbije dagen was dit briefje het eerste voorwerp waar ik naar reikte bij het wakker worden. De letters zijn nog net leesbaar omdat ik het al zo vaak in mijn handen heb gehad. Zelfs na de confrontatie in het ziekenhuis heeft Will niets meer van zich laten horen.
Mijn gsm zoemt kort.
Nieuwsgierig bekijk ik het berichtje.
Het is Louis die me succes wenst met Will. Ik ben namelijk van plan om straks naar zijn huis te gaan en hem daar uitleg te vragen over de situatie. Of ja, toch tenminste een deftig gesprek aan te gaan zodat ik weet hoe het verder moet of hoe ik dit moet afsluiten.
Er komt nog een tweede boodschap van Lou dat ik achteraf altijd mag langskomen als het niet goed zou zijn verlopen. In een derde bericht geeft hij het adres mee van de studio waar hij een hele dag liedjes moet inzingen en nieuwe teksten moet bedenken. In een laatste drukt hij me op het hart dat ik echt altijd welkom ben als ik hem nodig zou hebben.
Om mijn gsm wat rust te gunnen, onderbreek ik de berichtenstroom met een kleine bedanking.
Het is lief, maar ik trek mijn plan wel. Ik rek me uit en bekijk de blauwe lucht buiten. Ik klim uit mijn bed en koester genietend het warme streepje licht van zonnestralen dat nog net via het raam naar binnen kan schijnen.
Met tegenzin verlaat ik het licht om mijn kleren aan te trekken die mooi klaar hangen over mijn bureaustoel. Louis’ sokken liggen op de tafel erachter. Mama had ze gevonden in de logeerkamer nadat hij woensdagnacht was gebleven. Geen idee hoe je in godsnaam je kousen kan vergeten, maar goed. Ik duw deze gewassen voorwerpen wat rechter en vouw de kreukels eruit. Hij kan alleszins niet zeggen dat mijn ouders niet goed voor hem zorgen.
Mijn vader gaf zelfs geen kritiek op de plundering van zijn snoepjesvoorraad. Misschien moet ik Louis wat tips vragen, want ik kreeg bij zoiets altijd dagenlang het nukkige gezicht van mijn papa.
Ik schik mijn ruimzittende trui beter rond mijn middel en reik al naar mijn hals om Wills medaillon eronder te duwen. Net zoals de voorbije dagen grijp ik in het niets. Het voelt echt raar dat er na al die maanden niets meer rond mijn nek hangt. In mijn jeansbroek prop ik alvast het papiertje met het adres. Louis’ spullen neem ik ook al mee naar beneden, de kans is groot dat ik effectief langs ga bij de studio.
Even doe ik mezelf blozen als ik aan zijn bekentenis denk.
Maar dat idee schud ik weer weg. Ook al heeft hij romantische gevoelens voor me, mijn koppigheid zal er op den duur wel korte metten mee maken. Gewoon vrienden. Dat werkt het beste voor ons.
Bijna mis ik een traptrede omdat ik zo opga in mijn mijmeringen. Met kloppend hart vervolg ik mijn weg, de trap stilletjes vervloekend. Gelukkig vergeet ik mijn bijna-doodervaring wanneer ik de zondagse flensjes van mijn mama ruik.
“Yes!” juich ik overgelukkig. “Mijn dag is goed! Goeiemorgen mama.”
Mijn levensschenker staat naast de koffiepot te wachten, maar rolt overduidelijk met haar ogen. “Je zegt elke week wel zoiets. Nochtans maak ik dit al jaren bijna elke zondag.”
Hongerig ga ik alvast op mijn vaste plek zitten. “Wel, jouw flensjes zijn steeds het hoogtepunt van mijn week.” Ik schenk mezelf al versgeperst fruitsap in. “En dat moet eveneens gepast gevierd worden.” Papa komt op dat moment ook net binnen met de zondagskrant die hij op de salontafel smijt.
De zoetebek kijkt zo mogelijk nog verlekkerder naar de zoetigheden op tafel dan ik.
“Het beste moment van de week.” Hij klapt in zijn handen van geluk.
“Jullie zijn twee dezelfden,” mompelt ze geamuseerd.
Mijn vader begrijpt er niets van. Hij trekt er zich verder niet veel van aan omdat mama erbij komt zitten en dit het teken is om aan de stapel flensjes te mogen komen. Begerig legt hij een dikke stapel bij hemzelf. Hij staat op punt om rijkelijk de stroop te gieten als mama subtiel een kom fruit naar hem schuift. Met tegenzin limiteert hij zijn stroopinname en legt er enkele schamele bananenschijfjes bij.
Peinzend gooi ik een aardbei naar binnen. Papa en mama waren even uit het lood geslagen als ik bij het nieuws dat Will me niets had laten weten. Ze waren blij dat hij de missie levend had verlaten, maar zaten ook met hem in omdat hij zijn onderbenen verloren had. Papa deed iets zachter over de hele situatie. Oké, Will had me zwaar gekwetst, maar papa begreep hoe het was om zo geschonden terug te keren. Dat perspectief hielp een beetje. Al blijft dit een shitty ding.
De rest van de ochtend spendeer ik aan het ontbijt en de opkuis. De stress lijkt zich in mijn borst te nestelen wanneer ik achteraf de schoenendoos met mijn brieven vanonder mijn bed haal. De laatste brief heb ik gisteren nog geschreven na mijn werkdag. Het verschil is duidelijk: de eerste brieven zijn allemaal heel verzorgd dichtgevouwen in de envelop. Bij mijn laatste had ik echter wat moeite om de woede te verbijten en heb ik op een bepaald moment een dikke prop gemaakt van het velletje papier. Toen ik daarna bekoelde, moest ik het doen met een gekreukeld stukje waardoor het dichtplooien ook niet meer zo elegant ging.
Dit gaat echt niet gemakkelijk worden. Zowel de doos als sokken neem ik mee naar beneden. Daar trek ik stevige schoenen aan en neem afscheid. Met al mijn gerief stap ik naar de auto die ik vandaag mocht lenen. De gps geeft een onnatuurlijk vrolijke pin als de afstand berekend is.
Hier gaan we dan.
Will, of toch zijn gezin, woont toch nog op een redelijk afstandje van bij mij thuis. Ik krijg de krop amper weggeslikt als ik nog slechts een paar straten te gaan heb. Het is hier blijkbaar geen druk stadsgedeelte. De huizen staan op regelmatige afstand van elkaar en zijn steeds halfopen of open. Een rijtjeshuis zoals dat van mij valt hier niet te bespeuren.
Als ik een doodlopende straat in rijd, krijg ik het gevoel dat de flensjes van daarnet eruit kunnen komen. Nummer negen zou het moeten zijn.
Even ben ik niet zeker of dit het juiste huis is, maar de brak aangelegde rolstoelramp op de trappen richting de voordeur is een duidelijke aanwijzing dat ik hier waarschijnlijk aan het correcte adres ben. Ik parkeer de auto recht tegenover het huis op een duidelijk aangegeven parkeerplek naast het begin van de oprit. Zo sta ik niet in de weg als er mensen weg moeten of toekomen.
De korte pijn dan maar?
Om te vermijden dat ik mezelf op andere gedachten kan brengen en terugkeer naar huis, zet ik vlug de motor af en gooi de autodeur dicht. Als een geoliede machine neem ik de schoendoos met brieven van de achterbank, draai alles op slot en stamp met een doel naar de voordeur.
Zenuwachtig duw ik op de bel. Hopelijk is er iemand thuis. Er staan geen auto’s voor de garage van het witte huis en het lijkt hier ook vrij stilletjes. Ik bel nogmaals aan. Terwijl ik wacht, bestudeer ik de schuine helling voor Wills rolstoel. Dit is echt slecht aangelegd. Will zou hier nooit zelfstandig op geraken, dit is veel te steil.
Een dof geluid trekt mijn aandacht. Ik probeer door de ruit met doorzichtig gordijntje naast de voordeur te piepen om na te gaan of er iemand in de gang is. Even gebeurt er niets, maar dan beweegt er precies een schaduw. Gaat hij het echt zo spelen? Er is slechts één iemand hier die het zou vertikken om de deur te openen als ik het ben.
Gefrustreerd wijk ik af van de helling en trap naar de voordeur. Doorheen het gras loop ik naar het raam aan de linkerkant en onderzoek de binnenkant van het huis. De rozenstruik kan me nog gedeeltelijk verbergen voor eventuele aanwezigen in de keuken voor me. Er brandt nergens licht. Even ben ik niet meer zeker of de schaduw van daarnet niet gewoon verbeelding was.
Zodra er een wiel tevoorschijn komt vanachter de keukendeur weet ik dat ik goed zat. Will voelt misschien dat ik naar hem kijk, want zijn hoofd schiet omhoog. Geschrokken valt zijn mond open. Zijn ogen schieten naar de achterkant van het huis. Ik volg zijn blik en zie dat het schuifraam achter de eettafel open staat. Triomfantelijk sprint ik rond het gebouw. Gelukkig voor mij kwam Will nog een paar meter te kort om me te snel af te zijn en alles af te sluiten.
Ik laat mezelf binnen en neem de omgeving in me op. Het is een mooi huis met een grote, open keuken en een gezellige leefruimte. Awkward doe ik het schuifraam opnieuw op een kiertje en nog een paar stappen later sta ik vlak voor Will.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen