Foto bij Protection 062

Net zoals in het ziekenhuis wendt hij zich van me af. Hij rijdt zelfs een stukje achteruit om afstand te bewaren. “Ga weg.”
“Will.”
“Cam, serieus. What the fuck doe je hier zelfs?” Vreemd genoeg klinkt dit zowel boos als krachteloos.
Met een diepe zucht geef ik de schoenendoos een plekje op de ronde eettafel. Zelf trek ik een stoel naar achteren om te kunnen zitten en op dezelfde hoogte te zijn als Will. “Ik geef om je en ik laat je ook niet zo gemakkelijk vallen.”
“Maar ik wil je hier helemaal niet. Begrijp je dat nu echt niet?” Zijn grijze kijkers staan verdrietig.
“Waarom doe je alsof je me niet kent? We waren toch vrienden?” Ik speel met een uitstekend flapje aan de doos. “Je doet alsof ik een vreemde ben. Je bent mijn beste vriend, maar ik herken je niet meer.”
“Ik ben hier de vreemde!” vliegt hij uit.
“Hoezo?” Niet-begrijpend probeer ik de klap te verwerken.
“Kijk toch naar me!” Met zijn ene hand houdt hij zichzelf in evenwicht en grijpt hij de leuning vast. Met de andere zwaait hij vervaarlijk in de lucht. Zijn rolstoel wipte zelfs even opzij van de kracht. “Ik ben niet meer dezelfde! Mijn benen zijn verdomme geamputeerd.” Hij snikt en het breekt mijn hart.
Ik zie mijn kans schoon en geef hem een knuffel. Jammer genoeg sluiten zijn armen zich niet rond mij. Hij begint over zijn hele lijf te trillen en huilt met lange stoten: “Ga weg, Cam.” Koppig klem ik hem nog steviger vast. “Cam!” schreeuwt hij zowat. “Weg!” Hij begint me agressief weg te duwen. “Ga weg!”
Deze keer kan ik me niet inhouden. In het ziekenhuis mocht ik als een huilbaby overkomen door de eerste shock, maar nu voel ik vooral verontwaardiging: “Ik ben geen stuk stront!” Vrijwel meteen heb ik spijt van die uitbarsting, Will krimpt als een gebroken vogeltje in elkaar.
Struikelend door het achteruitlopen val ik onhandig tegen de stoel achter me. Het meubelstuk schuift een eindje mee. Van de luide klap raakt Will helemaal zijn kluts kwijt en drukt hij angstig zijn handen tegen zijn oren. Zelfs als het muisstil is, blijft hij bibberend in dezelfde houding zitten.
Door op mijn knieën te zitten probeer ik kalm zijn ogen te vinden. Deze kijken echter in het niets en Will lijkt zich niet meer van mij bewust te zijn. “William?” fluister ik zo voorzichtig mogelijk. Het kost me een aantal lange, geduldige minuten om hem terug naar deze wereld te krijgen.
Zodra hij zijn oren loslaat, weet ik dat Will opnieuw aanwezig is. Hij neemt de omgeving in zich op. Als hij mij opmerkt, laat hij uit schaamte zijn armen nutteloos tussen zijn bovenbenen rusten. Ik klem zijn koude vingers tussen de mijne, maar ik krijg geen reactie.
“Cam.” Will prutst onze handen los. “Ik wil niet dat je me zo ziet. Ga alsjeblieft weg.”
“Oké.”
Bijna gelooft hij me niet. “Je geeft op?”
“Hell no.” Ik kruis vastberaden mijn armen. “Ik begin nog maar net. Ik ga je niet uit het niets opgeven.” Ik tik op de schoenendoos door een paar passen naar achteren te zetten. “En dat zou jij ook niet doen bij mij als de situatie omgekeerd was.”
“Ik-”
Snel onderbreek ik hem. “Nee. Begin jij gewoon met mijn brieven te lezen.” Even houd ik mijn mond. Uiteindelijk gooi ik het er toch uit, ook al kan het misschien voor een verkeerde noot zorgen in het gesprek: “Ik zou ook graag willen dat je mijn vader contacteert.” Stiekem haal ik de standaard balpen uit mijn broekzak en schijf ik mijn vaders naam en contactgegevens op de binnenkant van de schoendoos. Papa weet hier nog niets van. Oeps. Ik weet wel dat hij het zeker niet erg zou vinden als hij hiermee Will kan helpen.
“Waarom?”
Er komt nog een tweede naam bij me op dus die voeg ik eveneens toe. “En ook Chris Felton.”
“Wie is dat alweer?” Verveeld staart hij langs me heen.
De klep van de doos sluit ik. Zenuwachtig friemel ik aan de pen. “Een psycholoog gespecialiseerd in PTSD. Hij heeft hetzelfde meegemaakt en heeft ons-”
“Eruit.”
“Will, alsjeblieft.”
Hij heeft echter geen medelijden: “Eruit, zeg ik.”
De temperatuur in de kamer daalt een paar graden na zijn kille uitspraak. Ik weet even niet hoe te reageren. Will lijkt zo gevoelloos, op zijn woede na dan.
“Ik wil je hier nooit meer zien.” Ik snuif. Yeah right, dat mag hij denken. Will rolt naar de open keuken en zwaait de tussendeur naar de gang open. “Weg.”
Met tegenzin doe ik wat hij vraagt. In de gang wacht ik tot hij de voordeur voor me opent, maar hij rijdt zich achter me vast omdat de deuropening te smal is. Ik doe een beweging dichterbij zodat ik hem kan lospeuteren. Logisch dat hij zo gefrustreerd is. Als hij zich elke keer in bochten moet wringen om naar andere gedeeltes in het huis te geraken. Waarschijnlijk is de bovenverdieping nu al helemaal niet meer mogelijk.
Boos weert hij me af. Ik krijg zelfs een klap op mijn handen, maar hij merkt hij amper omdat hij vlak erna met zijn vuist de deurlijst te lijf gaat. We horen allebei iets kraken. Daar schrikt hij voldoende van om minder wild in het rond te slaan. “Ga weg.” Ja, ik kan hem moeilijk zo achterlaten, gevangen in een deuropening.
“Goed.”
De voordeur draai ik open. Will is hier zo op gefocust dat hij mijn volgende actie niet verwacht. Vliegensvlug stomp ik tegen zijn wielen zodat de rolstoel vrij is. Hij bolt lichtjes uit richting keuken en nog vooraleer hij opnieuw kwader kan worden, sluit ik de keukendeur tussen ons. De voordeur valt dicht en op slot achter me.
Bijna blijft mijn voet achter de ramp voor de rolstoel haken. Er is nog een veranda als platform tussen de helling en de voordeur waar je even kan parkeren, maar dat is dan ook het enige positieve. De planken zitten niet recht, op sommige plekken hangt het bouwsel los en dan nog te zwijgen over de steilheid. Zelfs een spierbal zou hier niet zonder boe of ba op geraken.
Ik trek mijn broekspijp los van een slecht afgezaagde balk. “Shit,” mompel ik. De stof rond mijn enkel is blijven hangen aan een dikke splinter waardoor er een gerafeld gat is ontstaan. Tot zover de kwaliteitscontrole.
Er begint een plannetje in mijn hoofd op te borrelen. Volgende week sta ik hier lekker opnieuw. Terwijl ik naar de auto wandel, maak ik mentaal al een lijstje van al het materiaal dat ik nodig zou hebben om dit hier in een deftige ramp om te toveren. Normaal gezien kan ik wel een aantal planken vinden in de doe-het-zelfzaak in mijn buurt. Voor ik vertrek, vraag ik mijn agenda op.
Super. Ik heb genoeg gaten in het overzicht om volgende week wel eens in de winkel al het gerief te halen. Er is ook een feloranje tijdsblok dat mijn aandacht trekt. Dat is ook waar. Volgende week krijg ik het besluit over mijn volgende missie te horen, want ik had me opgegeven voor een korte opdracht. Eigenlijk is het nog een geluk dat ik niet voor iets langers ben gegaan, nu Will op deze manier naar huis is moeten keren. Zo kan ik hem een beetje in de gaten houden en hem erbovenop helpen.
Misschien moet ik Sacha ook eens aanspreken. Ze zal iets gelijkaardigs meegemaakt hebben en kan naar alle waarschijnlijkheid ook wat steun gebruiken. Hopelijk kan ik via mijn connecties een telefoonnummer bemachtigen om haar een hart onder de riem te steken. En wie weet vertelt ze over wat er precies gebeurd is. Vastberaden start ik de motor.
Halverwege de rit begint het kwartje te vallen dat ik Will het nummer van mijn vader heb gegeven. Papa is hier momenteel nog niet van op de hoogte. Niet dat hij Will niet zou willen helpen, maar een kleine waarschuwing is wel aangewezen. Het laatste stuk leg ik gestresseerd af omdat ik tijdens het rijden moeilijk berichten kan creëren.
Zodra ik de wagen in de buurt van de opnamestudio parkeer, stuur ik hem een lange sms met alle uitleg. Een beetje verward sms’t papa terug dat het oké is. Dat hij Will graag wil helpen voor mij. Die informatie stelt me gerust, want Will komt er met onze hulp sowieso wel door. Hij kan zo ambetant en kwaad worden als hij wil, tegen mijn vastberadenheid is niets opgewassen.
Op mijn gemakje haal ik Louis’ sokken uit de auto en stop genoeg kleingeld in de parkeermeter. Onderweg koop ik nog een belegd broodje. Het loopt al tegen het middaguur aan en begin wel een hongertje te krijgen. Graag had ik op de parking van de studio zelf gestaan, maar je hebt daar speciale toestemming voor nodig en eerlijk gezegd had ik geen zin in nog meer gedoe. Plus, door een aantal straten te moeten wandelen, kan ik ook van de frisse buitenlucht genieten.
Toch sluip ik stiekem onder de balustrade door om de beveiliging te ontlopen. Ik kan me namelijk inbeelden dat niet iedereen hier nog weet wie ik ben: zo heel lang ben ik namelijk geen bodyguard geweest voor One Direction. Sowieso dat de meesten me al compleet vergeten zijn.
Met Andrew bleef ik wel contact houden. De rest is een heel ander verhaal. Ik was veel te kort in dienst om echt heel diepe en intense banden te smeden met mijn collega’s dus hen hoor ik ook totaal niet meer. In het leger maak je nogal wat mee op heel korte tijd, maar hier in de normale bewoonde wereld is het eerder uitzonderlijk om zo goed bevriend te worden met wie je werkt.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen