RED


Because to you I'm merely a monster,
And in the end that's all I ever was.

Kou trok van de grond op, maar Red bewoog niet. Geen geluid maken, niet bewegen. Vooral de aandacht niet trekken. Hoewel Red alleen in de ruimte was, konden er monsters in de schaduwen verborgen zitten. Wie wist wie er op dit moment naar hem aan het kijken was.
Laag weggedoken, ineengekrompen, maar Red kon zich niet verstoppen voor het schijnsel van de maan. Hoewel het nog geen volle maan was, was er voor zijn versterkte zicht voldoende licht. Het maanlicht leek haast te pulseren op de zilveren tralies, een roeping en een waarschuwing ineen. Ook schoonheid kon gevaar verbergen.
Het geluid van zachte voetstappen op de marmeren vloer maakte dat hij strakgespannen in de kooi zat, en nog verder achteruit schoof, voor zover dat nog mogelijk was. Slechts een paar centimeter zat er nog tussen hem en het vernietigende zilver. Een paar centimeter waarin hij niet langer achteruit kon.
Het was Chryssante die de ruimte betrad, haar armen vol. Om haar ene arm zat een verband gewikkeld, al wist Red zeker hoe het eronder uit moest zien. Hij was geen vreemde als het ging om wonden van klauwen. Hij had ze ontvangen en nog vaker uitgedeeld.
“Wees niet bang,” fluisterde Chryssante. Red volgde met zijn ogen hoe ze neerknielde, maar bewoog verder niet. De woorden van Calix en de oudere man zaten nog vers in zijn geheugen. Je blijft uit de buurt van Chryssante.
De appel die tegen hem tot stilstand kwam, maakte dat hij voor een fractie van een seconde bevroor. Misschien moest hij het maanlicht dankbaar zijn. De hoek maakte dat hij precies in een schaduw kon zitten. Het was de enige bescherming die hem geboden was.
Het geluid van de appel had oorverdovend geleken in de lege ruimte, maar niemand kwam kijken. Reds hart bonsde in zijn borstkas nu hij niet langer alleen was. De appel bleef liggen waar die lag, en onders Chryssantes blik wilde hij zich alleen maar kleiner maken.
“Ik had je nog meer brood en water beloofd,” zei ze zacht. “Ik doe je geen pijn, dat beloof ik. En ik hou me altijd aan mijn beloftes.” Ze stak het brood door de tralies, maar in plaats van het neer te leggen, hield ze het in haar hand. Zelfs na alles wat er gebeurd was, weigerde ze nog toe te geven dat hij een gevaarlijk beest was aan wie ze zo haar hand kon verliezen.
In eerste instantie volgde Red haar bewegingen enkel met zijn ogen, maar de geur van brood bereikte zijn neus en ze was eerder goed voor hem geweest. Het maakte dat hij net iets meer opkeek, zich net iets meer naar haar toe draaide. Geïntrigeerd, maar nog te voorzichtig om het brood daadwerkelijk te komen aannemen.
“En geen zorgen. Je hebt me geen pijn gedaan. Er is wel meer voor nodig om mij ten onder te krijgen. Onkruid vergaat niet, zeggen ze meestal.” Het geluid van… ja van wat? Sprak haar bewering tegen, net als de geur van haar bloed die erop volgde dat deed. “Dat hoort zo.” Het klonk niet overtuigend.
Misschien was het schuld, misschien was het honger, misschien was het nog iets anders, maar heel langzaam kwam Red vanuit zijn plek in de hoek iets naar voren. Ineengedoken, op handen en voeten. Meer beest dan mens.
De waarschuwing bleef in zijn oren klinken, maar stapje voor stapje kwam hij toch iets dichterbij. Wanneer hij zijn hand uitstak, kon hij net het brood aanpakken. Vlak voor hij het brood daadwerkelijk pakte, aarzelde hij.
Blijf uit de buurt van Chryssante.
Het brood raakte zijn vingers, en meteen schoot hij twee passen achteruit, het brood stevig in zijn hand geklemd. Het was niet helemaal achterin de kooi meer.
“Het spijt me.” Opnieuw enkel een fluistering, hoewel het hard klonk in de stilte van de nacht. Opnieuw een verontschuldiging die zijn lippen verliet. Het was haast een mantra aan het worden, zoals de woorden al de hele avond geklonken hadden, in het echt en in zijn hoofd. Het spijt me, het spijt me, het spijt me.
Want hoewel ze zei dat hij haar geen pijn gedaan had, wist hij dat het tegendeel waar was. Hij had haar zeker pijn gedaan, en waarom ze hierover zou liegen was een raadsel. Ze had hem juist ter verantwoording moeten roepen.
“Ik- ik-“ Ik had de controle niet moeten verliezen. Maar dat zei je niet tegen mensen. Zij wisten niet hoe sterk de tweestrijd soms kon zijn. Zij zagen enkel een beest wat doelbewust iets uitvoerde. “Ik had het niet moeten doen. Ik deed je pijn.” Hij keek naar de grond, wetende dat de schuld bij hem lag. Wetende dat hij haar zeker wel pijn gedaan had, ondanks haar woorden dat dat niet zo was en dat ze sterk was.
Waar dat onkruid vandaan kwam, wist hij niet.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen