Kevalth keek op in een donkere ruimte. Er viel niets te zien. Het enige wat zijn zintuigen meemaakten waren de druppels op de achtergrond. Druppels dat ergens op tikte.
Er was niemand om hem heen, en meteen voelde hij een eenzaam gevoel.
Was hij niet zojuist met iemand anders? Hij was niet alleen, toch?
Za’afiel, waar was Za’afiel?
Ondanks hij niets kon zien probeerde hij alsnog rond de ruimte te kijken. Het viel hem op dat de grond koud aanvoelde. Bijna nat zelfs. Kwam dat door de druppels?
Kevalth probeerde kwam langzaam verder overeind, tot hij eindelijk op zijn poten stond. De grond voelde niet aan als gras. Ook niet als steen. Waar was hij nu weer beland?
Het was echt stil. Zelfs de stemmen in zijn kop waren stil. Hadden die hem ook verlaten? De stemmen waar hij zo gewend aan was geraakt. Waarom zouden die hem nu verlaten?
Zonder het echt door te hebben bewoog hij een poot omhoog en zette die tegen een of ander muur. Het voelde koud en glad. Hij was niet zeker waarom hij het deed, maar daar dacht hij ook niet echt over na.
Hij knipperde kort met zijn ogen en eenmaal wanneer hij zijn ogen weer opende keek hij toen direct naar diep rode ogen, hij schrok ervan en zag meteen dat het wezen voor hem dezelfde schrik bewegingen maakte.
Hij keek naar zijn eigen klauw die nog steeds tegen de muur aan zat. De reflectie ervan ging mee met het wezen tegen over hem. Wat was er aan de hand?
Bloed druppelde langs de hoeken van het andere wezens zijn bek. De vleugels waren zwaar gehavend, het gehele wezen zag eruit alsof het al jaren in gevecht is geweest met het een of ander.
“Wie ben jij?” Hier was wanneer de reflectie verschilde met Kevalth.
De andere draak keek op waardoor hij zijn kop hoger opzette tegenover Kevalth. Het begon toen te grinniken. “Ik ben jou,” kwam eruit met een stem dat bijna klonk als een grom.
Kevalth keek geschokt op wanneer hij erna naar zichzelf keek. Het viel hem toen op dat ook zijn vleugels zwaar gehavend waren. Zijn borst zat onder krassen van oude gevechten. Daarbij, onder hem lag een plas met bloed. Het was nu pas dat hij het bloed in zijn bek proefde. Nu pas voelde hij het naar beneden druipen.
Kevalth schudde zijn kop. Dit kon hem niet zijn. Dit was niet wat hij wilde zijn.
“Nee! Dat kan niet!” Hij hoorde aan zijn eigen stem hoe het was veranderd in een zware brul. Het praten leek wel bijna onmogelijk. En in een flits verdween de droom even snel als dat het ontstond.

Kevalth schrok wakker terwijl zijn vader naast hem lag. Hij keek eerst even naar zichzelf, en zag dat hij weer zichzelf was, maar er was ook iets anders wat hij merkte. Hij kon weer normaal zien. Hij was niet zeker wat er was gebeurd. Wanneer hij om zich heen keek zag hij dat hij nog midden in het dorp lag. Het dorp dat hij in as had veranderd.
Hij merkte op dat Za’afiel niet aan het slapen was en keek hem toen aan. De relatie dat hij verantwoordelijk was van zoveel destructie deed hem pijn. Misschien had de gedaante gelijk. Misschien was dat precies wat Kevalth zou gaan zijn.
“Je bent wakker?” Za’afiel keek ook op en zag dat Kevalth ook naar hem aan het staren was waarmee hij eigenlijk meteen zijn antwoord kreeg.
“Ik wil naar huis,” zei Kevalth toen. Zijn vader knikte en stond toen op.
Za’afiel toonde nooit echt liefde naar zijn zoon, maar misschien was het dit keer wel echt. Nu Za’afiel zag dat zijn zoon ook een slokje duisternis naar binnen heeft gehad. Er was nu iets wat ze gemeen hadden. Ze hebben beide iets verschrikkelijks gedaan. Al had Za’afiel geen grenzen, en deed hij gewoon wat hij wilde, wanneer hij het wilde. Dat was niet wat hij wilde voor zijn zoon.
“Laten we gaan.”
Kevalth stond toen rustig op en wandelde toen het pad terug richting hun thuis. Kevalth voelde er niet naar om naar huis te vliegen. Het wandelde zou hem meer tijd geven dit te verwerken. En tijd was zeker wat hij nodig had.
“Kevalth, probeer dit alles te vergeten. Anders zou je nooit met jezelf kunnen leven.” Za’afiel keek een beetje opzij wanneer hij sprak tegen zijn zoon, maar Kevalth reageerde niet echt. Hij zat teveel met zichzelf in zijn kop. Hij wist niet eens hoe hij normaal zou moeten reageren tegen zijn vrienden. De afgelopen week was echt niets van hem. Als je hem twee weken geleden zou vragen of hij ooit zoiets zou doen, zou hij zeker weten geantwoord hebben met dat hij nooit zoiets in zijn leven zal doen.
“Kan ik niet gewoon de tijd terug spoelen?” vroeg Kevalth toen terwijl hij verder wandelde. Za’afiel schudde zijn kop, iets wat Kevalth niet zag, maar dat maakte niet uit. Hij wist zelf het antwoord ook wel.
Eenmaal wanneer ze aankwamen was de zon ondertussen al opgekomen. Eenmaal toen Kevalth bekend terrein zag keek hij eindelijk weer op, maar eenmaal wanneer hij opkeek zag hij zoveel andere wezens dat hij niet wist hoe hij moest reageren.
Hij zag de twee honden en wolf, twee vossen en een andere draak, maar geen D’agon, waar was D’agon?
Hij keek om zich heen, zoekende naar deze draak, maar hij was nergens te zien.
“Waar is D’agon?” was het eerste wat hij vroeg.
De twee honden keken elkaar aan en rende toen op Kevalth af en keken hem toen aan vanaf de grond.
Kevalth kwam wat lager om de honden beter aan te kunnen kijken.
“D’agon… D’agon is er niet meer, Kevalth. Nadat de koepel weg was ging het steeds slechter met D’agon en… Verdween hij. Hij is dood.” Kevalth knipperde met zijn ogen en voelde zijn ziel nog verder in stukjes scheuren.
“Oke.” Kevalth zei niets anders terug en wandelde verder naar de andere wezens in een emotieloze staar. Hij moest al zoveel verwerken. De dood van D’agon werd hem echt even teveel.
Za’afiel keek hem na, en hield hem in de gaten. Hij wilde niet dat Kevalth nog meer stomme dingen deed.
Ook Syrreth keek naar Kevalth met interesse.
“Je bent een interessante draak, Kevalth.” Kevalth keek lichtjes op naar Syrreth. Hij wist niet wat hij tegen hem zeggen moest, maar de sfeer die Syrreth gaf was hem wel wat bekend. Hij stond toen bijna meteen weer op en gaf Syrreth toen een knuffel. Syrreth snapte niet waarom en keek op naar Za’afiel die het ook even niet begreep.
“Je lijkt op D’agon, of niet?” Kevalth keek op naar Syrreth. Syrreth wist niet precies hoe Kevalth dat kon weten, maar hij knikte er wel op.
“Hoe weet je dat, jonge draak?” vroeg Syrreth toen uit interesse.
“Je sfeer, een soort aura om je heen. Die lijkt op D’agon. Fijn je te ontmoeten.”
“Syrreth is de naam, jij bent Kevalth zeker?” Kevalth knikte en ging toen dicht naast Syrreth liggen. Het verliezen van D’agon zag Kevalth als straf voor wat hij had gedaan. En dat Syrreth nu hier was betekende dat het een beloning zou zijn voor de toekomst. In Kevalth’ perspectief tenminste.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen