Foto bij Protection 072

Met heel veel moeite hoeven we slechts een keer naar boven te wandelen met de boodschappen. Sacha en ik hebben de lift genomen, maar Louis wilde per se tonen dat hij even snel zou toekomen als hij de trappen gebruikt. Jammer genoeg voor hem heeft hij toch niet zijn gelijk gehaald. Ik had bijna medelijden met zijn gepuf.
Met een rood hoofdje smijt hij de spullen op het kookeiland en hij schenkt zich een vol glas water in. Heel geheimzinnig schuift Sacha me weg als ik eens wil piepen naar wat ze precies hebben gekocht. In de auto wilden ze namelijk totaal niet vertellen wat we nu vanavond zouden eten. Beiden zijn er blijkbaar wel honderd procent van overtuigd dat het een van mijn lievelingsgerechten is, want ze wilden we verwennen vandaag.
De uitleg voor de verwennerij is dat ik daarnet twijfelde om nog mee te komen omdat het me te vermoeiend leek. Daarnaast staken ze het op mijn idee voor Will. Nu hij toch al een glimlach kon opbrengen. Ook iets over George en Yvonne, maar dat was meer door Louis’ toedoen dus daar ga ik de eer niet van opstrijken.
“Cams, afblijven!” Louis tikt mijn vingers weg als ik achter Sacha’s rug toch nog eens wil piepen.
Uit koppigheid blijf ik wel aan het keukeneiland zitten.
Dat staat Louis echter niet aan. Hij grijpt mijn pols en troont me mee naar de zetel. Daar doet hij teken dat ik moet zitten. Stokstijf doe ik wat hij zeg. Met een beteuterd gezichtje draait hij zich om na een dekentje te pakken. Hij schudt de kussens naast me op, duwt me in een liggende houding en drapeert voorzichtig het dekentje over me heen zodat ik helemaal snug ben. Om me bezig te houden knipt hij de televisie aan en legt de afstandsbediening tussen mijn handen. Met een kus op het voorhoofd laat Louis me zo achter.
Ik zal waarschijnlijk een dutje gedaan hebben. Een of ander alarm haalt me namelijk terug uit de wazige mist van vermoeidheid. Verdwaasd duw ik me rechtop.
“Cam, volgens mij is dat jouw gsm.”
“Nah.”
“Toch wel.”
“Ik heb geen alarm gezet.”
“Misschien word je gebeld, Cams?”
Moeizaam open ik mijn ogen. Oei. Inderdaad. Nog net op tijd kan ik het telefoontje aanvaarden. “Hallo?” De persoon aan de andere kant antwoordt niet meteen. Misschien is er een probleem met de verbinding? Het gesprek is nog steeds bezig. “Dit is Cam. Hallo?”
“Ja.”
De stem aan de lijn haalt me vliegensvlug uit mijn slaperige toestand. Ik zou zweren dat het Will is. Om zeker te zijn vraag ik bevestiging: “Met wie spreek ik?”
“Will.”
Wauw. Het is effectief gelukt. In mijn laatste brief had ik mijn nummer neergepend, maar ik had niet gedacht dat hij me echt zou contacteren. Vreemd genoeg raak ik lichtjes in een soort van shock;
“Hallo? Ben je daar nog?”
Verschrikt antwoord ik: “Ja. Ja, ik ben er nog.”
“Goed.”
Ongemakkelijk zeggen we allebei niets.
“Tof om je te horen.” Ja hoor, Cam, klinkt helemaal niet geforceerd.
“Ja.”
“Waarom bel je precies? Is er iets specifieks waar je het over wil hebben?”
“Nee, niet echt.” Zijn gezucht weerklinkt klaar doorheen het toestel. “Het leek me het beleefde ding om te doen, na vandaag.”
Zou ik dom spelen en zeggen dat het Georges idee was? “Oh.”
“Ja, jij hebt die helling aangepast zeker? Voor mijn huis? Ik zag dat je weer had geschreven en dat er iets was veranderd aan mijn huis dus… Ik legde het verband.”
“Oh,” zeg ik opnieuw.
“Ja. Ik moest je bedanken van mijn ouders.”
Oh fijn, dit is dus eigenlijk een verplichting voor hem. “Geen probleem. Ik had hulp van anderen, al weet ik niet of ze hun namen willen zeggen.”
“Ah.”
“Ja.”
“Nou, bedankt.” Hij aarzelt een seconde. “Veel verder dan dit hoeft het niet te gaan. Bedankt, maar het is genoeg geweest.”
Ik lach inwendig omdat hij zo mijn koppigheid activeert: “Nee.”
“Wat?”
Het is moeilijk om vrolijk te blijven bij zijn tegendraadse ingesteldheid, maar ik verplicht me genoeg om een onwrikbaar positieve toon in mijn woorden te steken: “Nee, we zijn nog lang niet klaar. Tot de volgende en nog een fijne avond. Dag!” Het doet pijn, maar ik duw toch zelf af zodat hij niet kan tegensputteren.
Nogal in de war van de hele situatie staar ik naar mijn gsm. Het gekletter in de keuken is opgehouden dus ik denk dat Sacha en Louis delen van het gesprek hebben opgevangen. Louis wuift Sacha weg en komt me troosten.
“Wie was het?”
“Will.”
“Gaat het?” polst hij vriendelijk.
Ik haal mijn schouders op. Zwijgend merkt hij op wat ik hier eigenlijk mee bedoel en hij begraaft me in zijn armen. Met regelmaat aait hij mijn bovenarmen. Zijn kin steunt op mijn kruin waardoor ik echt mijn eigen coconnetje krijg.
“Ik snap niet goed waarom hij me zo wegduwt. Hij zou moeten weten dat het me niets kans schelen dat hij in een rolstoel zit. Dat verandert niets voor me.”
Louis schrikt op als ik na enkele minuten het woord neem. “Hij heeft een trauma meegemaakt. Iedereen reageert daar anders op.”
“Dan nog. Hij kan me zelfs niet vertellen wat er gebeurd is.”
Het getinkel van bestek achter me maakt duidelijk dat Sacha het kookeiland verlaat. Ze stormt naar de salontafel en gaat erop zitten zodat we recht tegenover elkaar kunnen praten. Louis kijkt ietwat ongerust naar de tafel, maar durft de vurige blik in Sacha’s ogen niet tegenspreken.
“Wil je het echt weten, Cam?”
“Ja.”
“Ik begrijp Will. Het was ontzettend traumatisch, niet iets wat we al eerder hadden gezien. Dus mij lijkt het helemaal niet raar dat hij er nog geen lettergreep uit krijgt. Al is het niet oké dat jij daarom wordt weggeduwd.”
“Sacha,” houd ik haar tegen, “als het zo erg was-”
Ze kapt me af. “Ik word soms naar dat moment gekatapulteerd als ik erover begin. Kunnen jullie mijn handen vasthouden om me wat te gronden?”
Stevig houd ik haar vast. Ze negeert mijn verdere protesten en vertelt over de duistere gebeurtenis. Het was een perfect heldere dag toen ze in een verlaten stadje toekwamen. De sfeer zat goed totdat iemand een vieze geur ontdekte. Bij nader onderzoek bleek dat er her en der lijken verspreid waren over de stad, van kinderen tot ouderen.
Sommigen waren aan flarden geschoten en anderen lagen stil onder steenbrokken. Het kwam erop neer dat bijna de hele plaatselijke bevolking was uitgemoord. Omdat de lijken er al even lagen, waren de meeste soldaten niet meer op hun hoede.
Het team van Sacha en Will bekeken de nabije gebouwen voor eventuele boobytraps. Sacha was net te laat om Will te waarschuwen voor het stukje draad dat ze voor hem zag. Hij struikelde. Een bom ging af en Sacha probeerde zo snel mogelijk Will met al haar kracht weg te trekken van het vallende gebouw. Jammer genoeg was ze net te laat en zij zat met haar arm geklemd onder een gevallen stuk muur en Will met zijn linkervoet en rechteronderbeen.
Sacha trilt naast me. Ik geef haar een kneepje en fluister haar naam zodat ze naar het heden komt. Ik heb al spijt dat ik er ooit over begonnen ben. “Sorry.”
Ze veegt een traan weg. “Will geeft zichzelf de schuld. Hij voelt zich achterlijk en kwaad op zichzelf, maar ook verdrietig dat ik door hem een arm kwijt ben.”
“Maar-”
“Hij voelt zich waardeloos. Omdat hij de draad niet zag en te laat was voor de inwoners, maar ook omdat hij nu in een rolstoel zit zonder benen. Will schaamt zich. En hij is kwaad, heel kwaad. Op alles en iedereen.”
Louis kijkt of Sacha een omhelzing toestaat en maakt van haar ook een coconnetje. Ik weet dat hij best wel een groot hart heeft en dat dit een perfect normale reactie is. Toch had ik liever gezien dat de rollen omgekeerd bleven en dat het niet Sacha is die daar nu met hem zit.
Ik sta op om dan maar te kijken wat we nu eigenlijk eten. Die twee hebben overduidelijk een momentje. Misschien, heel misschien, behandel ik de pan en kommetjes daarom iets hardhandiger dan nodig.
Lekker, blijkbaar eten we taco’s. Ik por wat in de pan met vlees en strooi er nog enkele kruiden bij. Nutteloos blijf ik roeren tot de anderen uit de zetel komen, iets dat naar mijn gevoel nog vrij lang duurt. Eigen schuld zeker dat ik hem aan het kwijtraken ben? Hij kan niet eeuwig wachten tot ik de eerste stap neem.
De rest van de avond vind ik van mezelf dat ik nog stiller ben dan anders. Louis en Sacha merken er alleszins niet heel veel van; waarschijnlijk omdat ik eerder al aangaf dat ik moe was. Sacha bleef liever logeren aangezien ze pas laat thuis zou zijn en nog wilde babbelen.
Uiteindelijk ga ik zelf naar huis om daar te slapen. Met een ongemakkelijk wuifje neem ik afscheid zonder te laten merken wat deze situatie met me doet. Ik denk dat ik Louis aan het kwijtraken ben aan Sacha. Ze lijken effectief meer op elkaar qua karakter, maar dat wil niet zeggen dat het me helemaal geen pijn doet.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen