Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Haar blik vindt de mijne. Ik probeer haar geruststellend aan te kijken, maar ik zie er waarschijnlijk volledig verstrooid uit. Haar lippen bewegen alsof ze iets wil zeggen, maar al snel vallen haar ogen dicht. Ze doet ze niet meer open.

De eerste keer dat ik wakker word, zie ik Marco's gezicht vanuit een ziekenhuisbed. Ik zie zijn ernstige ogen, en een geforceerde glimlach wanneer hij doorkrijgt dat ik hem kan zien. Hij zegt iets, maar ik ben niet wakker genoeg om hem te horen. Achter hem, over zijn schouder, zie ik Nathan heen en weer ijsberen en telefoneren. Ik vraag me af wie hij belt. Ik vraag me af waarom ik me zo licht in mijn hoofd voel. Ik vraag me een hele hoop dingen af, terwijl mijn gedachten waziger worden en ik weer wegzak.
De tweede keer dat ik wakker word, zie ik een verpleegkundige die wat infusen bij mijn arm regelt. Ik probeer met mijn ogen te knipperen, probeer te praten. Marco is er weer - of nog steeds - en ik kan zien dat hij hoi tegen me zegt. Weer die geforceerde glimlach, met die o zo ernstige, bezorgde blik. Er zijn duizend dingen die ik zou willen zeggen, maar ik weet niet wat. Dat is maar goed ook, want ik denk niet dat ik fysiek in staat ben om iets te zeggen. Ik wil vooral ineens heel hard gaan huilen, en dan wil ik het liefst dat het Marco is die me troost. Maar ik heb de energie er niet voor. Nathan komt de kamer binnen, met een houdertje met twee kopjes koffie - één voor Marco en een voor hemzelf, neem ik aan. Ze waken over me.
Mijn ogen rollen weer weg en mijn wereld wordt weer zwart.
De derde keer dat ik mijn ogen open, zijn mijn bewakers weg. Ik ben voor het eerst ook wakker genoeg om de ziekenhuisgeluiden te horen: de verschillende monitoren, de infusen, het geroezemoes op de gangen, voetstappen...
Voetstappen.
Voetstappen, van Dean, wanneer hij op me afkomt, zijn ogen leeg en duister en niet helemaal meer menselijk. Het ziet eruit alsof hij dagenlang - jarenlang - niet geslapen heeft, maar ik heb geen flauw benul hoeveel tijd er is verstreken sinds dat afschuwelijke moment in die kelder. Ik kan nog steeds het spierwitte ziekenhuisbed om ons heen zien, maar het voelt niet zo. Het voelt weer als die kelder, als pijn, als schreeuwen die gedempt worden door ducttape, als bloed wanneer het over mijn benen naar beneden rolt, als het lemmet van een mes dat mijn huid splijt.
Hij loopt om het bed heen naar me toe en ik wil schreeuwen, wil huilen, wil wegrennen en om hulp roepen, wil weten waar Marco en Nathan zijn gebleven. Maar ik kan niets. Ik ben te moe, te zwak, om me te bewegen. Ik lig gewoon op mijn rug in het bed en volg hem met mijn ogen.
Ik volg hem met mijn ogen, wanneer hij dichterbij komt, te dichtbij, dichtbij genoeg om me aan te raken. Ik volg hem met mijn ogen, wanneer hij zijn hand op mijn voorhoofd legt, zich vooroverbuigt, wanneer hij me aankijkt, indringend. Hij zegt niets. Helemaal niets. Maar zijn blik alleen al zegt genoeg.
Heel lang kijkt hij me aan. Hij zegt niets, maar hij vertelt me genoeg door me alleen maar aan te kijken. Hij blijft me aankijken tot er tranen uit mijn ooghoeken beginnen te rollen, maar bewegen kan ik me nog altijd niet.
Daarna begint hij aan de infusen te prutsen, maar ik kan niet ver genoeg opzij kijken om te zien wat hij precies doet. Ik voel nog niet wat het effect is van zijn handelingen. Misschien heeft hij me vergiftigd. Misschien ga ik wel dood. Ik weet zeker dat ik doodga.
Of, nog erger, hij gaat me meenemen. Hij heeft me vergiftigd, of gedrogeerd, en nu gaat hij me meenemen.
Ik zag de dreiging in zijn blik, toen hij me aankeek. Ik ben nog steeds van hem, en dit is geen goed moment om zijn eigendom te zijn. Mensen maken hun spullen soms stuk.
Ik voel mezelf weer wegzakken, en ik weet zeker dat ik weer zal ontwaken in een heel veel vreselijkere wereld.
De volgende keer dat ik wakker word, doe ik dat schreeuwend. Eerst van angst, van adrenaline, van de herinnering aan Dean. En daarna van pijn, in mijn hele lichaam. Ik voel de sneden als brandende slangen in mijn benen zitten.
Ik schiet overeind in bed, klap kermend dubbel; ik voel ondersteunende handen om mijn bovenarmen, hoor haastige, sussende woordjes. Ik begin te snikken wanneer ik hem herken.
'Marco,' snik ik, terwijl ik me naar hem toe laat zakken, tegen hem aan op de rand van het bed. Ik klink kermend, als een gewond dier in doodsnood. 'Marco, help me.'
Hij probeert me nog steeds koortsachtig gerust te stellen, en helpt me om weer op mijn rug te gaan liggen. Er gaat een soort vlaag van helderheid door me heen, waarin ik mijn omgeving weet te analyseren, en ik begrijp twee dingen ineens heel erg goed. Één: ik heb niet gedroomd of gehallucineerd, en Dean was hier echt, op de een of andere manier. Twéé: hij heeft, overduidelijk, elke vorm van pijnstilling bij me uitgeschakeld, voordat hij wegging.
Mijn gezicht betrekt van de pijn, en ik doe echt mijn best om Marco uit te leggen wat er aan de hand is, maar ik kan alleen maar uitbrengen: 'Au.'
Zijn stem is doordrenkt van medelijden wanneer hij zegt: 'Oh, ik weet het. Misschien kunnen de dokters je nog wat extra's tegen de pijn geven. Probeer gewoon voorzichtig te doen met de sneeën. Moet ik een verpleegkundige oproepen?'
Ik schud mijn hoofd, niet in staat om te praten. Ik wil gewoon alle informatie uit mijn hoofd trekken en bij hem naar binnen duwen, zonder woorden. Ik blijf mijn hoofd schudden.
'Dean,' kerm ik, wat in Marco's oren natuurlijk duizend verschillende dingen kan betekenen. 'Morfinepomp.'
'Hailey?' Nathans stem. Nathan is er ook. Hij klinkt aarzelend, bezorgd, een klein beetje bang. Het voelt alsof ik er niet helemaal menselijk meer uitzie. Ik voel me ook niet helemaal meer menselijk. Ik besef ineens dat, maand na maand na maand, Dean me dat heeft afgenomen. Ik was - ben? - zijn eigendom, en eigendommen kunnen niet helemaal menselijk zijn.
'Dean was hier,' pers ik dan over mijn lippen, en daarna nog een keer: 'Dean was hier.'
De adrenaline neemt mijn lichaam over, en ik wil vluchten, vluchten, vluchten. Marco houdt me voorzichtig tegen, en ik merk dat Nathan ondertussen toch de verpleging alarmeert.
'Rustig maar,' stelt Marco me gerust. 'Hij kan hier niet zijn geweest. Nathan en ik zijn de kamer nauwelijks uit geweest.'
'Nauwelijks is genoeg,' breng ik ademloos uit. 'Voor Dean is nauwelijks genoeg.'
Het idee maakt me misselijk. Dean moet op de een of andere manier geweten hebben wanneer ik alleen in mijn kamer was. Hij moet me in de gaten hebben gehouden - of iemand hebben gestuurd om me in de gaten te houden. Misschien word ik nog steeds wel bekeken.
Nauwelijks is voor Dean meer dan genoeg. Het is zijn specialiteit. Jarenlang ben ik blind geweest voor zijn manipulatie - dat begrijp ik hier, op dit moment, ineens heel erg goed - omdat hij telkens, beetje bij beetje, op het moment van "nauwelijks" toesloeg. Het is een man met oog voor detail en talent voor spelletjes.
'Hailey, probeer eerst even rustig te worden. Het is heel goed mogelijk dat je heel veel vreemde dromen hebt gehad. Probeer eerst even te kalmeren, dan bespreken we het daarna even rustig,' drukt Marco me op het hart.
Rustig zit niet in mijn vocabulaire, op het moment, maar ik doe toch mijn best - omdat het Marco is, omdat ik beetje bij beetje begin te beseffen hoe ontzettend lief het is dat hij en Nathan al die tijd bij me zijn gebleven, zonder dat ze daartoe verplicht waren. Ik doe mijn best, tot op het moment dat er een arts binnenkomt.
Ik ken haar vaag, maar ze werkt niet op de chirurgie-afdeling waar ik voor mijn studie het meeste kom, dus ik weet niet of zij mij ook herkent. Eigenlijk komt haar gezicht me maar een béétje bekend voor.
'Dean is binnen geweest en heeft mijn morfine-infuus gesaboteerd,' weet ik uit te brengen, ook al weet ik niet zo goed of zij van alles op de hoogte is.
'Maakt u zich maar geen zorgen,' zegt de arts met die kalmerende, er-is-niets-aan-de-hand artsenstem die ik zelf ook geoefend heb. Terwijl ze verder praat, loopt ze richting het infusenstelsel naast mijn bed. 'Het ziekenhuis is een enorm veilige plek. Het infuus is door een goede verpleegkundige aangelegd. Het lijkt me niet-'
Stilte. Één seconde. Twee.
'U hebt gelijk.' Ik ben in ieder geval blij dat ze het toegeeft, en dat haar verbazing oprecht klinkt. 'U hebt gelijk, de pijnstilling is inderdaad stilgelegd.'
Weer stilte. Aarzeling. Seconde na seconde.
Ze roept een andere verpleegkundige op, mompelt wat in zichzelf. Mijn glazige blik vindt Marco en Nathan, die er een beetje bleekjes bijstaan nu ze beseffen dat ik inderdaad gelijk had.
'We zijn maar vijf minuten weggeweest,' hoor ik Marco zeggen, misschien tegen mij, of tegen Nathan, of tegen niemand in het bijzonder. 'Hoe kan hij binnen vijf minuten ongemerkt...?'
Zijn stem sterft weg, want het heeft geen zin. Zelfs ik weet niet precies hoe Dean het gedaan heeft. Ik weet alleen dat hij het heeft gedaan, en dat het me niet eens echt verbaast.
Er komen nog wat verpleegkundigen binnen, en om me heen gebeurt van alles. Ik merk dat de pijnstilling weer aangezet wordt, dat de morfine druppeltje voor druppeltje de afschuwelijke pijn een beetje wegneemt. Ik ben me er maar half van bewust, eigenlijk. Het gaat allemaal langs me heen.
Ik denk weer aan Deans blik, aan zijn zware hand op mijn voorhoofd. Hij heeft helemaal niets gezegd. Dat hoefde hij ook niet. Ik weet precies wat hij me wilde vertellen.
Ik ben nog steeds van hem. En ik ben nog lang niet van hem af.

Reacties (3)

  • IrisThePiris

    Ik hoopte dat ze dat had gedroomd.. Arme zij.

    1 maand geleden
  • Sunnyrainbow

    O nee, arme Hailey..:(

    1 maand geleden
  • BethGoes

    Oh nee. Oh nee nee nee nee nee.
    Wat ontzettend eng!

    1 maand geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen