Erin werd wakker op de koude vloer van een onbekende plek. Met moeite kreeg ze haar ogen open. Een deel van haar eigen reflectie was zichtbaar in de smetteloze witte tegels onder haar lichaam. Waar was ze in hemelsnaam? Ze groef in haar geheugen, op zoek naar een moment dat ze hier terecht gekomen zou kunnen zijn, maar vond niets.
      Ze duwde zichzelf een beetje overeind. Iedere spier in haar lichaam voelde aan of hij uit elkaar kon spatten bij de minste beweging die ze maakte. Wie had ook maar het lef gehad om haar dit aan te doen? Ze klemde haar kaken op elkaar. Als ze die man zou vinden, zou het zijn beste dag niet zijn.
      Haar ogen hadden even moeite nodig om zich aan te passen aan het felle licht en de witte tegels. Toen ze eindelijk weer wat kon zien, merkte ze dat ze niet de enige hier was. De zaal lag vol met slapende of net ontwaakte personen. Vlak naast haar zat een blonde man, ergens in de veertig, die haar aankeek alsof hij zonet een geest had gezien. Hij had nog steeds zijn kostuum aan, ook al was het nu op verschillende plaatsen gescheurd. ‘Waar zijn we?’ vroeg hij.
      Erin, die nu in kleermakerszit op de vloer zat, haalde haar schouders op. ‘Ontvoerd, ongetwijfeld.’ Een huivering liep over haar rug als ze dacht aan een mogelijke dader. Een verkrachter? Waarom zou hij dan ook mannen ontvoeren? Er verscheen een grimas op haar gezicht. Een verkrachter die geen onderscheid maakte?
      Langzaam maar zeker ontwaakten de andere mensen. Sommige van hen waren angstig, anderen enkel verward, het merendeel was beiden. Erin wilde niet bang zijn – wie haar ook had ontvoerd, die voldoening gunde ze hem niet – maar ze was het wel, hoe goed ze het ook kon verbergen.
      ‘We moeten een uitweg zoeken.’ Vastberaden kwam ze overeind. Haar benen voelden aan als spaghettislierten. Ze moest haar voeten wijd uit elkaar zetten om te voorkomen dat ze meteen tegen de grond ging. Misschien was het geen goed idee om in deze staat rond te wandelen. De andere optie was echter dat ze hulpeloos op de grond bleef zitten en als er één ding was wat ze niet was, dan was het een slachtoffer.
      Langzaam maar zeker kwam ze in beweging. Ze had amper één stap gezet in de richting van een schijnbaar natuurlijke lichtbron een heel eind verderop, toen een schril gefluit haar uit haar trance haalde. Met een ruk draaide ze zich om. Daar, omringd door een fel licht, stond een persoon. Door het felle licht was het onmogelijk te zeggen hoe hij eruit zag, al was het duidelijk dat hij niet één van hen was. Het was de manier waarop hij stond, alsof hij de wereld aankon – alsof hij zonet niet gedrogeerd was.
      ‘Dames en heren.’ Erin werd uit haar trance gerukt. Een vrouw? Ze was ontvoerd door een vrouw? Niet dat zoiets onmogelijk was, maar er moesten vast een heleboel mannen zijn die haar hierbij geholpen hadden. Het licht achter de vrouw ging uit, waardoor ze zichtbaar werd. Ze had lang, bruin haar en een huid die zongebruind was. Haar ogen hadden een welkome groene kleur en schitterden met een soort kinderlijk enthousiasme. Ze droeg een hoge hoed, een hemd en een leren broek. Hoewel het allemaal niet erg extravagant was, droeg ze het alsof het wel zo was.
      Ze spreidde haar armen in een welkomend gebaar. ‘Welkom op station 0. Ik ben jullie conducteur op de trein naar nergens.’ Er stond een speelse, doch vriendelijke glimlach op haar gezicht.
      ‘Wat moet dit voorstellen?’ Een jongeman, die niet veel ouder kon zijn dan Erin zelf, kwam overeind.
      ‘Het feit dat jullie hier zijn,’ ging de vrouw ongestoord verder, ‘betekent dat jullie het allemaal enorm hebben verdiend.’ Ze laste een pauze in om de woorden te laten binnenkomen. Enorm verdiend? Wat bedoelde ze daar nu weer mee? Alsof de vrouw Erins gedachten kon lezen, vervolgde ze: ‘Jullie zijn allemaal slechte mensen.’
      Een grijns trok over Erins gezicht. ‘Dit moet een vergissing zijn,’ zei ze, luid genoeg dat iedereen het kon horen. ‘Ik heb nooit in mijn leven ook maar iets in strijd met de wet gedaan.’
      ‘Jullie worden niet beoordeeld op basis van de wet hier, Erin Winters.’ Erin schrok en zette een wankele pas achteruit. Hoe kende ze haar naam?
      ‘Zelfs dan,’ hield Erin vol, ‘heb ik nooit iets verkeerd gedaan.’
      De vrouw glimlachte, alsof ze wilde zeggen ‘ach arm kind’. ‘Denk dan nog maar eens goed na.’
      ‘Wat een bullshit.’ Een oude man, met vettig haar en een onverzorgde baard, liep in de richting van de vrouw, zijn hand in de lucht geheven. Hij zou haar aanvallen, maar de vrouw leek helemaal niet onder de indruk.
      ‘Ik vraag je te stoppen, meneer Wyts,’ waarschuwde de vrouw. De man stopte echter niet. Toen hij op amper een meter van de vrouw stond, zijn arm nog steeds geheven of hij haar zou slaan, klonk er een shot, dat weergalmde in heel de zaal. Een seconde lang stond de man stil, niets meer dan een spat bloed op de witte tegels verraadde dat hij geraakt was. Vervolgens viel hij met een dreun op de grond. Het bloed guste uit de wonde in zijn hoofd en omringde hem in een rode plas.
      ‘Nog iemand bezwaar?’ zei de vrouw, haar stem vriendelijk met toch een kleine uitdagende ondertoon. ‘Goed dan,’ ging ze verder toen niemand reageerde, ieder te geschokt om iets te zeggen. Of, daar ging Erin toch van uit. Zij was in ieder geval te geschokt om iets te zeggen. ‘Mijn naam is Verona en ik zal jullie zo goed en zo wel mogelijk begeleiden tijdens jullie rit.’
      Ze tikte tegen haar hoed, die ietwat scheef was komen te staan. ‘Jullie mogen straks vier groepen maken.’ Haar hand gleed in haar broekzak, waar ze vier linten uit haalde, ieder een andere kleur. ‘Team paars, team oranje, team blauw en team groen. Iedereen die lid is van een team, mag op de trein stappen. Een team moet uit minstens drie leden bestaan.’
      ‘En wat dan?’ vroeg de jongeman van eerder. Hij droeg een keppel, die Erin eerst had gemist door zijn donkere haren. Ze wist in ieder geval met wie ze geen team zou vormen.
      ‘Dan gaan jullie op de trein,’ verklaarde Verona.
      ‘Maar wat dan?’ drong de jongeman aan.
      ‘Ah! Goede vraag, Raphael!’ Ze stapte iets dichter naar de groep, waarop Erin een stap naar achter deed. ‘Dan doen jullie een spelletje. Op ieder perron zal een ander spel plaatsvinden, waarin jullie het opnemen tegen de andere teams.’
      De Jood, Raphael, trok een wenkbrauw op. ‘Dat is het?’
      Verona knikte. ‘Ongeveer.’
      ‘Ongeveer?’
      ‘Het verliezende team moet een teamlid wegstemmen.’
      ‘En wat dan?’
      ‘Dat teamlid moet een beproeving doorstaan.’
      ‘En dan?’
      ‘Dan?’ Verona hield haar hoofd schuin. ‘Dan leeft ie, of dan gaat ie dood.’ Het bleef een tijd oorverdovend stil. ‘Meestal gaan ze dood,’ voegde Verona eraan toe. Ze klapte vrolijk in haar handen. ‘Er is ook goed nieuws. Het winnende team krijg immuniteit voor de volgende ronde én een prijs! Is dat niet heerlijk?’
      ‘Dood?’ herhaalde Raphael vol ongeloof, alsof er niet zonet iemand voor zijn ogen was neergeschoten.
      ‘Ja, dus ik stel voor dat jullie teams vormen.’
      ‘Wat als we geen teams vormen?’
      ‘Dan kun je niet vertrekken op de trein.’ Verona hoefde het niet verder uit te leggen, want er was niets in deze ruimte om iemand in leven te kunnen houden. Tenzij… tenzij er een uitweg was.
      ‘Hoelang hebben we?’ vroeg Erin.
      ‘Tot alle teams gevormd zijn.’
      Erin deed een paar snelle stappen naar voor en griste het paarse lint uit Verona’s hand. ‘Ik ben team paars,’ zei ze, voordat ze wegliep in de richting van het licht, op zoek naar een mogelijke uitgang. Er moest een uitgang zijn.
      Dit was gestoord.

Reacties (6)

  • Slughorn

    Mooi geschreven. Leuk eerste hoofdstuk!

    2 maanden geleden
    • Reiner

      Dank je:)

      2 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen