Mijn leven als een draak. Het begint ergens. Hetzelfde als bij ieder andere draak, vanuit een ei.
Kon ik maar mijn eerste momenten herinneren. Maar niemand herinnert zich het begin van het leven. Toch begonnen mijn herinneringen vroeg. Misschien was dat al een teken dat ik niet zoals de andere draken was.
Meeste draken groeien maar langzaam op. Jaren zijn ze afhankelijk van de wezens om hen heen. Ik kende mijn familie niet. Niet in het begin, ieder geval.
Mijn eerste herinneringen… Een gesprek. Een belofte. Een gevoel. Een beeld…
Ik draaide mijn kop om het hoekje, er waren geluiden niet ver van mij vandaan. Ze waren aan het praten. Wie waren deze wezens? Kende ik ze ergens van?
“Mijn dood?” een van de wezens begon te lachen. “Je weet dat ik oneindig leef.” Het was een mensachtig figuur. Een groot figuur. Op dat moment wist ik nog niet hoe de mens eruit zag, maar later wist ik wel zeker hoe mensen eruit zagen.
“Dat is wat jij denkt, Zazuar. Dit kind wordt jouw einde.” Een tweede stem dat ik nu zuiverder kon horen. Er was een klein wezen bij deze man. Een kleine draak, zou niet veel groter dan ik zijn geweest. Rood van kleur…
Ik probeerde hun gezichten beter te zien, en stapte daarmee wat verder de ruimte in. Mijn kleine nagels die tikte over de vloer. Het was een zacht geluid. Veel te zacht om gehoord te worden.
“Je verzint maar wat om mij op te jagen. Ik kan niet dood. Een god kan niet dood, Bijter!” De kleine draak begon opeens lichtjes te grinniken. Hij was duidelijk aan het genieten van dit gesprek.
“Je weet niet wat je te wachten staat. Ik weet dat jij je steeds zwakker begint te voelen. Vandaag nog was je je grip kwijt over een paar secties. Hoelang kan je dit nog volhouden?” Een knorrig geluid verliet de man zijn mond.
“En wat heeft dat met hem te maken. Deze baby hagedis doet nog geen vlieg kwaad.” Waarom waren ze over mij aan het praten? Ik kon nog amper mijn dagen herinneren. Deze plek was de enige plek die ik kende. Maar dit was wel de dag dat ik mij anders begon te voelen.
“We shall see.” De kleine draak hield zijn klauw omhoog en zijn vingers maakte een knippend geluid. Hij draaide zich om terwijl zijn wijsvinger naar mij gericht stond.
“Wat ben je van plan, Bijter?!” De kleine draak begon te lachen wanneer een de wind begon op te spelen. Mijn lichaam kromp ineen en te trillen. Was het altijd zo koud? Zo donker? De wind werd sterker, ik moest mij ergens aan vasthouden. Er was niets om aan vast te houden. De gladde vloer veegde me zo tegen de muur.
“Het begin van het einde. Jouw einde, en zoveel meer.”
“Ik ben niet de schuldige van jouw verlies. Dat heb jij jezelf aangedaan!”
Het was zo donker. Het was zo koud. Ik dacht dat mijn leven toen al zou gaan eindigen. Mijn klauwen begonnen alle kanten op te bewegen. Ik probeerde zoveel mogelijk een wolk van mij af te slaan. Het kwam elke keer weer terug. Ik ploeterde. Het was zo koud. Ik bleef toen maar liggen, terwijl de wolk mij insloot.
“Za’afiel…” De man had een zachte stem. Hij leek bijna wel verdrietig. Door de wind was hij amper hoorbaar, maar ik wist dat hij daar ergens was.
“Hij is compleet van jou, God van de onderwereld.” Er was zoveel bespotting in die zin, en de man riep de draak zijn naam nog eens uit. Hij klonk wanhopig.
En daarna voelde ik zijn aanwezigheid. Hij kwam dichterbij. Dat gaf mij een goed gevoel.
“Za’afiel toch… Het spijt mij zo. Als hij nu eens wist hoeveel ik om jou geef.” Een paar handen kwam door de wolk heen, hun handen aaide voorzichtig over mijn wang en kop. Een warme hand. Iets wat ik zeker nodig had in deze kou.
“Ik weet het,” zei ik zachtjes terug.
Mijn oogleden begonnen zwaarder te worden. Ik kon het niet lang volhouden. De man merkte het op.
“Sluit maar je oogjes. Morgen is alles weer goed.” Terwijl mijn ogen sloten, mijn mondhoeken krulde lichtjes omhoog van zijn woorden. Morgen is alles weer goed. Dat waren woorden die ik graag wilde horen.
De vraag is. Wanneer is morgen?

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen