Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Het meest vraag ik me nog wel af of ze zich eenzaam voelt, en of ze weet dat ze er helemaal niet alleen voor staat. Niet als het aan mij ligt.

Als arts weet ik dat morfine verdovend werkt. Ik weet dat je er suf van wordt, slaperig en wazig.
En toch is het niet genoeg om mij te kalmeren. Ik kom amper in slaap, en als ik wel een paar minuten wegzak, schrik ik steeds weer wakker. Ik heb nachtmerries, over mezelf, over Dean, over die afschuwelijke, indringende blik waarmee hij me aanstaarde toen hij de ziekenhuiskamer binnendrong. Ik word bang van alles. Ik lig urenlang wakker, denkend dat ik voetstappen hoor. Af en toe weet ik zeker - zo zeker - dat ik Dean aan kan komen horen lopen.
Alles laat mij schrikken. Als de twee politieagenten - Ashley en Roger, heten ze - iets zeggen of wat beginnen te lopen, verschiet ik daarvan. Ik ben blij dat ze er zijn, maar eigenlijk, diep vanbinnen, brandt er een verlangen naar Marco en Nathan. Bij hen voel ik me toch het veiligst, en het meest vertrouwd.
Dean zou me slaan als ik het hardop toe zou geven, maar ik geef oprecht om hen. Ik zou hen graag mijn vrienden willen noemen.
Blijkbaar blijft mijn onrust niet onopgemerkt, want halverwege de nacht komt de verpleging binnen. Ze vraagt of ik iets van slaapmedicatie zou willen.
Ik, die al urenlang vecht met mijn rusteloosheid, neem dat aanbod maar al te graag aan. Al na een paar minuten keert de verpleegkundige terug met een glaasje water en een slaappilletje. Ik slik het weg alsof het de heilige graal is.
Ik word weer alleengelaten in de donkere ziekenhuiskamer. De slaperigheid neemt toe naarmate de medicatie in begint te werken. Ik ben dankbaar als ik eindelijk wegzak in een droomloze, Dean-loze slaap.

De volgende dag word ik pas laat wakker, om bijna halftien. Buiten mijn ziekenhuiskamer zie ik twee andere politie-agenten de wacht houden. Het zijn niet Nathan en Marco, en ik kan niet helemaal ontkennen dat dat me niet eventjes teleurstelt.
Zodra het verpleegkundig team ziet dat ik wakker ben, wordt mijn ontbijt gebracht, simpelweg bestaande uit twee boterhammen en een glas melk. Ik ben misselijk en heb totaal geen honger - misschien door het trauma, de medicatie, de pijn, of alledrie - maar ik dwing mezelf om het op te eten. Ik weet dat ik het nodig heb voor mijn herstel.
De sneeën in mijn bovenbenen branden en schrijnen. Ik zou dolgraag vierentwintig uur terug in de tijd willen, zodat ik alles terug kon draaien, zodat ik mezelf eerder in veiligheid had kunnen brengen.
Ik had nooit gedacht dat Dean me zoiets aan zou doen.
Het was in ieder geval wel een wake up call. Voor het eerst lijk ik het helder te kunnen zien: wat Dean mij al die tijd aangedaan heeft, is mishandeling. Ik ben mishandeld, en Dean heeft mij mishandeld. Voor het eerst durf ik het toe te geven.
En toch...
Wij zouden toch altijd van elkaar houden?
Ik schaam me, omdat ik hem me heb laten mishandelen. En ik schaam me nog meer omdat ik ergens - diep vanbinnen - nog steeds van hem houd, en omdat ik zo bang ben om bij hem weg te gaan.
Hij heeft de afgelopen maanden alles over mijn leven en identiteit bepaalt. Ik weet niet helemaal meer wie ik ben zonder hem. Mijn hele leven draaide om hem, en nu lijkt het alsof alles stilstaat.
Ik weet dat Nathan en Marco vandaag overdag moeten werken. Ik vraag me af of ze op zoek zijn naar Dean. Ik vraag me af of ze hem vandaag al zullen vinden. Ik vraag me af of ik dat wel wil.
Ze hadden beloofd om na werk langs te komen, en ik moet toegeven dat ik daar enorm naar uitkijk. Het ziekenhuisleven is een stuk minder druk en interessant vanuit het perspectief van een patiënt.
Tussen de middag, waarschijnlijk tijdens hun lunchpauze, krijg ik nog een appje van Marco. Hij wil weten of het goed met me gaat.
Ik ben doodsbang, verveeld, en de sneeën in mijn benen doen enorm veel pijn, maar toch app ik terug dat het wel goed met me gaat. Ik red me wel, druk ik hem op het hart. Het is maar goed dat liegen door te typen geen littekens oplevert.
De ochtend was al zwaar, maar de middag die volgt is nog erger. Ik begin koorts te krijgen, en ik begin me misselijk te voelen. De kelder waarin Dean me opsloot was niet bepaald de meest hygiënische plek. Ze hebben de wonden wel schoongemaakt, maar blijkbaar is het toch gaan ontsteken. Mijn behandelend arts heeft daarom besloten om me antibiotica te geven, om de infectie te bestrijden.
Ik voel me knap beroerd. Het voelt alsof de sneeën aan het gloeien zijn. Ik voel me ziek en koortsig. De pijn wordt zo erg dat ik rond een uur of drie zelfs over moet geven. Ik krijg een pilletje tegen de misselijkheid, maar het helpt maar een beetje.
Met moeite weet ik mijn avondeten op te krijgen en binnen te houden. Ze bieden me nog wel een toetje aan, maar ik heb geen zin om vlaflip over mezelf heen te kotsen, dus ik wijs het beleefd af.
De hele dag lang staan er politieagenten voor mijn deur te waken - soms één, soms twee. Stiekem blijf ik hopen dat Marco en Nathan ook erop uit gestuurd worden om me te bewaken, maar dat gebeurt niet.
Rond een uur of half acht wordt er ineens op de deur geklopt. Ik kijk vragend op, en er breekt een glimlach door op mijn gezicht wanneer ik zie wie me komt bezoeken. Eindelijk zijn Marco en Nathan gearriveerd.
Nathan heeft een doosje bonbons vast, zie ik, en Marco probeert een belachelijk grote teddybeer achter zijn rug te verstoppen. Het is een komisch gezicht.
Marco vraagt meteen hoe het met me gaat. De bezorgde blik in zijn ogen verraadt dat ik er ziek en verzwakt uitzie.
Ik leg uit dat de wond is gaan ontsteken, en dat ik me daardoor niet zo lekker voel.
'Nou, dan hadden we deze misschien beter niet mee kunnen nemen,' zegt Nathan schuldbewust terwijl hij met het doosje bonbons gebaart.
'Neem er zelf maar een paar. Jullie hebben het verdient,' zeg ik met een glimlach. 'Wat overblijft eet ik met liefde op wanneer ik me niet meer zo misselijk voel. Ik ben een groot fan van chocola, als ik me niet ziekjes voel.'
Marco geeft me de gigantische teddybeer aan, die ik dankbaar omhels.
'Dankjewel. Ik vind het heel lief dat jullie gekomen zijn,' zeg ik. Marco is op een stoeltje naast het bed komen zitten. In een impuls buig ik me naar hem voorover en geef ik hem een kus op zijn wang. 'En bedankt voor de teddybeer. Ik vind hem heel leuk.'
Marco krijgt een rode bietenkop en murmelt iets wat lijkt op "geen dank". Ik merk dat mijn eigen wangen ook beginnen te gloeien. Als Dean had gezien dat ik Marco een kus gaf, zou ik nu als een bloedend propje ellende op de grond liggen. En waarschijnlijk zou hij Marco zelf ook geslagen hebben.
Maar Dean is er niet. En tot mijn grote verbazing is dat een geruststellende gedachte.
Ik ben niet meer alleen. Ik ben geen slachtoffer meer. Ik ben niet langer Deans marionet en boksbal. En ik ben zelfs een beetje - een klein, klein beetje - gelukkig.

Reacties (2)

  • BethGoes

    Aahhh het ziet ernaar uit dat Hailey ook echt voor Marco aan het vallen is! Whoooo!

    1 maand geleden
  • Sunnyrainbow

    Yesss Hailey!

    1 maand geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen