Elke keer als ik naar mijn eigen reflectie keek, staarde het mij terug met een verschrikkelijke grijns. Een draak met rode, schuinstaande ogen, maar dat klopte niet. Mijn ogen waren blauw. Na een tijdje vergat ik dat ik ooit blauwe ogen had.
Mijn kop bewoog van de gespiegelde grond op naar mijn vader,
“Wil je mij de beneden kamers laten zien?” vroeg ik hem toen, maar zijn mond bleef gesloten.
Alleen een brommend geluid sloop tussen zijn lippen door, terwijl zijn ogen gefocust was op het papier dat voor hem zweefde.
Ik miste zijn warme hand over mijn kop. Zijn lieve stem die mij aan zou spreken. Hij liet mij alleen.
Met een gebogen kop wandelde ik in stilte naar mijn kamer, mijn nagels tikkend over de vloer. Ik hoopte dat hij mij terug riep, maar dat gebeurde niet.
Eenmaal in mijn kamer legde ik mijn kop neer op een hoopje kussens die hij ooit voor mij had neer gelegd.
De kussens werden alleen steeds kleiner, steeds dunner, de draadjes vergingen. Hoelang woonde ik hier al? Hoe oud was ik?
Als je mij destijds vroeg wat ‘tijd’ was, dan had ik je geen antwoord kunnen geven. Niemand had het mij uitgelegd. Niemand in de onderwereld had het ook nodig. De zielen die hier kwamen werden op hun plek gezet, ik mocht ze niet eens ontmoeten voor ze gingen.
Ik had graag gewild dat ik iemand had om mee te praten. En nu lag ik hier met mijn kop gewroet tussen de draadjes. Met wolkjes gas dat mijn neusgaten verliet, dat was mijn enige vermaak.
Vandaag was anders, tot nu toe was alles hetzelfde, maar dit keer was er een stem. Een vrouwelijk en vriendelijke stem. Eentje die ik nog nooit had gehoord. Het was zacht, maar het kwam mijn kant op.
Ik stond op als een enthousiaste puppy met een zwiepende staart die al te graag deze stem wilde verwelkomen.
“Hallo?” vroeg ik om antwoord te krijgen, eerder dan om iemand te begroeten.
Het werd even stil. Wilde ze mij niet ontmoeten?
Een grote zwarte draak kwam naar binnengewandeld. Haar schubben zagen er glad en zacht uit, maar ik kon alleen maar mijn bekje open houden van het zien bij zo’n grote draak.
Mijn kop keek verder omhoog en kwam toen haar kop tegen. Paarse gloeiende ogen, haar mondhoeken omhoog gekruld. Was ze blij mij te zien?
“Hey, lieve jongen. Heb je mij gemist?”
Mijn kop draaide vragend scheef, wie was zij? Ik had haar nooit eerder gezien.
“Wie ben jij?” Mijn lichaam was minder enthousiast, maar vlinders verlieten mijn buik niet.
“Enferia, je moeder.” Haar mondhoeken bleef omhoog gekruld, haar ogen spraken blijdschap.
Mijn staart kwispelde opnieuw, dit was geweldig nieuws. Eindelijk iemand die naar mij om zou kijken! Mijn vader sprak wel eens over mijn moeder, maar hij zei dat ze dood was. Hoe kan ze dood zijn als ze hier voor mij staat? Mijn vader moest het wel fout hebben.
“Wil je met mij mee, Za’afiel?” vroeg ze op een vriendelijke toon.
Mijn kop knikte, ik kon toch niet zomaar nee tegen haar zeggen?
Een van haar voorpoten bewoog dichterbij en ze legde haar klauw op mijn kop, en bewoog die langs mij wang. Ik kreeg eindelijk een warme aai!
Mijn mond opende zich, in blijdschap. En mijn staart bewoog zich flink heen en weer. De kriebels in mijn buik, het voelde geweldig. En dat van één simpele aai.
Het werd ineens zwart voor mijn ogen, ik begreep niet zo goed wat er gebeurde. Het was alsof ik in slaap viel, maar ik was nog steeds wakker. Wanneer het licht weer terug kwam waren we heel ergens anders.
Alles had zoveel kleur. De grond was zo fel, zacht, en groen. Ik zag mijn reflectie niet. Elke keer als ik mijn kopje bewoog zag ik iets anders. Grijze grote doffe dingen. Lange bruine dingen met nog meer groen. En er waren ook kleine lange groene dingen met verschillende kleuren. Wat was dit allemaal! Het maakte de kriebels in mijn buik alleen maar erger.
Iets bruins bewoog zich snel om de lange groene dingen met verschillende kleuren. Mijn poten bewogen bijna automatisch ernaar toe. Hupsend over dit zachte vloer kwam ik dichterbij. Het was vast een ander wezen die wel vriendjes met mij wilde worden.
“Hallo kleine vriend, ik ben Za’afiel,” zei ik met opgewekte stem. Ik vond het alleen jammer dat het niets terug tegen mij sprak. Het fladderde mij gewoon voorbij.
“Vlinders willen geen vrienden met je zijn, Za’afiel. Ze vinden je te groot.” Ze moest lachen, Ik keek haar vragend aan. Zij wilde vriendjes met mij zijn, waarom de vlinder niet met mij?
“Laten we een stukje wandelen. Dan breng ik je naar je nieuwe thuis. Je vader was niet zo goed tegen je, of wel?”
Ik wandelde naar haar toe en schudde mijn kop, een negatief geluidje verliet mijn bekje als antwoord.
“Hij was altijd zo lief tegen mij, maar toen kwam er een enge zwarte wolk, en mijn ogen werden toen rood. Papa keek toen steeds minder naar mij om.” Ik bewoog mijn kop weg van haar, toch kon ik haar nog volgen.
“Dat is oke, ik ben er nu. Ik kan je eindelijk een echte thuis geven. De wereld is groot genoeg om je eigen ontdekkingen te maken, maar dat had je vast al gemerkt.”
Ik knikte wild met mijn kop en keek terug met grote blije ogen.
Ik wist niet precies wat de wereld betekende, maar alles was zo fel en mooi, maar ik was het meest verbaast over de grond. Mijn nagels tikte niet meer, in plaats daarvan was er alleen een krakend geluid van het groene spul onder mijn poten.
Er waren zoveel dingen te zien dat ik met mijn kop tegen een stil staande moeder stootte, mijn pootjes bezweek ervan, waardoor ik met mijn hele lichaam op het groene krakende zachtheid lag. Bewoog mijn kop omhoog en een klein lachje verliet mijn bek. Haar blik was neutraal, het gaf mij een sfeer dat ik beter had moeten opletten.
“We zijn er, Za’afiel. Hoorde je mij niet roepen?”
Blijkbaar niet, anders stootte ik niet tegen je aan… Dat was ieder geval wat ik dacht, ik bleef voornamelijk stil en bewoog voorzichtig weer op mijn pootjes. Dit keer zou ik niet zomaar mijn aandacht verliezen.
Ze draaide zich om en wandelde binnen in een heel groot grijs ding. Wanneer ik achter haar aan stapte voelde ik een hardere ondergrond. Het voelde net zo hard als de zwarte glanzende vloer in de onderwereld, maar dit was niet glad, en ook niet glanzend. Dit was toch een ander structuur.
“Waar zijn we?” vroeg ik met een zachte stem, ik wilde mijn moeder niet verder teleurstellen, ik hield mij daarom rustig.
“We zijn bij je nieuwe thuis.” Ze klonk niet meer zo vrolijk als toen ik haar voor het eerst zag. Was het iets wat ik had gedaan?
Ik draaide mijn kop rond, er was niet veel. Het was donker, nog minder licht dan in de onderwereld.
Waarom waren we hier? De sfeer maakte mij verdrietig. Buiten was het veel leuker. Veel kleuren, en veel te zien.
“Waarom is mijn nieuwe thuis niet buiten? Binnen is zo verdrietig.” Ik draaide mijn kop terug naar mijn moeder, maar ze keek niet om naar mij. Ze stond daar maar.
“Ontmoet je broertje, Za’afiel. Zijn naam is Xyafol.”
Mijn broertje? Waarom sprak ze over een broertje? Ze had het nog nooit over een broertje gehad. Waarom negeerde ze mijn vraag?
Een ander draakje stapte naar mij toe vanuit een donker hoekje. De draak had groene gloeiende ogen, ik zag dat het een draakje was, maar voor de rest waren de details slecht te zien.
Het draakje wandelde dichter op mij af en stond toen recht voor mijn neus waardoor ik zijn kop beter kon zien. Hij was ook een zwarte draak, net als ik, net als mama. Maar zijn grijns had iets gemeens. Hij liet zijn tanden zien en keek mij aan met speelse ogen.
“Hey, Za’afiel.”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen