Ik weet niet precies hoe erg dit hoofdstuk is, dus een waarschuwing is misschien wel nodig. :'D
Alsnog veel leesplezier. (:

Er gingen een paar dagen voorbij.
Xyafol en ik wandelde over de groene weide. De natuur was nog steeds indrukwekkend. De gekleurde bomen, de bloemen, de vlinders die erom heen vlogen. Ze hadden nu eindelijk een naam.
“Wat wilde je me laten zien, Xyafol?” Ik keek hem met grote blije oogjes aan, mijn bekje stond flink open van het plezier.
Xyafol echter, hij was meer gericht op de weg, zijn blik neutraal.
“Dat zal je wel zien. Aangezien je van de onderwereld af komt moet dit namelijk geen probleem zijn.” Hij sprak zo rustig. Hoe kon hij zo rustig blijven terwijl er zoveel moois te zien was.
Voor mij spraken de kleuren tegen mij. De bomen en de bloemetjes. Ze maakte mij zo blij dat ik elke keer sprongetjes in de lucht wilde maken.
Mijn blik had een vragende uitdrukking naar Xyafol toe. Wat bedoelde hij met die woorden?
Xyafol wandelde alleen maar verder, zijn bek zo stil. De sfeer die van hem afkwam gaf mij kriebels op de verkeerde manier.
Op gegeven moment waren we omsingeld door bomen, maar de route bleef zich vervolgen.
Af een toe bewoog ik mijn kopje flink om hoog, om de toppen van de bomen te bekijken. Tot het eventjes zwart werd voor mijn ogen. Mijn pootjes bezweken en ik viel als een lappendoek op de grond.
“au…” kwam er zachtjes uit mijn bek.
Het enige wat ik van Xyafol hoorde, was een bespottende lach.
“Je bent echt een sukkeltje, of niet?”
Ik wreef met mijn klauw over mijn zere kop. Kleine kreuntjes verlieten mijn keel.
Iets hield mij bij mijn klauw en trok mij zo omhoog, wanneer mijn ogen zich opende stond Xyafol voor mijn neus.
“Dank je…” zei ik zacht.
Hij keek mij nog steeds aan met een grijns, voor hij zich weer omdraaide om vervolgens verder te wandelen.
Een zachte grom borrelde in mijn keel. Waarom vond hij mij nou niet leuk? Ik deed heel erg mijn best. Het enige wat hij kon was mij uitlachen… Misschien was dit zijn manier van doen…
Een ingang midden in het bos. De stenen waren gegraveerd met allemaal vreemde symbolen. Het gesteente zelf dat bijna als hout eruit zag, het had scheuren. Groen mos had de constructie in zijn macht. Dit was zeker iets wat ouder was dan ik. Ouder dan Xyafol. Hoe wist hij van deze plek af?
Xyafol draaide zich om en bewoog met zijn poot om mij naar hem toe te krijgen. Mijn kop bewoog schuddend heen en weer terwijl ik een stapje naar achteren zette. Hij zal mij niet daar in krijgen.
De sfeer dat ervan af kwam, het was koud, en zwart. Iets wat ik één keer eerder had meegemaakt, niet nog eens.
“Ik wil niet dat mijn oogkleur weer veranderd wordt!” riep ik ineens uit en zette het dan op een lopen.
Terwijl mijn benen over de grond bewoog, bleef de omgeving op een plek.
Ik draaide vlug mijn kop heen en weer, mijn hart kloppend in mijn nek. Waarom kwam ik niet vooruit!
Een lach zo vals, zo luid. Het klonk alsof het naast mij was.
Ik draaide nogmaals mijn kop ditmaal alleen naar links. Xyafol’s fel groene ogen staarde diep in de mijne. Zijn mondhoeken omhoog, tanden ontbloot.
“Het onderwereldse draakje wilt niet met mij mee?” Hij draaide zijn kop scheef, maar zijn grijns bleef staan.
Vlug schudde ik mijn kop, mijn benen bewogen nog steeds. Het had alleen geen enkele zin.
Uitgeput liet ik mijzelf op de grond vallen. Waarbij Xyafol met zijn bek mijn staart optilde.
Vermoeid legde ik mijn kop neer. Mijn ogen werden zwaar. Alsof ik was geraakt door een steen.
Xyafol wandelde verder naar binnen met mijn staart in zijn bek. Mijn lichaam compleet verzwakt.
Twee zware krakende deuren van hetzelfde materiaal als de constructie, vielen dicht. Waar was ik nou beland…
Eindelijk werd ik bevrijd van zijn grip op mijn staart. Ik bewoog mijn kop naar de zijne, en gromde licht uit frustratie. Mijn hart klopte nog steeds in mijn keel. Ik had geen idee wat er nou precies was gebeurd.
“Leg mij eens wat je zojuist met mij gedaan hebt…” Ik wilde serieus klinken, maar mijn stem zwakte op het eind af wanneer ik door had dat ik alleen zijn gemene ogen kon zien.
“Ik zorgde er simpelweg voor dat je mij niet zou verlaten. Dat zou saai zijn. Dat Zazuar jou heeft gekozen was echt een fout. Hij had mij moeten kiezen. Wat voor dingen heb jij bereikt de afgelopen vijftien jaar?”
Vijftien jaar? Wat betekende dat zelfs?
“Ik weet het niet.”
Een licht gebrom kwam van zijn kant. Een paar fakkels op de achtergrond begon te branden, verlichting dat ik goed kon gebruiken. Alleen had ik niet verwacht dat Xyafol meteen naar mij toe zou wandelen.
Ik dook een beetje ineen tot ik opgerold was tot een balletje. Een zacht piepend geluid verliet mijn keel.
“Zielig! Zo’n zonde!” schreeuwde hij in mijn gezicht.
Daar stond hij dan, met een opgeheven kop, zijn ogen minachtend naar mij.
“Jij hoort mijn broer te zijn. Mijn voorbeeld, maar kijk nou naar jezelf.” Zijn poot duwde mij op mijn zij. “Ik kan je zonder moeite vermoorden.” Zijn mondhoeken opnieuw omhoog gekruld. En zijn kop bewoog naar beneden zodat ik die grijns heerlijk kon bewonderen.
Hij hield een klauw omhoog en streelde mijn buik met een van zijn nagels, hij sneed er niet mee, maar pijn deed het wel.
“Te makkelijk…” gromde hij toen en sloeg mij tegen de muur met zijn klauw.
Ik vloog kort in de lucht tot de muur mij opving. Een kreun verliet mijn lichaam en bleef daar maar liggen, huivend, snikkend, maar er kwamen geen tranen. Draken hadden die mogelijk niet.
Dit frustreerde Xyafol alleen maar meer wanneer hij grommend op mij afgestormd kwam.
“Houd je kop dicht jij zielig kind!” Opnieuw sloeg mij tegen diezelfde muur, ditmaal was ik al dichtbij genoeg dat hij mij tegen de muur ophield, mijn poten waren van de grond verwijderd.
Zijn ogen flitsten kort een klein beetje feller en een ijzeren kraag verscheen om mijn nek, het ijzer groef zich daarna in de muur. Xyafol liet mij toen los. En daar hing ik dan. Met een ijzeren kraag om mijn keel.
“Jouw doden is veel te makkelijk. Die god leerde je ook niets hè? Dat is gewoon zielig. Ben jij die vleugels wel waardig, Za’afiel?”
Mijn klauwen hield de kraag vast in de hoop het van mij af te trekken. Zachte piepende geluiden kwam uit mijn gestreste lichaam.
“L-laat mij los.” Mijn stem was eerder gekraak dan woorden. Het ademen werd steeds lastiger hoe meer ik mij verzette. Er was niets waar ik mij aan kon optrekken, maar mijn trappelende achterpoten bleven het proberen.
Xyafol’s klauw gleed over mijn schouder naar mijn vleugel en vouwde ze langzaam uit langs de muur. Zijn kop volgde zijn klauw en inspecteerde mijn vleugel alsof het iets nieuws voor hem was.
“Een draak zonder vleugels is geen draak.” Zijn stem klonk zo rustig, zo gecontroleerd. Zijn grijns was even verdwenen. Er was geen enkele emotie van hem af te lezen.
Hij zette een klauw in het bot aan het begin van mijn vleugel. Een flinke kreun verliet mijn keel.
Mijn achterpoten stopte met stribbelen en schudde mijn kop.
“Xyafol, alsjeblieft…”
Zijn kop bewoog naar het mijne, en rustige groene ogen begroette mijn verdrietige rode.
“Jij hebt nog nooit gevlogen, of wel?” Hij bewoog de klauw waarmee hij mij zojuist in mijn vleugel zat, langs mijn neus.
“Heb je ooit bloed geroken?”
Ik bewoog mijn kop weg van de klauw.
Met zijn andere klauw vouwde hij die onder mijn keel, aan het begin van mijn bek, en forceerde zijn vingers aan beide kanten waardoor ik mijn geforceerd open deed.
Met een ruk schudde ik mijn kop zo hard als ik kon, maar zijn klauwen stonden strak om mijn keel. Het kon geen kant op.
“Heb je ooit bloed geproefd?” Zijn stem had een speelse toon, en wanneer mijn ogen de zijne zag, zag ik dat hij zijn grijns alweer terug had gekregen.
De klauw met mijn bloed werd in mijn bek gepropt, de metalige, maar ook zoette smaak rolde via mijn tong de keel in. Ik had zo graag willen zeggen hoe smerig het was, maar dat was het niet.
Een zacht piepend geluid verliet mijn keel, ik wilde niet laten zien dat ik het lekker vond.
Xyafol vond dat hij zijn werk had gedaan en liet mij toen los.
Hij zette een paar stappen van mij vandaan. Ondertussen hing ik nog aan de muur, in stilte.
“Weet je Za’afiel? In eerste instantie wilde ik je vermoorden, maar wat voor nut zou dat hebben? Ik win er niets door, dan behalve echt de oudste te wezen, maar wat als ik mijn daden aan jou geef? Jij bent immers de oudste.” Hij begon ineens te lachen.
Ik begreep niet eens wat hij bedoelde.
Hij draaide zich om naar mij. “Even iets pakken.” En hij verdween toen in duister.
Nu hij weg was probeerde ik opnieuw die kraag van mij af te trekken. Zelfs als ik probeerde mij van de muur af te zetten kwam er geen beweging in.
Met mijn achterpoten vond ik eindelijk een soort opstapje waardoor ik mijzelf iets meer keel ruimte kon geven, meteen voelde ik de lucht beter door mijn keel heen gaan. Dat voelde beter.
Niet veel later kwam Xyafol weer terug en trok hij iets met zich mee over de grond.
Hij keek op wanneer het voor me lag.
Het had zwarte schubben en het had klauwen. En vloeibaar rood dat nu een spoor achter had gelaten. Een sterke geur ontmoette mijn neus. Ik had deze geur nog nooit geroken. Ieder geval niet zo sterk. Mijn kop verzuurde in uitdrukking alsof ik een citroen had gegeten.
“Ik heb een cadeautje voor je!”
Ik had hem nog nooit zo vrolijk gezien, zijn sprankelende oogjes, licht kwispelende staart. Hij deed net zo vrolijk als wanneer ik een vlinder zag.
“Ik vind je cadeau niet zo leuk,” zei ik zachtjes in de hoop hem niet boos te maken.
Zijn staart stopte met kwispelen, en zijn kop veranderde van uitdrukking. Hij kneep zijn ogen samen en gromde kort.
Zijn rechter klauw bewoog omhoog en maakte een cirkeltje met zijn nagel.
Mijn ogen kon zich er niet vanaf houden en in een mum van tijd voelde mijn oogjes steeds zwaarder, alsof iemand er langzaam steeds meer gewichtjes aan liet hangen.
“Xyafol… Wat doe je…?” Mijn stem was zo zacht dat het amper hoorbaar was, maar hij antwoorde niet.
Hoe hard ik ook vocht om mijn ogen open te houden, het duister won. En ik kreeg ze niet meer open.

***

Mijn lichaam voelde vreemd en koud. Waar was ik?
Een slorpend geluid wanneer ik bewoog, alles voelde zo strak.
Een stinkend zurige geur dat sterk mijn neus binnendrong. Het liet mij bijna over mijn nek gaan.
“Je bent wakker!” hoorde ik een enthousiast iemand zeggen.
Ik hoestte als antwoord.
Mijn ogen dat nog voelde alsof ze dichtgelijmd zaten gingen langzaam open. Ze ontmoette de stenen vloer.
Een zachte kreun verliet mijn keel wanneer mijn brein zich langzaam activeerde.
“Waar ben ik?” vroeg ik zachtjes.
“In de dood! Net als in de onderwereld.” Een bekende draak ging voor mijn zicht staan, en toen ik eenmaal wakkerder werd had ik wel door dat het Xyafol was.
“Wat?”
Met een klauw bewoog hij mijn kop omhoog, mijn ogen werden meteen groot wanneer ik zag wat ik zag.
“Wat!?” Mijn stem klonk nu een stuk luider, en ik begon flink te bewegen.
Het geen wat Xyafol naar mij toe had gesleept zat nu om mij heen. Hoe heeft hij mij in dat ding gekregen?
“Ik moet mijn verhaal wel overtuigend laten maken. Als jij niet naar de dood ruikt zal niemand mij geloven. Dat deze draak stierf was slechts een ongeluk, hij was mijn eerste vriend. Nu mag jij met hem spelen.”
Ik probeerde mijzelf uit het lichaam te wurmen, maar met bandjes had hij dat lichaam strak om de mijne gezet. Wanneer mijn lichaam bewoog. Bewoog de schubben van het wezen mee.
Ik keek op naar zijn speelse groene ogen. Opnieuw had hij een kwispelstaart.
“Ik laat je wel even alleen met hem.” Hij knikte toen en liet mijn kop los die hard op de grond stootte, een lichte kreun verliet mijn keel.
“Jullie mogen wel samen een slaappartijtje houden, dat vond hij altijd wel leuk.” Een speelse lach op zijn kop voor hij naar de uitgang liep.
De zware krakende deur opende zich langzaam waardoor het licht in mijn ogen deed dichtknijpen. Ik keek recht naar de uitgang, maar kon er niet heen. De frisse lucht naar vrijheid was niet voor mij bestemd.
Xyafol wandelde naar buiten toe en draaide zich toen nog een keer om.
“Helaas kan ik je niet laten gaan, broer.”
“Wacht! Xyafol… Laat mij niet hier alleen…” Ik bewoog zo snel als ik kon, in de hoop om desnoods met het lichaam en al bij de uitgang te komen. Hij mag mij niet achter laten. Dat was niet het plan!
Zijn bek bewoog, maar ik kon er niets van verstaan. Verwarrende woorden, slechte kriebelende woorden kwamen eruit.
“Xyafol… Alsjeblieft?” Een zielige piep verliet mijn bek wanneer ik merkte dat ik geen centimeter was verplaatst.
Een rode waas verscheen bij de uitgang met een paar wit gekleurde tekens die ik niet kende. Het pulseerde even voor het uiteindelijk verdween. Wat het ook was, het was niet meer te zien.
Xyafol keek nog kort naar mij toe, en draaide zich toen om en zette het op een lopen.
Hij werd steeds kleiner, tot er niets meer van hem over was.
“Xyafol, waarom laat je mij nou alleen?” zei ik zachtjes tot mijzelf.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen