Geen geluid. Niemand om mij heen.
Waarom liet hij mij achter in dit karkas? En waarom zo strak?
Mijn benen bewogen, maar er kwam geen speling vrij. Het karkas bewoog met mij mee, alsof het één en hetzelfde was.
De buitenlucht was tenminste nog fris. Het licht dat op mij scheen was zo verleidelijk. Het verlangen groeide. Mijn grommen steeds luider. Ik moest en zal naar buiten kunnen.
Buiten werd het steeds donkerder, de lucht dat over mijn snuit blies steeds koeler.
Ik… Steeds vermoeiender. Het constante bewegen had mijn lichaam uitgeput.
De gewichtjes aan mijn ogen werden steeds zwaarder. Het zou niet lang duren voor ik van de wereld was.
Wat viel er anders te doen? Als ik niet uit dat karkas zou komen zou mijn leven voorbij zijn.
Mijn dromen waren tenminste geruststellend.
De geuren van de bloemen lieten mijn neusvleugels trillen, mijn kop die de lucht in keek. De zon scheen warm op mijn schubben.
Het fijne gras onder mijn poten, de gekleurde bloemen langs de weide.
Het was net zoals de eerste keer. Een lach verscheen op mijn kop. De kriebels vulde mijn buik. En niemand zal dit gevoel van mij af kunnen afnemen.
Maar elke keer als ik wakker werd zag ik het beeld van mij in dit karkas.
Mijn klauwen wroette aan het binnenwerk van het lijk, er kwam nog steeds geen beweging in. Doordat het karkas zo vastgebonden zat, kon ik niet in dit vlees snijden. Het prikken deed daardoor niets.
Lucht verliet in teleurstelling mijn bek. Mijn buik gromde van honger, en mijn tong werd droog van de dorst. De zon verblinde mij elke keer als het op kwam. Drie zonnen geteld. Nog steeds in dit karkas.
Hoelang duurt het voordat Xyafol mij op zou halen? Hij kon mij niet voor eeuwig hier laten liggen, toch?
Tijd had nooit een rol gespeeld, mijn vader gaf mij altijd te eten. Hij gaf mij altijd genoeg water. Ook al waren dat de enige momenten dat hij mij nog sprak, ik voelde mij nooit zo alleen als dat ik nu deed.
Wanneer ik mijn ogen sloot kon ik die momenten nog goed voor mij zien.
“Hey jongen, zal ik je wat eten geven?”
Mijn kop bewoog om hoog van mijn kussens en knikte hevig, en sprong toen kwispelend op.
“Ja! Wil je mij ook wat water geven?” vroeg ik er vriendelijk bij.
“Tuurlijk, Za’afiel.”
Vlees werd in mijn bakje gelegd, en het water werd gevuld dat uit een gietertje die hij met zich mee had gebracht. Nadat hij zijn werk had gedaan wandelde hij weer terug naar zijn troonkamer.
Zijn expressie was nooit goed te lezen. Zijn ogen stonden alleen gefixeerd op wat hij deed, hij keek mij nooit aan. Hij gaf mij ook geen aai meer, maar die paar zinnen waren genoeg om mij een goed gevoel te geven.
Hier had ik geen voedsel. Hier had ik geen water. Alleen dit stinkende karkas.
Vijfde zon ging voorbij, nog steeds in het karkas.
Ik kon mij niet meer bewegen. Mijn lichaam was uitgeput. Alles deed pijn.
Alles wat ik wilde was niet meer wakker worden.
De kou was nergens meer te bekennen, de maan dat naar mij staarde, het enige wat ik deed was terug staren. De wind dat mijn snuit bereikte voelde aan als gewoon wind. Geen kou.
Mijn ogen sloten opnieuw.
Een nieuwe droom ontwaakte, het voelde bevredigend en vrij.
De geuren van de omgeving lieten mijn neusvleugels trillen, mijn kop die de lucht in keek. De regen die zachtjes op mijn schubben tikte.
Het fijne gras onder mijn voeten, de gekleurde bloemen langs de weide.
Het was net zoals de eerste keer. Een lach verscheen op mijn kop. De kriebels vulde mijn buik. En niemand zal dit gevoel van mij af kunnen afnemen.
Een luide krak ontmoette mijn oren, mijn ogen die wijd opensperde. Het ademen was nog nooit zo vrij geweest.
Mijn kop bewoog op om mijzelf te kijken. Ik zat misschien onder kleine deeltjes smurrie, maar de borst was open geschoten. Ik duwde mijzelf uit het karkas en lag voor een tijdje ernaast. Het karkas had ooit een geur, maar die rook ik niet meer.
Mijn honger was niet gestild, mijn tong zo droog als steen in de zon. Het enige eten, het enige drinken, was dit karkas.
Ik had nog nooit zoiets gegeten, nog nooit iets wat leek op een ander wezen. Mijn moeder gaf mij wel eens eten, maar dat was ook al in stukjes gesneden.
Met mijn klauwen bewoog ik over de grond, er was geen energy om op te staan.
Mijn bek bewoog dichterbij het karkas, mijn tanden in het taaie vlees, en scheurde een stukje ervan af. Het was minder zacht dan ik gewend was, de smaak was sterk. Ik kneep mijn ogen dicht en hield mijn kop even schuin, en slikte het door. Het was ieder geval eten.
Ik bracht mijn kop dichterbij het gat waar ik uitgekropen was, en likte het dikke vocht op waar ik had gelegen, zuur, bitter, er was geen beschrijving. Het was erger dan het eten.
Mijn lichaam maakte een schokkende beweging, en bijna kwam het weer terug uit. Ik besloot dat het eten genoeg was voor nu.
Mijn klauwen bewogen weer over de grond, slepend, kruipend naar de uitgang. De uitgang was nu eindelijk haalbaar. Het was zo dichtbij. De frisse lucht rook zo goed.
Een schok, de pijn, mijn ogen gesloten. Alles was zwart, ik was niet vrij.
Kreuntjes verlieten mijn bek.
Een kloppende pijn in mijn vleugels lieten mijn tanden knarsen.
Waarom was ik niet vrij?
Wanneer mijn ogen opende, de uitgang was zo ver. Het karkas lag halverwege, en ik tegen deze kale koude muur.
Zesde zon,
Zevende zon,
Een nieuw karkas lag naast me. Deze was vers, nog niet zolang dood. Het had twee blote benen, gladde huid. Kleding die alles bedekte. Zij was net als mijn vader.
Een grom verliet mijn bek, gebrom van mijn buik. Een zoete geur dat mijn neus binnensloop. Mijn mondhoeken gingen omhoog.
Mijn neus bewoog dichter naar het lijk. Een klauw kwam dichterbij en sneed heel langzaam in de buik.
Een zoete geur. Zo fijn. Zo hongerig…
Ik dook mijn snuit in de buik en likte en slurpte het vocht uit het lijk. Dit had een metalige en zoete smaak. Veel beter dan ik had gehad en gedacht. Het was dikker dan water, maar niet heel veel.
Het vlees was sappiger en ik voelde mij eindelijk beter.
Achtste zon,
Negende zon,
Dertiende zon,
… Ik stopte met tellen.
Derde karkas,
Vierde karkas,
Ook dat werd een aantal steeds groter.
Ene keer een kale tweebenige, een andere keer een draak, en andere wezens waar ik het bestaan niet vanaf kende.
Op een dag, tijdens het eten kwam er een vrouw bij de ingang staan.
Mijn neus was nog aan het wroeten in een van de lichamen, en zij begon te gillen. Waarom stoorde ze mij tijdens het eten? Waarom was zij überhaupt hier?
Mijn kop bewoog langzaam omhoog, en keek recht naar haar ogen.
Haar ogen traande, haar lichaam trilde, een hand hield ze voor haar mond.
“Monster!” schreeuwde ze uit.
Ik draaide mijn kop scheef, een vragend geluid verliet mijn keel.
“Jij!... Monster!... Mijn zoon…” Haar stem stierf af en ze viel door haar knieën op de grond. Jammerende geluiden verlieten haar mond.
Een zachte grom verliet mijn bek, stop met irritant zijn.
“w-waarom mijn zoon? Jij monster!” Ze keek om zich heen naar de andere lijken, maar voornamelijk naar degene waar ik overheen stond.
Ik bewoog mijn kop naar beneden en zag het gezicht van de ‘zoon’ waar zij over sprak.
Ik voelde niet dezelfde emoties die zij deed, ze leek verdrietig, maar voor mij was dit voedsel.
Wanneer ik omhoog keek stond ze alweer op haar benen.
“Jij zal hier voor boeten, Za’afiel! Een monster zoals jij verdient geen leven.” Tranen gleden langs haar wangen, maar haar stem was sterk. De woorden deden mij niets en bewoog mijn kop naar het kind om verder te eten.
De vrouw was verdwenen, en ik voelde mij geweldig. Er was ineens zoveel te eten.
En mijn dromen waren beter dan ooit.
De geuren van karkassen lieten mijn neusvleugels trillen, mijn kop die in de lucht keek. De donderwolken met bliksem die mijn schubben zachtjes kriebelden.
Het fijne bloed onder mijn klauwen, het vlees langs de stenen.
Het was net zoals de eerste keer. Een lach verscheen op mijn kop. De kriebels vulde mijn buik. En niemand zal dit gevoel van mij af kunnen afnemen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen