Juice had al vrede gesloten met zijn lot. Zijn leven was voorbij. Eigenlijk al op het moment dat de deuren van de gevangenis achter hem sloten. Toen was er geen weg meer terug geweest, geen uitvlucht uit deze hel. Alles wat hij nu nog was, was het speeltje van een perverse geest. Zelfs zijn tirannie onderging hij nu gelaten. Zijn hele leven vocht hij al, tegen de eenzaamheid, tegen de steeds terugkerende negatieve gedachten, tegen zijn eigen lafheid. De stemmen in zijn hoofd hadden gewonnen. Hij was inderdaad een stuk vuilnis, iets waar alleen zwerfhonden als Tully zich nog tegoed aan deden. Hij zakte steeds dieper weg in de chaos in zijn hoofd, liet zich er door opslokken, bij vlagen gelovend dat hij al dood was.
      Een diepe onverschilligheid kwam over hem. Het maakte allemaal niet meer uit. Juice was dood. Bij elke misstap die hij had gemaakt was er een deel van hem gestorven. Wat overbleef, was alleen nog een gemangeld lichaam waar het uitschot van de samenleving zijn pik in kon steken.
      Toen hij wegvluchtte uit Queens en zich bij de Sons aansloot, had hij nooit gedacht dat het zo zou eindigen. Dat hij nog meer zou kwijtraken; zijn zelfrespect, zijn waardigheid, zijn hoop. Zijn wil om te leven.
      Toch had hij geen haast om te sterven. Beter zou het vast niet meer voor hem worden, rust zou hij niet vinden. Hij geloofde in een hemel en een hel en het was hem glashelder waar hij terecht zou komen. In de brandende vlammen van de hel. Met andere rotte zielen. Moordenaars. Verkrachters. Hij vroeg zich af of hij zijn broeders daar zou terugzien en of ze hem dan nog steeds zouden laten boeten voor wat hij had gedaan, hem voor eeuwig zouden herinneren aan hoe hij hun verraden had, hoe hij zichzelf verraden had.
Warme vingers streken langs zijn gezicht. Juice wenste dat ze koud waren geweest, of schroeiend heet. Nu putte hij er troost uit, was het een warmte waar zijn lichaam naar verlangde.
      ‘Waar zit je met je gedachten, baby?’
      Juice keek op. Hem negeren maakte zijn celgenoot alleen maar slechtgehumeurd, daar won Juice niks bij. Toch kwamen er geen woorden in hem op en haalde hij zijn schouders op.
      ‘Nergens,’ zei hij uiteindelijk, toen Tully hem strak bleef aankijken. ‘En overal.’
      Het was een nietszeggend antwoord, maar voor Tully was het genoeg. Hij had braaf geantwoord.
      ‘Laat me je iets voorlezen. Dichtkunst helpt mij altijd mijn gedachten te ordenen.’
      Ongevraagd zakte Tully op Juice’ bed neer. Instinctief schoof Juice zoveel mogelijk naar de kant toe. ‘Leg je hoofd maar op mijn schoot. Pappie weet dat je dat fijn vindt.’
      Juice wist dat die woorden hem zouden moeten laten walgen, maar hij deed zwijgend wat hem werd opgedragen. Hij was het punt allang voorbij waarop hij in paniek raakte. Deze routine was bijna een opluchting, zelfs al schaamde hij zich ervoor. Voor een paar minuten wist hij wat er zou gebeuren. De voorspelbaarheid gaf zijn leven iets normaals.
      Tully’s vingers gleden over zijn schedel terwijl hij zijn gedicht voordroeg. Juice lag opgekruld naast de man die hij zo haatte, zijn hoofd in diens schoot. Luisteren naar de dichtregels deed hij niet, de stem van de man sloot hij buiten. Met gesloten ogen concentreerde hij zich over de vingers die over zijn hoofdhuid gleden. Hij beeldde zich in dat ze van iemand anders waren dan van zijn verkrachter. Van wie wist hij niet. Hij had geen dierbare herinneringen aan een liefdevolle ouder of een lief vriendinnetje. Chibs – hij dacht aan Chibs. De beste vriend die hij ooit had gehad – maar die hem nu haatte. Nee, die zou niet zo teder over zijn hoofd strijken. Hij beeldde zich een willekeurige vrouw in. Karamelkleurige huid, kleine zwarte krulletjes, een lieve glimlach.
      Het droombeeld werd al gauw verstoord toen Tully’s strelingen dwingender werden en hij Juice’ gezicht dichter tegen zijn kruis duwde. Hij voelde de erectie van de ander groeien.
      ‘Ik ben er klaar voor, knul. Wat wil je vandaag?’
      De vraag maakte hem iedere keer misselijk. Tully liet het klinken alsof hij een keuze had, alsof dit zijn eigen besluit was, alsof hij dit wílde. Het nam de gelatenheid weg, het gevoel dat hij niet anders kon dan zijn grillen ondergaan. Tully liet hem actief deelnemen door hem te laten kiezen tussen hem pijpen of anaal genomen worden. Hij vond het beide verschrikkelijk. De verkrachtingen deden gruwelijk veel pijn, maar daarbij was zijn gezicht van Tully afgekeerd en was het makkelijker om geestelijk afstand te scheppen. Hem pijpen… Dat was intiemer. Vernederender.
      Voor Juice een antwoord kon geven, klonk er een norse stem achter hen.
      ‘Ortiz, pak je spullen.’
      Verward keek Juice om. Een bewaker had het schot opzij geschoven om hem aan te kunnen kijken.
      ‘Wat?’ vroeg hij verdwaasd.
      ‘Je spullen,’ herhaalde de bewaker. ‘Je wordt overgeplaatst.’
      Juice staarde de man onthutst aan. Hoe graag hij hier ook weg wilde, hij wist dat daar helemaal geen kans op was. Verward draaide hij zijn gezicht naar Tully toe. Die oogde echter net zo verbijsterd als hij. De blik in zijn ogen was donker en vasthoudend, alsof hij Juice wilde overhalen zich te verzetten.
      Zwijgend gleed Juice van het bed af en raapte de schamele bezittingen die hij had bij elkaar. Ergens op hopen durfde hij niet. Er was geen enkele reden om te denken dat dit iets positiefs was. Ja – hij haatte het hier en hij verachtte Tully, toch wist hij heel goed dat Tully ervoor zorgde dat de rest van de gevangenen hem niet belaagde, zoals wel was gebeurd voor Tully hem onder zijn hoede nam. Toch laaide er een heel klein vlammetje op. Hoop. Een vlammetje dat hij haatte, omdat het steeds opnieuw doofde. Steeds als hij ergens op hoopte, op betere omstandigheden, op vergeving, op een nieuwe kans, kwam hij bedrogen uit. Deze keer vertelde hij zichzelf dat de situatie er niet beter op zou worden – en toch zweeg die hoopvolle fluistering niet. Dat hij genoeg boetedoening had gedaan. Dat zijn broeders inzagen dat hij nooit iemand pijn had willen doen, dat het juist zijn liefde voor hen en zijn angst om hen te verliezen was geweest die er uiteindelijk voor hadden gezorgd dat hij iedereen zo in de steek had gelaten.
      Juice wist niet waarom, maar voordat hij zijn cel verliet keek hij nog even over zijn schouder. De uitdrukking op Tully’s gezicht was er niet alleen een van onvrede omdat zijn speeltje hem afgenomen werd, maar hij dacht zelfs angst in zijn ogen te zien flikkeren. Juice wist dat Jax hem had opgedragen om hem te doden. Tully had dat uitgesteld, hij wilde pas afstand van zijn speeltje doen als hij er op uitgekeken was. Dat hij Juice nu kwijtraakte, zou vast consequenties hebben. Juice draaide zich om. Het lot van zijn verkrachter zou hem koud moeten laten. Toch zat er een onrustig gevoel in zijn maag. Hij had zijn situatie gehaat, maar hij had het wel geaccepteerd. Het had een rust in zijn hoofd gebracht waar hij jaren naar gezocht had. Geen verrassingen meer, geen dolken in de rug meer. Hij had gewacht op zijn onvermijdelijke dood. En nu… Nu wist hij niet wat hij moest verwachten. Van één ding was hij echter wel zeker – er was geen reden om aan te nemen dat hier iets goeds uit zou voortkomen. Hij had geen vrienden, er was niemand die wat om hem gaf – er was niemand die hem een gunst zou willen verlenen. Wat er nu ook met hem zou gaan gebeuren – het kon onmogelijk goed voor hem uitpakken.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen