. . .

Het leken de langste uren uit zijn leven. Het wachten, het vreselijke wachten, terwijl de meest gruwelijke beelden hem plaagden… Het was een wonder dat zijn hart het niet begaf. Hij kreeg zeker drie paniekaanvallen, wat zijn bewakers volkomen koud liet. Waarschijnlijk kon het hen geen moer schelen als hij doodging. Oh – lukte het maar. Ging hij maar dood.
      De rest van vlucht ging in een waas voorbij. Hij zat volkomen verstrikt in zijn gedachten, werd beheerst door zijn angsten. Hij merkte het nauwelijks toen hij weer in een busje werd geduwd. Meer dan tien jaar waren voorbijgegaan. Het was maanden geleden dat hij voor het laatst gedacht had aan de prijs die in zijn thuisstad op zijn hoofd stond. Het was zo verdomd lang geleden… En toch hadden ze geduldig afgewacht. Zodra de Sons hun handen van hem aftrokken, eisten zij zijn leven.
      Angst wrong zijn ingewanden samen. Oh – hoe hij wenste dat die tak destijds niet was afgebroken toen hij zichzelf ophing. Dat was een snelle dood geweest. De dood van een lafaard – maar nu zou hij ook niet eervol sterven. Bovendien was er heel wat mensen pijn bespaard gebleven als hij die dag gestorven was. Hij wist niet welke God hem toen in leven had gehouden – maar het was er een die erg gruwelijk was.
      Na een rit van ruim een uur kwam het busje weer tot stilstand. Inmiddels konden zijn zenuwen niet veel meer verdragen, hij merkte dat hij zich steeds verder in zichzelf terugtrok. Hij liet zich de wagen uit begeleiden en raakte een beetje in de war toen hij niet door nette heren in pak werd opgewacht die overduidelijk bij de maffia hoorden. In plaats daarvan zag hij prikkeldraad dat een gebouw omcirkelde. Weer een gevangenis.
      Maar – waarom?
      Waarom helemaal hier?
      Hij kreeg een duw in zijn rug omdat hij stil was blijven staan en liep zwijgend mee naar binnen. Daar kreeg hij een nieuwe overall in zijn handen gedrukt en werden zijn andere bezittingen aan een controle onderworpen. Uiteindelijk werd hij met een hoofdknik verder gestuurd.
      Eerst werd hij naar zijn cel gebracht om zijn spullen achter te laten, daarna wees de bewaker hem de eetzaal. Het was een uur of zeven. Juice voelde zich erg zelfbewust toen hij naar de warmhoudbakken liep en gepureerde aardappels en sperziebonen op zijn bord kwakte. Het was alsof iedereen naar hem keek. Nee, niet alsof – iedereen keek naar hem. Zijn maag draaide zich om. Hij had nooit gedacht dat hij Tully zou missen, maar hij had toen in elk geval geweten naast wie hij moest gaan zitten tijdens het eten en hij had ook geweten dat dat in elk geval de énige was die hem zou gaan verkrachten.
      Hij vond ergens een lege plek en at zijn maaltijd vlug op, zonder op te kijken of een woord met iemand te wisselen. Direct na het eten was hij misselijk. Nu moest hij terug naar zijn cel. Zou hij weer een verkrachtende Nazi als celgenoot hebben? Hij durfde niet eens te hopen op wat beters en trok zich stilletjes terug in de cel.
      Het duurde niet lang voordat hij gezelschap kreeg. In een reflex deinsde hij naar achteren toen iemand de cel binnenstapte, al ontspande hij een klein beetje toen hij zag dat het man was die waarschijnlijk niet ouder was dan hij. Zijn huid was donker, hij had een bos zwarte krullen en zulke gespierde armen dat de aderen uitpuilden.
      ‘Hé,’ zei de man. Hij plofte op het lege bed neer. ‘Ik ben Isaiah.’
      Zijn stem klonk warm, vertrouwd – en juist dat maakte hem argwanend.
      ‘Juice,’ mompelde hij.
      De man had lichtbruine ogen waarmee hij Juice aanstaarde. Hij schoof ongemakkelijk heen en weer, zich afvragend wat hij dacht. Of ook hij, ondanks zijn vriendelijke voorkomen, ook alleen op zoek was naar een mond waar hij zijn pik in kon schuiven.
      In een reflex schoof hij opzij toen Isaiah naast hem kwam zitten. Hij was al zo vreselijk opgebrand… Hij had het gevoel dat hij bij het geringste in huilen zou uitbarsten.
      ‘Niemand gaat je hier wat doen, Juice.’
      Zijn warme stem klonk verraderlijk. Hij kromp ineen. ‘Ik heb hier niemand,’ mompelde hij. ‘Ik heb lang genoeg gezeten om te weten wat me te wachten staat.’
      ‘Dat spijt me.’ Hij voelde even een hand op zijn knie, maar Isaiah trok hem weg toen hij verstijfde. Bezorgde bruine ogen keken hem aan.
      ‘Stop… Stop met aardig zijn,’ zei hij vermoeid. ‘Neem – neem maar gewoon je wilt.’
      Hij wilde niet hopen op een vriend en weer bedrogen uitkomen. Want waarom zou er iemand met hem bevriend willen zijn?
      ‘Ik mag dan wel opgesloten zitten, maar ik ben geen monster,’ antwoordde Isaiah.
      Schichtig keek hij op. Er danste een grijns over Isaiahs lippen.
      ‘Al zal ik niet ontkennen dat je een knappe kerel bent. Gebroken, dat wel. Als een geknakte roos. Maar nog steeds een roos.’
      Juice walgde van zichzelf omdat hij voelde dat hij begon te blozen. Het was gewoon zo lang geleden dat iemand anders dan Tully iets aardigs had gezegd…
      ‘Maar ik ben geen verkrachter,’ zei Isaiah. ‘En je hebt niets van me te vrezen, Juice. Van niemand hier. Niemand hier zal je durven aan te raken als je dat niet wilt.’
      Verward keek Juice opzij. ‘Waarom niet? Ik vorm voor niemand een bedreiging.’
      ‘Jij niet,’ antwoordde de man. ‘Maar je broer wel.’
      Juice fronste. ‘Mijn broer? Ik heb geen broer.’
      Hij beet op de binnenkant van zijn wang. Damn – had hij dat nou echt moeten zeggen? Wat kon het hem nou schelen als de mensen dachten dat hij een broer had, als dat hem zou beschermen?
      ‘Je hebt wel een broer. Je lijkt als twee druppels water op hem.’ Een gleed weer een vlugge grijns over Isaiahs gezicht. ‘En ik kan het weten, want ik heb hem uitgebreid bestudeerd toen hij hier nog vastzat.’
      Juice voelde dat hij licht werd in zijn hoofd.
      Dit sloeg echt nergens op. Hij werd gek. Echt gek.
      Het was vast geen gevangenis waar ze hem naartoe had gebracht, maar een gekkenhuis.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen