Het moment voordat ik de grond raak, galmt het oorverdovende geluid van de gong door de grot heen, als het officiële startsignaal. Ik ga niet op in een explosie, maar ik slik als ik me realiseer hoe weinig het gescheeld had. Als ik dat ene moment niet had geaarzeld, was is te vroeg geweest, en was ik morsdood geweest voor de Spelen überhaupt begonnen waren. Voor één keer lijkt het geluk aan mijn kant te staan.

Vanuit mijn ooghoeken zie ik Days geschrokken blik. Mijn bondgenoot staat nog op zijn plaat, en kijkt met grote ogen mijn kant op, maar ik blijf niet staan om hem mijn excuses aan te bieden dat ik hem heb laten schrikken - dan zou het risico voor niets geweest zijn.

In plaats daarvan draai ik me om naar de kleine Jamaia, die me met een nog veel angstiger gezicht aankijkt. “Wacht hier,” roep ik naar haar, waarop het meisje onmiddellijk lijkt te bevriezen. Ik kan alleen maar hopen dat ze er niet paniekerig vandoor probeert te gaan. Als we allebei een andere kant op willen, komen we allebei vast te zitten, maar haar meenemen naar de Hoorn zou zonder enige twijfel haar dood betekenen. Hopelijk beseft ze zelf ook dat we uiteindelijk allebei de meeste kans maken, als ze nu gewoon doet wat ik vraag.

Zonder om te kijken, begin ik richting de Hoorn te rennen. Meteen merk ik dat dat alleen al een stuk moeilijker gaat dan gehoopt: mijn ogen zijn nog niet aan het schemerduister gewend, waardoor ik enkel de verlichte plekken goed kan zien. Onderweg gris ik een bruinige, stoffen rol van de grond af - hopelijk een slaapzak, of iets dergelijks - die ik over mijn schouder zwaai, maar dan klinkt de eerste schreeuw. Vanuit mijn ooghoeken zie ik het meisje uit District 5 op de grond zakken, waarna haar teamgenoot, Cabe uit District 1, achteloos over haar heen stapt en naar de Hoorn begint te sprinten. Een rilling trekt over mijn rug, en ik ren snel verder. Je kunt je teamgenoot niet vermoorden, maar er is niets over verwondingen gezegd. Waar ik mijn bondgenote simpelweg verteld heb dat ze moest blijven staan, op hoop van zegen dat ze dat daadwerkelijk doet, heeft de Beroeps het heft in eigen hand genomen, om dat risico ijskoud te neutraliseren. Heel even kijk ik om, naar Jamaia, die tot mijn opluchting nog steeds op haar plaat staat. Ik moet erop vertrouwen dat ze naar me luistert en me niet verder af laten leiden. Op deze manier verlies ik kostbare tijd.

Gelukkig ben ik één van de eersten die bij de Hoorn aankomt, voordat de grote gevechten losbarsten. Snel ren ik naar binnen, tussen de rekken met wapens door, op zoek naar de messen. Het juiste rek vind ik helemaal achteraan. Ik laat mijn blik over de messen glijden, op zoek naar eentje die lijkt op de exemplaren waar ik mee geoefend heb. Ik heb iets nodig dat klein en licht genoeg is om te verbergen, maar het moet wel iets van impact kunnen hebben, en behoorlijk scherp zijn - van mijn kracht moet ik het tegen de meeste tegenstanders immers helaas niet hebben.

Op het moment dat ik er één uit het rek gris en deze in mijn zak wil steken, galmt er een oorverdovende gekletter door de Hoorn heen. Snel laat ik me op de grond zakken achter een rek met speren, en gluur voorzichtig naar de ingang van de Hoorn. Daar ligt een rek met zwaarden, de grond eromheen bezaaid met de wapens. Wie het rek heeft omgegooid kan ik niet zien, maar eigenlijk maakt dat niet uit. De mensen die het liefst een wapen wilde hebben, hebben er waarschijnlijk inmiddels een, of zijn zich een weg naar binnen aan het vechten in een wanhopige poging om toch nog iets te pakken te krijgen. Voor de Hoorn is een gevecht ontstaan: de kreten galmen door de grot en de metalen wand van de Hoorn, enkel overstemd door het nog hardere geluid van metaal tegen metaal.

Snel gesp ik de schede van mijn mest vast om mijn linkerarm en schuif mijn mouw er weer overheen - als ik dit geheim wil houden, moet ik goed onthouden dat ik niet zomaar mijn jas uit doe in het bijzijn van anderen. Dan kruip ik voorzichtig een stukje naar voren en gluur om de rand van het rek heen, in de hoop dat ik vanuit de schaduwen de figuren voor de Hoorn beter kan zien dan zij mij.

Het zijn Aderyn en Cabe. Niet zij aan zij, zoals je zou verwachten na hun hele ‘kijk-ons-eens-een-coole-handdruk-hebben’-show tijdens de Boete, maar tegenover elkaar, diep verwikkeld in een duel. Aderyns zwaard ketst af tegen de messen van haar districtsgenoot, zijn messen tegen haar zwaard, en haast dansend draaien ze om elkaar heen. Geen van hen kijkt naar de Hoorn, richting mij. Dit kan heel goed mijn enige kans zijn om hier weg te komen.

Voorzichtig kom ik een klein stukje overeind, terwijl ik mezelf in de schaduwen verborgen probeer te houden op mijn weg naar de uitgang. Als ik bijna bij het omgevallen rek met zwaarden ben, kijk ik behoedzaam om me heen. De gevechten zijn buiten gaande, niet hier, maar iets klopt er niet. Iemand moet het rek om hebben laten vallen, en ik heb niemand naar buiten zien rennen. Er is nog iemand met mij in de Hoorn.

Zodra ik me dat besef, gris ik zo stilletjes mogelijk een van de gevallen zwaarden van de grond af. Meteen weet ik dat dit geen wapen is dat me goed ligt: het zwaard is groot en loodzwaar, duidelijk bedoeld om met twee sterke, getrainde handen te hanteren. Toch klamp ik me stevig aan het gevest van het wapen, terwijl ik vluchtig om me heen kijk. Er is iemand. Er moet iemand zijn.

Op het moment dat ik de paarse flits in mijn ooghoeken zie, draai ik me met een ruk om en hef mijn zwaard op. Te zwaar. Het wapen voelt als een hindernis in mijn handen, maar de tribuut in het paarse shirt deinst geschrokken achteruit. Het is de schichtige Caithlynn uit District 6, die me net zoals tijdens haar interviews aankijkt met de blik van een hertje in de koplampen van een auto. Verdedigend heft ze haar dolk op, maar ze blijft langzaam achteruit stappen, terwijl ze nerveus van mij naar mijn zwaard kijkt. Dan valt het me op dat ze haar andere hand tegen haar zij gedrukt houdt, waar haar shirt gescheurd is en een donkere vlek zich over de stof verspreid. Ze is gewond.

Als automatisch neem ik haar in me op, en laat mijn zwaard een klein stukje zakken. Haar wond lijkt niet heel ernstig - hoewel ze duidelijk pijn heeft, lukt het haar om overeind te blijven - maar daarom niet minder hinderlijk. In een gevecht zou ik haar waarschijnlijk kunnen verslaan, maar niet met het zwaard. Ik zou meteen het mes moeten gebruiken. Daarnaast wekt niets in haar houding de indruk dat ze me ieder moment aan kan vallen. Ook zij kan haar kansen inschatten. “Als we hier levend uit willen komen, maken we de meeste kans als we heel even samenwerken,” zeg ik tegen haar, hard genoeg om verstaanbaar te zijn boven het wapengekletter, maar hopelijk zacht genoeg om niet gehoord te worden door de tributen buiten de Hoorn. “En met die wond kun je hier niet blijven. Je zult iets van verband moeten bemachtigen, of hopen dat je mentor het stuurt, en maken dat je hier wegkomt. Misschien kan je teamgenoot helpen, als die nog leeft.” Ze kan mijn afleiding zijn, of ik die van haar, afhankelijk van welke kant het muntje op valt. Maar het is in ieder geval beter dan in mijn eentje proberen de Hoorn te ontvluchten. “We gaan tegelijkertijd naar buiten en gaan allebei een andere kant op. Als er dan tributen zijn die ons opmerken en aan willen vallen, zullen ze moeten kiezen.”

Het meisje kijkt me even verbaasd aan, maar laat dan behoedzaam haar dolk een stukje zakken en knikt. Voorzichtig begint ze richting de uitgang te sluipen, en ik volg haar voorbeeld.

Heel even denk ik weer aan haar naam op de muur van mijn Startkamer, en ik bijt op mijn lip. De kans dat we vandaag allebei overleven, is niet erg groot. “Trouwens, je had een goed interview,” flap ik er dan zacht uit. Het is gelogen, maar dat maakt niet uit. Het meisje kijkt me heel even nog verwarder aan, maar glimlacht dan flauwtjes. “Dat had ik eerder willen zeggen.” Dat is wel de waarheid. Als dit de enige woorden zijn die ik ooit met haar wissel, wil ik niet dat alles een leugen is.

“Bedankt,” fluistert Caithlynn. Ze drukt haar hand wat steviger tegen haar wond, en kijkt even aarzelend naar de opening van de Hoorn. Dan haalt ze diep adem en kijkt mijn kant op. “Nu?”

Ik knik, en op het moment dat ze de Hoorn uit rent, wacht ik nog één seconde, voor ik zelf naar buiten ren. Het voelt oneerlijk, vals, laag. Maar als mensen haar eerst zien, is de kans dat zij mijn afleiding is en niet andersom een heel stuk groter. Hoewel ik écht hoopt dat ze hier uit weet te komen, weet ik dat ik mezelf op de eerste plaats moet zetten. De kansen zijn niet in mijn voordeel, dus ik moet iedere kans om het spel naar mijn hand te zetten grijpen.

Zodra ik de Hoorn uitstap en behoedzaam een stuk ervandaan sprint, zou ik willen dat ik binnen gebleven was. In de tijd dat ik in de Hoorn heb gezeten, is de cirkel een slagveld geworden, en ineens zijn al mijn eerdere angstbeelden echt.

Alles is rood. De stenen zijn glad van het bloed, en het lijkt alsof ik van alle kanten aangekeken word door lege, beschuldigende ogen. Alles is rood. Er liggen al zoveel lijken op de grond, zoveel namen die ik opgeschreven heb van mensen die inmiddels zijn overleden. Het is nog maar een paar minuten geleden.

Ik moet iemand vinden. Day. Bo. Ik- Mijn hemel, Jamaia. Met een ruk draai ik me om en begin richting mijn startplaats te rennen. Ik heb geen seconde meer aan het kleine meisje gedacht dat op me stond te wachten, het meisje dat ik had kunnen beschermen - misschien wel had moeten beschermen. In de minuten die ik in de Hoorn geweest ben, heb ik geen enkel teken gevoeld dat ze probeerde weg te komen, maar zo lang ongewapend stilstaan bij je plaat is net zo goed een doodvonnis als naar de Hoorn gaan. Ik weet het al voor ik haar zie, maar toch ben ik er niet op voorbereid als ik bij de startplaat aankom. Ineens liggen de crackers van daarstraks heel erg zwaar op de maag.

Het meisje ligt op haar rug, haar ogen nietsziend naar het plafond gericht. Van haar roze shirt is weinig over: het is inmiddels doordrenkt met bloed, haar bloed, dat nog steeds uit diepe snee over haar keel vloeit. Haar wangen zijn nat van de tranen, die zich met de spetters rode vloeistof op haar gezicht vermengen terwijl ze langzaam omlaag druppelen. Alles is rood. Dit had ik kunnen voorkomen.

Ik zet langzaam een paar stappen achteruit, draai me dan om en begin weer te rennen, weg van het dode meisje en de angst en beschuldiging in haar lege blik. Het zwaard glipt tussen mijn vingers door, en ik raap hem niet op. Het wapen remt me alleen maar af - ik kan het niet gebruiken. Ik moet hier weg, weg van het bloedbad, ik- Ik moet weten waar Day is, waar Bo is. Ik moet weten of ze oké zijn, ze helpen als ze dat nodig hebben. Ik moet weten of ze nog leven.

Ik had beter op moeten letten, toen ik naar de Hoorn rende. Ik had moeten kijken of Day nog achter me zat, zodat ik hem niet kwijt zou raken. We hadden een punt af moeten spreken om te hergroeperen als dat wel zou gebeuren. Ik had op moeten letten waar Bo heen ging. We zouden op elkaar letten. Elkaar helpen, beschermen, rugdekking geven. Waar ben ik in hemelsnaam mee bezig?

Alles is rood, en ik ben op zoek naar de jongens in de rode shirts. Het lukt me niet meer om de bloedplassen van lijken te onderscheiden, om te zien wanneer een shirt echt rood is, of doordrenkt met bloed. Alles is rood. Alles is bloed.

Op het moment dat ik een eind verderop een glimp van een felrood shirt zie en erop af wil sprinten, wordt mijn aandacht getrokken door een glimp oranje. Geschrokken kijk ik op, maar de drager van het gekleurde shirt, August uit District 6, heeft zijn ogen niet op mij gericht. Als ik zijn blik volg, voel ik onmiddellijk hoe mijn ademhaling zijn laatste beetje controle verliest, terwijl het steeds meer begint te voelen of iemand mijn keel dichtknijpt. Zo snel als mijn benen me kunnen dragen, ren ik achter de jongen aan. Want August rent met getrokken dolk op Day af, klaar om hem in zijn rug te steken.

Reacties (3)

  • Megaeraaa

    Complimenten geven in de hoorn, tijdens het bloedbad 😅 Chris moet iets aan zij timing doen

    Dat hij Jamaïa daar zo ziet liggen maakt het allemaal nog erger

    NEE DANNY!!!

    1 maand geleden
    • Samanthablaze

      Well hij krijgt geen andere kans en had zich er slecht over gevoeld als hij het niet gezegd had terwijl het wel gekund had

      Yeah die is best dood. Dat is wel een klein beetje zijn schuld

      1 maand geleden
  • Duendes

    De vibes in de korte dynamic met Caithlynn zijn NICE love de balans van spanning en samenwerken en hoe Chris toch het compliment nog geeft awh wat cute

    En de paniek in het zinnetje van "alles is rood" is INTENS ohgosh eerst al gewoon kinda letterlijk alles en dan Jamaia en aaahhh??

    Also fuck you August

    1 maand geleden
    • Samanthablaze

      Het is kinda lullig dat Chris haar vervolgens wel eh een klein beetje gebruikt als zijn afleiding door nog net even te wachten maar well hij moet moet zijn eigen leven denken

      Yeah het bloedbad is niet leuk en woohoo hij moet ernaar kijken want hij zoekt de twee dudes in het rood

      Yeah dat was onaardig

      1 maand geleden
  • Incidium

    achter het rek met speren lijkt me geen goede verstopplek chris:DMaar het kwam goed, Go bosjesmannen

    1 maand geleden
    • Samanthablaze

      Hij had het voordeel van in het donker zitten, gelukkig

      1 maand geleden
    • Incidium

      samuel had een beetje bloed in zn ogen, kan gebeuren

      1 maand geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen