Foto bij Agent Holemen: Saints & Storms [Part 7]

• • •

Golden Gate Park, San Francisco, California, 11:59:01 AM May 3rd 2016

Het pak zat niet lekker, maar dat was niet mijn grootste probleem.
      We stonden aan de rand van het Golden Gate Park, vlakbij John F Kennedy Drive. We hadden gezien hoe het grootste ruimteschip van de niet-aliens verderop in het park landde. Boven onze hoofden vlogen alle kleinere schepen langs in dezelfde richting. Nog iets verder boven ons bewoog de scheur die naar de andere dimensie leidde. Zo te zien kwam de verschijning daarvan ook aan als een verrassing bij onze tegenstanders, maar we waren er nog niet over uit of dat voor ons goed of slecht nieuws was.
      Het was nogal verontrustend om te zien hoeveel Solius op mij leek, vooral toen hij eenmaal mijn kleren aan had. Eerst weigerde hij om ze aan te trekken, maar toen Adam dreigde dat hij anders in zijn onderbroek moest gaan, deed hij ze toch met enige tegenzin aan.
      Silver, die op alles voorbereid bleek te zijn, had een sok in Solius’ mond gepropt en een katoenen zak over zijn hoofd getrokken. Hopelijk zou het daardoor even duren voordat de niet-aliens door zouden hebben dat we geruild hadden.
      Ik bewoog met mijn armen, maar de neparmen die uit mijn zij staken bewogen niet mee. Adam speculeerde dat ze via een neurale link in de helm naar de hersenen bestuurd werden. Waarschijnlijk waren ze gekalibreerd op het brein van Solius, dat blijkbaar toch iets anders was dan het mijne. In ieder geval hadden we geen tijd om ze opnieuw in te stellen.
      ‘Je zegt wel dat ze in de strijd kapot zijn gegaan,’ stelde Silver voor, om toen met een steen op een arm te slaan om het er nog meer gedeukt uit te laten zien.
      ‘Hé, jongens?’ Adam keek naar het horloge dat hij van mij over had genomen. ‘De tijd is één seconde verder gegaan.’
      Ik tuurde in de verte, naar waar het moederschip geland moest zijn. ‘En dat betekent?’
      Adam keek omhoog, naar de dimensie boven ons. ‘Dat het systeem waarmee ze de tijd stilhouden interdimensionale problemen begint te krijgen.’
      ‘Dan komt daar nu nog een extra interdimensionaal probleem bovenop.’ Ik drukte mijn helm nog iets beter op mijn hoofd en deed het vizier dicht.
      ‘Het plan?’ vroeg Silver.
      Voor de zoveelste keer herhaalde ik het. ‘Dump Solius, fix de tijd, bye bye niet-aliens.’
      ‘Als Silver naar de Avengers gaat, ga ik wel mee naar het schip,’ stelde Adam voor.
      Silver schudde verwoed zijn hoofd. ‘Ik dacht het niet, dat is veel te gevaarlijk. Ik ben onsterfelijk, dus ik ga.’
      ‘Dan moeten we dit oplossen op de meest eervolle manier die er is,’ zei Adam. Hij hield één hand plat en maakte met de andere hand een vuist. ‘Steen, papier, schaar.’
      ‘Serieus?’ zei ik met een lachje, maar Silver keek hem ernstig aan en knikte.
      Na drie rondes bleek Adam de winnaar te zijn. Ik koos een lege auto uit en startte hem zodat Silver naar de Avengers kon rijden. Hij wenste ons nog een laatste keer succes, en ging toen de weg op.
      Ik greep Solius bij een arm en we begonnen naar het midden van het park te lopen. Ik zou er gewend aan moeten zijn, maar toch was het vreemd om mensen midden in hun hardlooprondje stil te zien staan.
      Adam kwam naast me lopen. ‘Je zult een manier moeten vinden om op de brug van het moederschip te komen, waarschijnlijk wordt vanaf daar de tijd bestuurd. Ik zal in de buurt zijn als er iets mis gaat en je ontmaskerd wordt.’
      Dat stelde me niet echt gerust. Hij had een schild dat hem continu kon helen, maar het was ons tegen wel tientallen soldaten met geavanceerde technologie. Ik had stiekem toch liever de Avengers gehad.
      En dan was er nog iets. Als de grens tussen de dimensies vervaagde, zouden mijn krachten hoogstwaarschijnlijk sterker worden. Misschien was dat een voordeel, maar toen moest ik aan het wezen van Cardiff denken. Misschien was het een slecht teken.
      Daar kon ik later wel aan denken. Eerst moest ik deze dag overleven.
      Terwijl we steeds dichter in de buurt van het schip kwamen, legde Adam uit hoe je psychologie kon gebruiken om altijd steen, papier, schaar te winnen. Ik luisterde maar half. Solius struikelde om de paar minuten, waardoor ik vermoedde dat hij tijd probeerde te rekken. We bleven op paden die wat beschut waren, maar alsnog moesten we opletten voor andere soldaten.
      Uiteindelijk kwamen we, naar mijn gevoel, veel te snel aan bij het gebied dat de soldaten geclaimd hadden. Het moederschip werd omringd door kleinere schepen, waartussen veel soldaten druk pratend heen en weer liepen. Na een laatste knik naar Adam, die zich achter wat struiken ging verschuilen, duwde ik Solius voor me uit en liepen we het kamp op.
      Meteen keken een paar soldaten naar me om. Ik probeerde zelfverzekerd te lopen, zodat het leek alsof ik één van hen was, maar ik was eigenlijk nooit echt een goede undercoverspion.
      Van achter een kleiner schip verscheen een soldaat met een cape, die op me af liep. ‘Soldaat Solius, waar kom jij vandaan? We hebben al een tijdje geleden iedereen het bevel gegeven om terug te keren.’
      Ik haalde diep adem. Dit was het moment. De cape moest betekenen dat hij een leider was, net zoals de leider op de Golden Gate Bridge. Hij moest me geloven. ‘Het is me gelukt om één van de drie vrije mensen gevangen te nemen, sir.’ Ik kromp bijna ineen. Misschien klonk dat laatste iets té Brits.
      De soldaat keek van mij naar mijn gevangene, die zich probeerde los te trekken toen hij de stem van een van zijn leiders hoorde. Uiteindelijk knikte hij en gebaarde hij naar een groepje soldaten. ‘Breng de gevangene naar de cellen. Misschien kan hij ons meer vertellen over het wapen dat we zoeken, want de tijd dringt.’ Hij keek omhoog naar de scheur in de lucht.
      Ik keek om me heen. Zo te zien waren we in de buurt van de Dutch Windmill, wat ook betekende dat we dicht bij het strand waren. Ik vermoedde dat ze zo hun bootjes op het water hebben weten te krijgen, om het schiereiland helemaal af te sluiten.
      Een nieuwe stem voegde zich bij ons. ‘Luitenant, generaal Rhodes wil Solius op de brug hebben.’
      De luitenant knikte. ‘Ze was niet blij om te horen dat je verdwenen was,’ zei hij tegen mij terwijl we het moederschip binnengingen.
      Net zoals de buitenkant was ook de binnenkant gemaakt van matzwarte platen. Mijn mond viel bijna open toen we de buik betraden. Het deed denken aan de enorme loods waar SHIELD ooit aan helicarriers werkte, alleen was deze gevuld met honderden kleinere, bewapende vliegtuigen en tanks. Deze interdimensionale mensen waren niet even langsgekomen om het schild te bemachtigen. Ze waren voorbereid op een oorlog.
      Snel liep ik achter de luitenant aan voordat hij door zou hebben dat ik achter was gebleven. We liepen een trap op, gingen een lift in, en stapten uit op de hoogste verdieping. De gangen waren een doolhof, en al gauw begon ik het idee te krijgen dat de luitenant opzettelijk een omweg nam. Hadden ze nu al door dat ik niet de echte Solius was? Hoe dan ook, ik kwam met een opdracht die ik moest vervullen.
      Een deur schoof open en we stapten de brug op. ‘Generaal Cecil Rhodes, ik breng hier soldaat Solius.’
      Een vrouw die voor het enorme raam stond draaide zich naar ons om. ‘Dank je wel, luitenant. Ik wil dat je nu zicht houdt op het verzamelen van de troepen.’
      De luitenant knikte en verliet de ruimte. De deur sloot met een zuigend geluid achter hem, wat mijn onheilspellende gevoel alleen versterkte.
      De brug deed denken aan vrijwel elke brug in een sci-fi film, met meerdere soldaten die achter schermen zaten en één enkele stoel die in het midden stond. Het enige verschil was dat er in de rechterhoek een enorm apparaat stond dat ik niet herkende.
      De generaal keek me streng aan. Ik had haar gezicht nooit eerder gezien, maar toch had ik haar aan haar stem herkend. Dit was dezelfde leider als van de Golden Gate.
      ‘Doe je helm af,’ beval ze. ‘Ik heb een paar vragen voor je, Solius.’
      Ik haalde mijn helm van mijn hoofd en probeerde tegelijkertijd een smoes te bedenken voor de krassen op mijn gezicht, die Solius niet had. Het scheelde dat ik ze ook nog niet had tijdens onze laatste ontmoeting waardoor Rhodes me anders zou kunnen herkennen.
      De generaal keek even naar mijn verwondingen. ‘Ik neem aan dat je die gekregen hebt tijdens het gevecht met je gevangene?’
      ‘Ja, ma’am.’
      ‘Kan je me je volledige naam en regiment geven?’
      ‘Soldaat Ray Ziv Solius, van het 71ste regiment van het heilige galactische keizerrijk van Atirnbi Major.’ Voor het eerst was ik Solius en zijn trots dankbaar, ook al wist ik nu zeker dat ze vermoedden dat we geruild hadden.
      Nog steeds was de generaal niet tevreden. ‘Waar ben je geboren?’
      Ik was al bang voor een vraag waar ik het antwoord niet zeker van wist. Solius had mijn gezicht en eerste naam. Ik moest er maar op gokken dat onze geboorteplaats ook hetzelfde was, ook al was ik Amerikaans en hij Brits.
      ‘Philadelphia,’ zei ik vol overtuiging.
      De generaal keek naar een van de soldaten die achter een scherm zat. Hij knikte en zei: ‘Sector Rittensquare valt onder het Philadelphia Quadrant.’
      Ik probeerde niet al te opgelucht te kijken. ‘Mag ik weten waar al deze vragen voor nodig zijn, generaal?’
      ‘Natuurlijk zal je wel gemerkt hebben dat een van de drie rebellen jouw gezicht draagt?’ vroeg de generaal met een opgetrokken wenkbrauw. ‘Nu dat je terug bent na een tijdje absent te zijn, moesten we zeker weten dat de rebel niet jouw plek heeft ingenomen.’
      ‘Dat zou ik nooit laten gebeuren, ma’am.’ Blijkbaar was mijn toon trots genoeg, want de generaal keek eindelijk overtuigd.
      ‘Mij is verteld dat je een gevangene hebt meegenomen, dus dan moet je ook in contact zijn gekomen met de andere rebellen. Wat ben je te weten gekomen over het wapen?’
      Ik vertelde wat Adam me aanraadde te zeggen. ‘De rebellen hebben het wapen, maar zijn alleen bereid het te overhandigen als de tijd weer van hen wordt.’
      ‘Dus ze weten het wel,’ mompelde ze. ‘Ik weet zeker dat ze van gedachte veranderen als we de gijzelaar in ruil voor het wapen aanbieden.’ Ze draaide zich om naar een andere soldaat. ‘Laat luitenant Peacock de gevangene ondervragen. Ik wil weten hoe het wapen eruitziet en wat het kan. Vertel haar ook dat ze niet bang moet zijn om de harde hand te gebruiken.’
      De soldaat ging haastig weg, en ik besefte me dat ik niet lang meer had voordat ze daadwerkelijk zouden weten dat hun gevangene eigenlijk de echte Solius was. Ik moest uitvissen hoe ik de tijd weer verder kon laten lopen.
      ‘Generaal,’ begon ik. ‘Ik hoorde dat de rebellen opmerkten dat de tijd met één seconde verder was gegaan.’
      Ze knikte, en liep naar het aparte apparaat in de ruimte. ‘Het systeem moest zich aanpassen aan de interdimensionale scheur, maar het hoort nu gestabiliseerd te zijn.’
      Ik volgde haar en zag dat een heleboel knopjes en kleine schermpjes, waaronder een digitale klok die op precies 11:59:01 stond. Hoe moest ik in vredesnaam de tijd fixen? Het was misschien wel door mensen gemaakt, maar voor mij voelde het aan als alien technologie.
      Net toen ik een vraag wilde stellen die misschien kon ophelderen hoe het ding werkte, vroeg de generaal: ‘Waarom doen je extra armen het niet, soldaat?’
      ‘Die zijn beschadigd geraakt in de strijd,’ zei ik, misschien iets te snel.
      Ze keek me wantrouwend aan. ‘Ze zitten nog aan je, dus zoveel schade kan er niet zijn. Doe je helm weer op, dan kan ik ze opnieuw kalibreren.’
      In mijn hoofd begon ik in paniek te raken, maar kalm deed ik wat ze zei. De generaal tikte op een schermpje aan haar arm en mijn helm begon te trillen.
      Een paar tellen later stopte het trillen en klonk er een mechanische stem: ‘Recalibration failed. No match with current user.
      Net toen ik op het punt stond om te zeggen dat ze het misschien opnieuw moest proberen, klonk er een mechanisch vervormde stem op. Op het raam werd het gezicht van een blonde vrouw met lichte ogen geprojecteerd, die nogal zenuwachtig naar ons keek. Ergens kwam ze me bekend voor.
      ‘Generaal, dit is luitenant Peacock. De gevangene is de echte soldaat Solius. Hij kent al onze codes en… generaal?’
      Op hetzelfde moment dat de generaal en de rest van de soldaten hun geweren op me richtten, stak ik mijn handen op en werden ze tegen de muren gegooid. Ik was toch al ontmaskerd, dus ik kon net zo goed groots uitpakken.
      Ik pakte de generaal bij haar kraag en hees haar overeind naast het apparaat. ‘Vertel me hoe ik de tijd weer door kan laten gaan, en misschien laat ik jullie heelhuids gaan.’
      Ze keek me boos aan. ‘Wie bén jij?’
      ‘Mijn naam is agent Ray Holemen,’ zei ik. ‘En mijn geduld begint op te raken.’
      Hardhandig duwde ze zich van me af en reikte naar iets op haar rug. Het enige wat ik dacht, was dat ik haar tegen moest houden.
      Ik stak een hand op en maakte een vuist. Meteen schoten haar handen naar haar keel. Ze maakte een stikkend geluid en viel op haar knieën neer.
      ‘Vertel me hoe ik het stop kan zetten.’ Ik smeekte nog net niet. Mijn krachten gebruiken om haar te wurgen was geen bewuste keuze geweest. Ik had zelfs nooit gedacht dat dat mogelijk was. Ik wist eigenlijk ook niet zeker of ik het los kon laten.
      Tussen de ademteugen door wist de generaal nog één woord uit te spreken. ‘Nooit.’ Ze zakte ineen.
      Ik struikelde naar achteren en botste tegen het apparaat aan. Vaag had ik door dat er op de deur gebonsd werd en dat de lichten knipperden. Was ik dit? Of was het de interdimensionale scheur in de hemel?
      Het maakte niets uit. Mijn missie was om de tijd weer normaal te laten lopen en ik kon niet weg voordat ik dat gedaan had.
      Ik draaide me om en legde mijn handen op het apparaat. De knipperende knoppen en lichtjes zeiden me niets, maar ik sloot mijn ogen.
      Ik dacht aan de manier waarop ik het licht vervormde. Volgens Adam kon ik energie manipuleren en vergroten. Misschien kon ik het ook weghalen.
      Ik concentreerde me en voelde hoe mijn handen warmer werden. Het zweet brak bij me uit, maar ik kon niet stoppen. Mijn huid voelde aan alsof ik te lang in de zon had gezeten.
      Uiteindelijk, trillend en met ingewanden die leken te branden, hoorde ik het geluid van een machine dat uitgeschakeld werd. Ik opende mijn ogen en zag dat de lichtjes uit waren. De digitale klok toonde dat het inmiddels net twaalf uur was geweest.
      De deur achter me schoof open. Het kon me niet schelen wie het was en ik teleporteerde weg.
      Buiten was het een chaos. Soldaten schreeuwden naar elkaar en burgers die weer wakker waren geworden renden weg. De scheur in de lucht was groter geworden en er waren barsten in de aarde onder me.
      Iemand greep mijn arm en ik draaide me om, mijn handen gerezen. Het bleek Adam te zijn. Vloekend trok hij zijn hand weg.
      ‘Het is gelukt.’ Ik wilde dat ik positief klonk klinken, maar de al te bekende hoofdpijn was weer terug gekomen en ik voelde me nog steeds veel te warm.
      ‘Je bent snikheet,’ zei hij terwijl hij met zijn hand zwaaide. ‘Wat heb je precies gedaan? Heb je het uitgezet?’
      ‘Ik wist niet hoe,’ antwoordde ik. ‘Ik heb mijn krachten gebruikt om de energie weg te halen.’
      Adam keek me met grote ogen aan. ‘Je hebt het niet weggehaald, Ray! Je hebt het geabsorbeerd! Daarom… daarom brand je op.’ Hij keek naar mijn handen, waar kleine brandwonden waren verschenen. ‘Dit is níet goed.’
      Ik keek naar de lucht boven ons. ‘Denk je?’
      Er werd geschreeuwd. Een drietal soldaten richten hun geweren op ons. Ik maakte een scherp gebaar met mijn handen. Ik wilde ze omver gooien, maar in plaats daarvan greep elk van hen naar hun borstkas en zakten ze ineen.
      Ik strompelde achteruit en keek verdwaasd naar mijn handen. Dit was onmogelijk. Ik kon mensen geen hartstilstand geven of ze wurgen zonder ze aan te raken. Dit kon niet echt zijn.
      Ik liet mezelf op mijn knieën vallen en voelde hoe ik kortademig werd. Wat gebeurde er met me? Wat was ik aan het worden?
      Vaag hoorde ik mijn naam. ‘Ray, kijk naar me.’
      Ik keek op. Voor een moment keek Adam me vertwijfeld aan. Toen begon hij het schild van zich af te schuiven.
      ‘Maar je hebt het zelf nodig,’ protesteerde ik, buiten adem. ‘Je hoofdpijn.’
      ‘Ik denk dat ik dat wel overleef.’ Zijn gezicht vertrok toen het schild zijn rug volledig verliet. Hij trok de band over me heen.
      Toen hij het los liet, verscheen er een verblindend licht. Ik voelde hoe mijn temperatuur daalde. Het licht doofde en ik zag hoe de brandwonden op mijn handen heelden.
      Ik stond op en trok Adam overeind. ‘Waar zijn de Avengers?’
      Hij knipperde met zijn ogen. ‘Ik heb geen idee. Eh, waarom geef je licht?’
      Ik dacht aan Philadelphia en de Winchesters. ‘Dat gebeurt wel eens bij mij.’
      De mensen uit de andere dimensie waren nog steeds hier en de scheur boven ons groeide. Er moest iets gebeuren en op dit moment lag dat volledig aan mij.
      ‘Kan je weer de toekomst zien?’ vroeg ik, al vermoedde ik al wat hij zou voorspellen.
      Hij keek van mij naar de scheur boven ons. ‘Ik kan zien dat jij degene bent die hen terugstuurt en de scheur sluit. Maar hoe en of je het overleeft… dat weet ik niet.’
      Daar kon ik mee werken. ‘Vind een veilige plek om je te verstoppen. Als Silver en de Avengers ooit opdagen, vertel ze dan wat er aan de hand is.’
      ‘Ray-’ begon hij, maar ik was al verdwenen.
      Ik kwam neer midden in een groep soldaten. Ze richtten hun geweren op me, maar ik stak mijn handen op en hun wapens vlogen de lucht in.
      Voor me stond de luitenant die me binnen in het moederschip had begeleid. ‘Luitenant,’ begon ik. ‘Ik geef jullie een laatste kans. Verzamel jullie soldaten en verdwijn uit deze dimensie. Als de scheur te lang open blijft, gaan allebei onze werelden eraan.’
      Hij keek alleen maar naar het schild op mijn rug. ‘Dat is het. Dat is het wapen dat we zoeken. Overhandig het en we vertrekken. Je hebt mijn woord.’
      Misschien had ik het overwogen, maar daar kreeg ik de kans niet meer voor. Door de rangen heen stormde een bekende soldaat. Solius was bevrijd.
      ‘De generaal!’ Zijn stem sloeg over. ‘Hij heeft generaal Rhodes vermoord!’ Hij richtte een geweer op me en ik stak mijn hand op, maar inmiddels had ik toch wel door moeten hebben dat ik de controle over mijn krachten kwijt was.
      Er klonk een misselijkmakend gekraak en soldaat Ray Ziv Solius van het 71ste regiment viel met een gebroken nek neer.
      Om me heen was het een moment stil. Toen begon het geschreeuw. Eén woord kwam steeds als een melodie terug. Monster.
      Soldaten deinsden achteruit, op zoek naar wapens. Ik keek alleen naar Solius, die naar het niets staarde. Dit moest stoppen.
      Nog voordat de soldaten me aan konden vallen, teleporteerde ik met een felle lichtflits weer verder.
      Links van me stond de Dutch Windmill. Rechts van me stonden ruimteschepen en een enorm kanon. De soldaten riepen naar elkaar toen ze me zagen en vuurden het kanon.
      Ik boog de lichtflits af. In plaats van in de lucht te verdwijnen raakte het de windmolen, die in vlammen opging. Dat was niet mijn bedoeling, maar blijkbaar was het genoeg om de soldaten terug te laten trekken. Ze verdwenen in de ruimteschepen, die toen opstegen.
      Mijn leven werd een stuk makkelijker voor me gemaakt toen ik zag dat ook andere schepen van de grond kwamen. Ik teleporteerde naast het moederschip en zag een stuk verbrand gras op de plek waar ik eerst stond. Van de soldaten, inclusief Solius, was geen spoor te bekennen.
      Was dit het dan? Net toen ik me afvroeg of ze uit zichzelf zouden vertrekken, besefte ik dat de ruimteschepen in een cirkel zweefden. Er verschenen laserstralen die de schepen met elkaar verbonden, die zich toen bundelden in het midden. Recht boven me.
      Het wapen had meer energie dan dat ik aan zou kunnen. Ik kon al amper naar de flitsen kijken, maar ik voelde hoe warm de lucht eromheen werd. En daarboven was nog steeds de groeiende interdimensionale scheur.
      Ik moest een einde hieraan maken. De motoren van het moederschip naast me waren aangegaan, maar het schip was nog niet opgestegen. Ik legde mijn handen op de zijkant en probeerde me te herinneren hoe ik dit in New York had gedaan. Als ik het moederschip naar de andere dimensie kon krijgen, zouden de andere schepen volgen en dan kon de scheur sluiten.
      Misschien. Hopelijk.
      Ik hield mijn ogen dicht, maar ik voelde hoe mijn omgeving veranderde en de grond onder mijn voeten verdween. Ik opende mijn ogen.
      Voor een moment werd ik omringd door sterren. Ik zweefde naast het moederschip terwijl één voor één de andere ruimteschepen verschenen, terug in de dimensie waar ze thuishoorden.
      Het volgende moment was ik terug in mijn eigen dimensie, maar het klopte niet helemaal. Een vage, grijze ruis hing tussen mij en alles wat ik zag. Ik kon Adam, Silver en alle Avengers zien en vlagen van hun gesprek horen.
      ‘Ik weet niet waar Ray is,’ zei Adam, deels geïrriteerd en deels bezorgd. ‘Eerst stond hij nog daar en toen was er een felle flits en waren hij en alle schepen verdwenen.’
      Ik probeerde te roepen, maar ik kon geen woord uitbrengen. Tegenover me was mijn evenbeeld verschenen.
      Hetzelfde wezen dat ik in Cardiff had ontmoet grijnsde naar me. ‘Ik zei toch dat we elkaar weer zouden weerzien?’
      ‘Jij bent het,’ zei ik. ‘Jij bent het wezen dat de andere dimensie bedreigt.’
      Het wezen haalde zijn schouders op. ‘Ik moest iets doen om je sterker te maken. Je maakte niet echt vorderingen.’
      ‘Als ik sterker wordt, word jij ook sterker.’ Ik kon mezelf wel slaan. Datgene waar ik bang voor was had ik zelf waargemaakt toen ik mijn eigen wereld besloot te redden. Maar had ik ooit wel een keuze? Misschien had Silver gelijk toen hij zei dat het mogelijk niets uitmaakte, dat het hoe dan ook zou gebeuren.
      Er klonk weer een vlaag van het gesprek in de andere wereld. ‘…hoe bedoel je, het is een rommeltje? Ik heb jullie anders niets nuttigs zien doen…’
      ‘Wat wil je van me?’ vroeg ik wanhopig. ‘Waarom kan je me niet met rust laten?’
      ‘Je hebt een keuze gemaakt,’ antwoordde het in mijn stem. ‘Dit zijn gewoon de consequenties. Je zult me nogmaals zien, maar dat wordt wel de laatste keer.’
      En met die woorden verdween het wezen met een flits en stond ik in mijn normale wereld. De Avengers deinsden achteruit en richtten hun wapens op me, maar ik trok de helm van mijn hoofd en liet het op de grond vallen.
      Er kwam nog steeds licht van me af, maar dat weerhield Adam en Silver er niet van om op me af te stormen en me te omhelzen. Over hun schouders heen keek ik naar de lucht, maar de scheur was verdwenen.
      ‘Het is je gelukt!’ zei Silver, nadat ze me allebei los hadden gelaten.
      Ik moest bijna lachen. ‘Je hoeft nou niet zo verbaasd te klinken.’
      ‘Heb je de andere dimensie gezien?’ vroeg Adam.
      ‘Ja, maar het waren alleen sterren. Het was niet hetzelfde als in New York.’
      ‘Ho eens even,’ onderbrak Clint ons. Hij wees naar mij en gebaarde toen om zich heen. ‘Wat heb je precies gedaan?’
      Ik vertelde wat er gebeurd was vanaf het moment dat ik het kamp betrad, inclusief het wegsturen van de schepen en het weerzien van het wezen van Cardiff. Ik zei niets over hoe ik de controle over mijn krachten kwijt was geraakt en onbedoeld soldaten had gedood. Dat maakte toch niets meer uit; ik was niet van plan mijn krachten ooit nog te gebruiken.
      Toen ik klaar was, keken ze bezorgd. ‘Je hebt zelf de interdimensionale scheur gesloten,’ zei Tony. ‘Dat zou helemaal niet mogelijk moeten zijn.’
      ‘Volgens mij heeft hij het al eerder een keer gedaan, in New York,’ zei Adam. ‘Met alle respect, maar ik betwijfel of dat apparaat van jullie ook zonder Ray gewerkt zou hebben.’
      Tony keek hem geërgerd aan. ‘Dat zeg je in het bijzijn van degene die het ontwikkeld heeft, die maar liefs zeven PhD’s heeft?’ Hij gebaarde naar Bruce, die zich weer uit zijn Hulk-vorm veranderd had.
      ‘Iemand met zo veel PhD’s werkt alleen maar om titels te verkrijgen en middelen van universiteiten te verspillen, niet om ook daadwerkelijk iets toe te voegen aan de wetenschap,’ spotte Adam.
      ‘Adam!’ zei Silver geschrokken.
      ‘Kunnen we alsjeblieft naar huis gaan?’ vroeg ik, voordat iemand op zou merken dat Adam zelf universitaire middelen verspilde door talloze opleidingen niet af te maken. Het laatste wat ik wilde was dat mensen op de vuist gingen. Ik voelde me moe en het licht dat van me af kwam begon uit te doven.
      Clint haastte zich naar me toe en dankbaar liet ik me door hem ondersteunen.
      ‘Hoe zit het met je krachten?’ vroeg hij bezorgd. ‘Zijn ze weer verdwenen?’
      Ik wist niet zeker wat ik daarop moest antwoorden. Even verderop stond een quinjet en ik kon de energie die het gebruikte voelen. Waarschijnlijk kon ik het besturen, maar ik wilde helemaal niets meer met mijn krachten te maken hebben.
      ‘Ik weet het niet,’ zei ik uiteindelijk. ‘Het enige wat ik weet, is dat het wezen weer terugkomt en we het tegen moeten houden.’
      We waren bijna bij de quinjet aangekomen toen opeens een busje met piepende banden voor ons stopte. Het portier zwaaide open en Edward kwam half struikelend tevoorschijn. Zijn bril stond scheef en zijn kleding zag er rommelig uit, alsof hij zich door een groep mensen heen had moeten wringen.
      ‘Oh, hey Ed,’ zei Adam. Hij klonk nonchalant, ook al was de opluchting van zijn gezicht af te lezen. ‘Hoe is het?’
      ‘Jullie zijn in orde!’ Edward zette zijn bril recht. ‘Het is nog niet voorbij. Ik heb hier een energiebron gevonden die steeds sterker aan het worden is.’
      Ik had hier dus echt geen zin meer in. ‘Waar precies is deze bron?’ vroeg ik snel.
      Edward keek naar Adam. ‘Eh…’
      ‘Ik snap het,’ zei Adam. ‘Oké. Raak alsjeblieft niet in paniek.’
      ‘Hoe bedoel je-’
      Adam viel op zijn knieën neer, met zijn hoofd in zijn handen. Toen hij opkeek, waren zijn ogen felgroen verlicht. Hij opende zijn mond en een stem die niet de zijne was sprak:
Driemaal dooft de zon om tweemaal op te rijzen
De drie-eenheid verenigd met de zoon van licht
Brengt het offer dat zijn leven zal eisen
Want alleen hij kan antwoorden voor zijn keuze
Voordat zijn reflectie de wereld uitwist

Het licht verdween en Adam was weer terug. Moeizaam stond hij op en keek om zich heen.
      Bijna iedereen had zijn wapen gereed. Zelfs Silver had een hand op zijn boog gelegd. Alleen Edward en ik stonden onveranderd. Edward omdat hij dit waarschijnlijk eerder meegemaakt had.
      Ik omdat ik al vanaf de eerste woorden wist over wie deze voorspelling ging.
      ‘Nou?’ vroeg Adam. ‘Hebben jullie het opgeschreven? Ik ga het niet herhalen.’
      Het schild woog zwaar op mijn rug. Ik besefte me dat ik de enige was die doorhad dat, wat ik vandaag gedaan had, een onomkeerbaar effect op mijn toekomst had. Misschien dat ik het uit kon stellen, maar het zou niets meer uitmaken.
      Er was geen weg meer terug.


De voorspelling, maar dan in de vorm van meerdere haiku's:
De wereld ontwricht
Door een keuze lang gemaakt
Een reflectie leeft

Breng het offer dat
De drie-eenheid zal eisen
Het tij zal keren

Driemaal dooft de zon
Om tweemaal op te rijzen
De zoon van licht sterft


Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen