Iedere stap die ik zet lijkt niets uit te maken. Als ik na een tijdje buiten adem stop met rennen, is de boom nog altijd kolossaal, imposant en eindeloos ver weg. Het voelt als rennen op een van de loopbanden in het trainingscentrum: geestdodend, uitputtend en volkomen nutteloos. Het enige verschil is dat waar mijn gedachten op de loopband zichzelf uit leken te schakelen. Hier, echter, lijken ze actiever en chaotischer te worden met iedere ademteug.

Mijn goede gevoel begint al snel weer te vervagen, en de angsten, waarvan ik zo gehoopt had dat ik ze in het doolhof achtergelaten had, halen me al snel weer in. Hoe heerlijk het ook is om weer zonlicht te kunnen voelen en om weer ruimte om me heen te hebben, we kunnen eindeloos ver zien, wat betekent dat wij net zo goed voor de hele omgeving zichtbaar zijn. Iedereen die een uitgang weet te vinden en in dit veld terecht komt, zou ons kunnen zien. Zodra Aderyn zich bovengronds zou wagen, zou ze de jacht op ons kunnen openen, en we zouden nergens anders heen kunnen dan terug het labyrint in - met Amelia bij ons, zouden we de Beroeps rennend nooit lang voor kunnen blijven, maar ook zonder haar vrees ik dat we het af zouden leggen tegen hun conditie. Daarnaast lijkt het haast onmogelijk dat er geen gevaren schuilgaan in het gras, dat op sommige plekken tot boven mijn knieën komt. Wie weet zitten er gaten in de grond, die ons regelrecht terug het doolhof in zouden laten vallen, of kruipen er giftige slangen rond, niet op te merken totdat je dodelijk gebeten wordt.

De ijzingwekkende stilte op de vlakte maakt me bloednerveus. Een veld als dit hoort niet stil te zijn, zeker niet als er een boom staat die de bron van al het leven lijkt. Hier lijkt de tijd bevroren te zijn, alsof er niets meer ademt hier, behalve wij. Het doet me denken aan wanneer er een hovercraft overvliegt in District 11: het hele district wordt oorverdovend, angstaanjagend stil, tot een spotgaai een enkele hoge noot uitschreeuwt. Het voelt als een waarschuwing, een teken van naderend onheil, maar de zon blijft schijnen, er duikt niets op uit het gras en er komt geen hoge noot. Alles blijft aangenaam, warm en vrij, maar het onbehaaglijke gevoel laat me niet los.

Ik ben echter niet de enige die steeds nerveuzer wordt, want naast me werpt Day ongemakkelijke blikken op de boom, mij en de rest van de groep. Hij veegt wat zweetdruppels van zijn hoofd en richt zijn aandacht dan op de boom, met een nerveuze frons op zijn gezicht. "Waarom lijkt die boom gewoon niet dichterbij te komen?"

"Zeg alsjeblieft dat het geen illusie is," mompel ik, terwijl die gedachte zich steeds sterker in me lijkt te nestelen. Het zou echt iets voor het Capitool zijn: ons een doel geven, een plek om te schuilen, maar wel eentje die je nooit echt kunt bereiken. We zouden blijven lopen, totdat we het ofwel opgeven, ofwel erbij neervallen.

"Ik denk het niet, toch?" antwoordt Day, maar echt overtuigd klinkt hij niet. Hij knijpt zijn ogen samen om gefocust naar de boom te staren, maar het lijkt hem geen echte antwoorden op te leveren - hij fronst enkel.

"Dat zou echt zo lullig zijn," antwoord Jade, ook fronsend, op een toon die de spelmakers lijkt te commanderen om razendsnel een echte boom neer te zetten, als deze inderdaad een illusie zal zijn.

Ada volgt onze blikken en schudt haar hoofd. "Nee, ik denk dat het echt is,” zegt ze dan - zoals gewoonlijk mijn suggesties weer tegensprekend, al moet ik toegeven dat het in dit geval goed nieuws zou zijn als ze gelijk blijkt te hebben. “De boom staat in het midden van de arena, denk ik. Precies boven de hoorn."

"Dus dan moeten we dat hele stuk terug lopen." Ik zucht zacht bij de gedachte, maar voel ook mijn schouders ontspannen. Hoewel het geen prettig idee is om weer helemaal terug naar het beginpunt te moeten lopen, is het al een aanzienlijke geruststelling dat we die meters in ieder geval niet voor niets afleggen. Als we doorlopen, nog een paar uur misschien - zonder de hoogteverschillen en kronkelende gangen zou het sneller moeten gaan, al helpt het hoge gras niet echt - komen we er vanzelf. Blijf doorgaan.

Jade knikt bedenkelijk. "Dat klinkt logisch,” mompelt ze peinzend. “Rondom de hoorn waren de wortels enorm en duidelijk zichtbaar, dus waarschijnlijk is de boom gewoon zo groot dat hij niet dichterbij lijkt te komen."

"Ze hebben flink uitgepakt dit jaar," verzucht ik, maar dan glimlach ik. Het doolhof is een plek waar ik nooit meer wil zijn, maar dit lijkt me tot nu toe een erg aangenaam alternatief, zelfs al laat mijn nerveuze gevoel me niet los. "Over zo'n boom hoor je me niet klagen."

"Alleen jammer dat het nog zo ver weg is." Day haalt een hand door zijn haar, waardoor hij het zand dat erin zit opmerkt, wat hij er snel uit probeert te vegen. "Maar dit loopt in elk geval beter dan in de tunnels."

"Niets aan te doen.” Ik stap stevig door, ook al begint mijn rug steeds meer te steken. Hoewel mijn verwonding zeker niet ernstig is, merk ik dat de pijn me uitput. ‘s Nachts in het grasveld blijven lijkt me echter veel te gevaarlijk, zeker als we geen idee hebben wat er allemaal kan verschijnen. We moeten bij de boom zien te komen voordat het te donker wordt, zodat we in ieder geval iets van beschutting kunnen zoeken. Er is geen tijd om echt te pauzeren. “Hopelijk kunnen we het vandaag nog halen."

Maar waar ik stevig door blijf lopen en mezelf probeer te focussen op waar ik mijn voeten neerzet - stap voor stap - blijkt na een tijdje dat in één keer dat hele stuk terug lopen niet echt haalbaar is. Naast mijn rug beginnen inmiddels ook mijn voeten behoorlijk te steken - blaren, waarschijnlijk - en hoewel Jade en Ada hun tempo nog vrij hoog weten te houden, begint Day steeds vaker achterop te raken vanaf het moment dat hij zijn kleine teamgenote, die echt op instorten staat, begint te ondersteunen.

Al snel voel ik hoe hij zijn hand op mijn arm legt en me een beetje afremt. "Hé, Chris, wat denk je ervan om even te pauzeren?" vraagt hij aarzelend. Hij weet heel goed dat ik het liefste ‘nee’ zou zeggen en door zou lopen, maar de vermoeidheid op zijn gezicht laat wel merken dat dat geen echte optie is.

Ik werp een blik op de boom, die nog altijd kilometers ver weg lijkt, en dan naar de rest van de groep. Nu Day haar even niet meer ondersteund, lijkt Amelia echt te wankelen op haar benen, en hoewel Jade verbeten voor zich uit blijft kijken, is ook op haar gezicht te zien dat als we nu niet gaan zitten, we het over een kwartier wel moeten doen. We gaan het niet in één keer redden naar de boom. Ik zucht en laat me dan in het gras zakken, zodat ik aanzienlijk minder ver boven het veld uitsteek. "Heel even maar,” zeg ik, waarop Amelia zich ook onmiddellijk op de grond laat zakken. “We vallen nogal op hier.”

Day glimlacht vermoeid naar me, terwijl ook hij zwaar ademend op de grond gaat zitten. "Als ik dit had geweten had ik vaker de trap naar de trainingszaal genomen," zucht hij.

"Geloof me, zoveel heeft het niet geholpen." Ik glimlach terug, maar vertel niet verder over mijn pogingen om de lift te vermijden, en tot mijn opluchting vraagt Day ook niet echt verder.

Hij grinnikt alleen, terwijl hij een waterfles uit zijn tas pakt en iedereen een slok laat drinken en Jade ons allemaal een halve energiereep geeft. "Ik vind het best indrukwekkend dat je het geprobeerd hebt," zegt hij, waarop ik zijn blik vlug ontwijk, in de hoop dat mijn gezicht niet verraadt dat hij een van de redenen is dat ik dat deed. In de kleine, benauwde ruimte kon ik me nergens voor mijn eigen gepieker verbergen, zodat de gedachten aan Day, aan de roddels en aan zijn hand tegen mijn huid me samen met de muren in konden sluiten en verstikken.

Het liefste wil ik meteen weer in beweging komen. Hoewel de open ruimte ervoor zorgt dat ik niet volledig verdwijn in mijn eigen hoofd, blijven de gedachten wel aanwezig, als fluisteringen in de wind, nu ik de herinnering heb opgeroepen. Hoewel ik probeer ze te laten passeren, voelt het even alsof ik weer in die lift zit, en alles in één keer op me af komt.

"Ik vond wandelen altijd wel leuk, maar ik denk dat ik daar nu wel van genezen ben,” gaat Jade luchtig door, waarmee ze me tot mijn opluchting uit de storm weet te trekken voor die zich echt kan vormen. Ze ploft in het gras, met een vermoeide grijns op haar gezicht.

"Ik hoop dat je het nog niet té zat bent, want moeten nog een stuk," antwoord ik, waarna ik snel een slok water neem en de fles doorgeef. Dan kijk ik naar de boom, en even vlug naar de zon. Hoewel het inmiddels al de loop van de middag is, zouden we het voor het donker moeten kunnen halen - maar dan moeten we wel doorgaan.

"Jawel, ik heb besloten om hier te blijven en kettingen van gras te maken," antwoordt ze echter ernstig.

Ik trek een wenkbrauw naar haar op en frons. "Kettingen?"

Jade haalt haar schouders op."Of armbandjes als je dat liever wil." Ze grijnst en begint wat van de lange grashalmen te plukken, die ze in elkaar begint te vlechten.

Hoewel ik onder andere omstandigheden misschien mee was gaan doen, kan ik nu niet anders dan zuchten, terwijl ik opnieuw een blik op de boom werp. "Kunnen we dan niet beter weer verder lopen?"

Day werpt zijn teamgenote een vlugge blik toe, waardoor ik zijn antwoord al weet voordat hij zich weer tot mij richt. "Nog heel eventjes?" stelt hij voor.

Ik zucht en laat me op mijn rug in het gras zakken - in de hoop dat hier echt geen gifslangen zitten - terwijl ik mijn ogen sluit en voor heel even maar van de zon probeer te genieten. "Een paar minuutjes," antwoord ik, maar ik wil het liefste meteen weer opspringen en gaan. Iedere seconde die ik stilzit, lijken de donkere wolken in mijn hoofd groter te worden, en beginnen ze me steeds meer te omcirkelen.

"Hebben jullie hier eigenlijk al iets... opvallends gezien? Het lijkt zo rustig hier,” doorbreekt Day de korte stilte aarzelend.

"Het is te stil,” antwoordt Ada onmiddellijk. Ik ben niet de enige die het gemerkt heeft, en waarschijnlijk dus ook niet de enige die er nerveus van wordt. “Er lijkt hier verder niets te leven; geen dieren."

"Er is zonlicht," merk ik op, hoewel ik eigenlijk wel weet dat dat antwoord me enkel geërgerd gesnauw op kan leveren van mijn districtsgenote.

Gelukkig is Day haar voor met antwoorden. "Op zich is ‘niets’ beter dan ‘gevaarlijke mutilanten’, in elk geval," zegt hij. "We moeten blijven opletten, maar het is niet per se slecht."

Even blijft het stil, en is Ada’s sceptische houding haast te proeven, alsof het mijn zonlicht blokkeert. Dan zucht ze zacht. "Ik denk het."

"Ik vind het zonlicht in elk geval ook heerlijk - en de frisse lucht,” zegt Jade tegen me, en als ik mijn ogen open doe, zie ik dat ze tevreden naar me grijnst.

Even is het stil, voordat Day de groep weer rond kijkt. "Zullen we maar weer verder gaan?" vraagt hij, aarzelend van mij naar Amelia kijkend.

Meteen kom ik overeind, pak mijn stok op en begin weer te lopen. "Dat lijkt me een goed idee,” zeg ik, voordat iemand kan protesteren, al betwijfel ik of Amelia dat hardop zou doen, en Ada lijkt ook allang blij om weg te kunnen uit deze kwetsbare, zichtbare positie. Mijn focus is alweer op de boom gericht, in een wanhopige poging om mijn gedachten te laten verdwijnen. Stap voor stap. Ik blijf mijn voeten neerzetten, blijf lopen, ook al steken mijn voetzolen telkens als ik de grond raak. Het maakt niet uit. Blijf doorgaan.

Reacties (2)

  • Megaeraaa

    of kruipen er giftige slangen rond,
    Ja, hier zit zeker een addertje onder het gras (hoeveel flauwer zou ik nog kunnen worden?)

    Geloof me, zoveel heeft het niet geholpen.
    *boze blik naar Ada* er schuilt zoveel pijn in deze opmerking

    "Of armbandjes als je dat liever wil."
    JAAAAA ZE MOETEN VRIENDSCHAPSBANDJES MAKEN!!!!!

    Die ontspannen sfeer ondanks alles is nog steeds geweldigxD

    2 weken geleden
    • Megaeraaa

      En gefeliciteerd met je 100ste hoofdstuk!!!!!!

      2 weken geleden
    • Samanthablaze

      Ze doen hun best
      Thanks

      2 weken geleden
  • Incidium

    Happy 100! Dit is echt super impressive.
    Wat een marathon, jeetje. Het is knap dat je al drie hoofdstukken op een rij 'characters lopen en zijn moe' interessant houdt:D
    Hebben ze door het bekend maken van die ene dode op dag 2 heen geslapen? rip. Niet dat die dode heel relevant is voor deze groep.
    als het nog langer duurt, is de boomhut nog niet eens klaar als Samuel en Florian het pretje komen bederven haha

    2 weken geleden
    • Samanthablaze

      I'm trying, we zijn er bijna
      Nee dit is dag 2, dus dat is nog niet geweest. Ze hebben alleen de nacht in het doolhof gehad, hebben de ochtend nog door het doolhof gelopen, kwamen er aan het begin van de middag uit en lopen nu alweer een paar uur terug naar het midden, maar het gaat gelukkig wel sneller dan in het doolhof
      Ze hebben nog een dag gelukkig

      2 weken geleden
    • ZainaSwift

      Proficiat met je 100ste hoofdstuk!:)

      2 weken geleden
    • Samanthablaze

      Badankt!

      2 weken geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen